Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1124

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
05/800067-17 en 05/840529-17 (gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt 4 jongens en 1 meisje uit Ede voor de ontvoeringen van een 14-jarige jongen uit Ede. Op 25 april en 1 mei 2017 werd het slachtoffer meegenomen in de kofferbak van een auto. De jongen werd beide keren meegenomen naar een bos in Ede en daar in elkaar geslagen. De opgelegde straffen variëren van een werkstraf van 60 uur en voorwaardelijke jeugddetentie van 34 dagen, tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 123 dagen en een werkstraf van 200 uur. De rechtbank spreekt de zesde verdachte - een toen 18-jarige jongen uit Ede - vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummers: 05/800067-17 en 05/840529-17 (gevoegd)

Datum uitspraak: 13 maart 2018

vonnis op tegenspraak van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1999 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlasteleggingen

Aan verdachte is – na een door de rechtbank toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging met parketnummer 05/840529-17 – tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/800067-17:

hij op of omstreeks 22 september 2016 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trainingspak (merk: Adidas Bayern Munchen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader.

Ten aanzien van parketnummer 05/840529-17:

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2017 te Ede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte(n) die [slachtoffer 2]

-(meerdere) WhatsApp-berichten verzonden en/of hem (daarin) gevraagd of hij naar de kinderboerderij wilde komen en/of daar opgewacht en/of

-(vervolgens) beetgepakt en/of (daarbij) (meermalen) in/op/tegen het hoofd gestompt/geslagen en/of

-(vervolgens) in (de kofferbak) van een (personen)auto (te weten een rode [naam 1] ) gestopt/opgesloten en/of

-(vervolgens) met bovengenoemde (personen)auto naar een bos gereden en/of

-(terwijl zij bij/in het bos waren) tegen de/een boom gezet en/of

-(vervolgens) (meermalen) (met kracht) (met een stok) in/op/tegen de benen en/of armen en/of hoofd, althans het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of op/tegen de motorkap (van bovengenoemde auto) heeft/hebben geduwd en/of

-(wederom) naar/tegen de/een boom geduwd en/of (daarbij) gezegd dat hij, die [slachtoffer 2] , tot 300 moest tellen en/of hem daar (in het bos) achtergelaten;

2.

hij op of omstreeks 01 mei 2017 te Ede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] (meermalen) (met kracht)

-in/op/tegen het (achter)hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam heeft gestompt/geslagen en/of

-in/op/tegen de/het be(e)n(en) (onderuit) getrapt/geschopt/ en/of (vervolgens) (met een stok) in/op/tegen de benen en/of armen en/of het hoofd gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 mei 2017 te Ede tezamen en in verenging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (meermalen) (met kracht)

-in/op/tegen het (achter)hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam te stompen/slaan en/of

-in/op/tegen de/het be(e)n(en) (onderuit) te trappen/schoppen en/of

(vervolgens) (met een stok) in/op/tegen de benen en/of armen en/of het hoofd te stompen/slaan;

3.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte(n) die [slachtoffer 2]

-beetgepakt en/of

-(vervolgens) in (de kofferbak) van een (personen)auto (te weten een rode [naam 1] ) gestopt/opgesloten en/of

-is/zijn verdachte(n) (vervolgens) met bovengenoemde (personen)auto naar een bos gereden en/of

-terwijl voornoemde [slachtoffer 2] in de kofferbak zat rook in de kofferbak geblazen en daarbij de woorden gezegd: 'we zijn in Auschwitz beland’ en/of

-heeft/hebben verdachte(n) (terwijl zij bij/in het bos waren) voornoemde [slachtoffer 2] tegen de/een boom gezet en/of

-(vervolgens) (meermalen) (met kracht) (met een stok) in/op/tegen de benen, althans het lichaam geslagen en/of

-(vervolgens) (meermalen) (met kracht) tegen het gezicht en/of de arm, althans het lichaam geslagen/gestompt en/of

-(vervolgens) (meermalen) tegen de rug, althans het lichaam, getrapt/geschopt en/of

-(vervolgens) voornoemde [slachtoffer 2] gedwongen op de motorkap te gaan zitten, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) zijn weggereden;

4.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door hem de woorden toe te voegen: ‘dat ze nu niets hadden gedaan maar als hij hun namen zou noemen ze hem wel wat aan zouden doen’ en/of dat ze niet zo waren als deze jongens maar nog veel erger’ en/of ‘dat [slachtoffer 2] hun namen niet mocht noemen anders zou er iets ergs gebeuren’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (meermalen) (met kracht)

-(met een stok) tegen de kuiten/benen en/of het lichaam te slaan en/of

-te duwen/trekken (waardoor voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en/of

-(vervolgens) te trappen in/tegen de rug, althans het lichaam en/of

-(met kracht en met gebalde vuist) te slaan/stompen tegen de arm en/of de schouder en/of de nek en/of het gezicht/hoofd, althans het lichaam.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. De overwegingen ten aanzien van het bewijs 1 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – kort samengevat – in de zaak met parketnummer 05/800067-17 geconcludeerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal, met uitzondering van het medeplegen. Hiertoe heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden van de diefstal waarop verdachte is herkend door aangever en ambtshalve door twee verbalisanten. De officier van justitie heeft zich in de zaken met parketnummer 05/840529-17 op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde. Verdachte heeft een grote rol gehad in de geweldsincidenten die plaatsvonden op 25 april 2017 en 1 mei 2017 met behulp van de auto die hij bestuurde, en omdat hij zich niet heeft terugtrokken van het geweld.

Ter zitting heeft de officier van justitie benoemd welke bewijsmiddelen voorhanden zijn om tot een bewezenverklaring te komen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota en hierna kort samengevat – in de zaak met parketnummer 05/800067-17 vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde diefstal. Verdachte heeft een geverifieerde verklaring over waar hij was op 22 september 2016. Weliswaar is verdachte door twee verbalisanten herkend aan de hand van camerabeelden, maar deze herkenningen zijn niet specifiek en concreet. Volgens de raadsman is hetgeen is beschreven in het proces-verbaal van bevindingen aangaande het uitkijken van de camerabeelden, niet te zien en zijn de camerabeelden zo slecht dat een deugdelijke herkenning niet mogelijk is. Gelet op het vorenstaande verzoekt de raadsman de rechtbank om de herkenningen van de verbalisanten terzijde te schuiven.

De raadsman heeft in de zaken met parketnummer 05/840529-17 vrijspraak bepleit van de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde vrijheidsberoving heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet als medepleger van de ontvoering kan worden aangemerkt omdat zijn rol beperkt is gebleven tot het optreden als chauffeur. Verdachte betwist de verklaring van aangever dat hij en [naam 2] vlak voor de ontvoering telefonisch spraken over de kofferbak en dat verdachte direct bij aankomst in het bos uit de auto is gestapt. In de visie van de raadsman zijn de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar. Deze worden niet bevestigd door aangever, niet ondersteund door [naam 3] en betwist door verdachte. Volgens de raadsman trachten [getuige 1] en [naam 4] hun rol zoveel mogelijk te beperken en anderen de schuld te geven. De raadsman verzoekt de rechtbank om deze verklaringen als onbetrouwbaar terzijde te schuiven. De raadsman heeft inzake de onder 4 tenlastegelegde bedreiging aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat voor dit feit nu alleen uit de verklaring van aangever volgt dat hij is bedreigd, als gevolg waarvan niet aan het bewijsminimum wordt voldaan. Inzake de onder 5 tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet als medepleger van de mishandeling kan worden aangemerkt. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de samenwerking. Hij wist niet dat aangever mishandeld zou gaan worden en heeft zich ook feitelijk op geen enkele wijze met de mishandeling bemoeid. Verdachte heeft in de auto gezeten. Volgens de raadsman is er dan ook geen sprake van een wezenlijke of significante bijdrage van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 05/800067-17:

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het onderzoek ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal.

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

[naam 5] heeft aangifte gedaan van gekwalificeerde diefstal van een trainingspak uit zijn winkel ‘ [slachtoffer 1] ’ aan de [adres 2] te Veenendaal tussen donderdag 22 september 2016 te 17:50 uur en donderdag 22 september 2016 te 18:10 uur. Verdachte heeft ontkend de diefstal te hebben gepleegd.

Hij heeft verklaard dat hij niet in deze winkel is geweest en dat hij ten tijde van de diefstal heeft gewerkt bij [adres 2] te Ede. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2017 kan worden afgeleid dat verdachte altijd op donderdag, vrijdag en zaterdag in de eerder genoemde Pizzeria werkte. Zijn werktijden waren van 17:00 uur tot 19:00 uur. Niet eerder en niet langer. Als verdachte een keer een dienst geruild had, was dat nu niet meer terug te zien. Maar hoogstwaarschijnlijk heeft hij op donderdag 22 september 2016 van 17:00 tot 19:00 uur gewerkt.

Vanuit de winkel ‘ [slachtoffer 1] ’ zijn camerabeelden gemaakt van de diefstal en van deze beelden zijn screenshots gemaakt. De screenshots zijn op de facebookpagina van de winkel gezet. In het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden wordt door verbalisant

[verbalisant 1] een beschrijving van de camerabeelden gegeven. Verdachte is vervolgens door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] herkend op (screenshots van) deze beelden. De rechtbank stelt bij de beoordeling in dit kader voorop dat het bewijs dat het verdachte is geweest die betrokken is geweest bij deze diefstal, (vrijwel) uitsluitend is gebaseerd op door verbalisanten gerelateerde herkenningen. Met deze herkenningen en de bewijskracht dient behoedzaam te worden omgegaan, zeker als dit het enige bewijsmiddel betreft voor de betrokkenheid van verdachte. De rechtbank betwijfelt niet de oprechtheid van de herkenningen door de verbalisanten, maar hierbij is echter van doorslaggevend belang of deze herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank heeft de camerabeelden ter terechtzitting eveneens bekeken, samen met de officier van justitie, de verdachte en de raadsman. Anders dan in eerder genoemd proces-verbaal is beschreven, heeft de rechtbank vastgesteld (de zogenoemde ‘rechterlijke waarneming’) dat op de camerabeelden niet met zekerheid valt te zien dat één van de jongemannen in de winkel het trainingspak onder het jasje van het andere trainingspak hangt en hij hierop de rits weer dicht doet. Los hiervan heeft de rechtbank op grond van de beschikbare camerabeelden dan wel de in het strafdossier bijgevoegde screenshots van deze beelden, niet met zekerheid kunnen vaststellen dat één van de in de winkel aanwezige jongemannen daadwerkelijk de verdachte betreft. De rechtbank overweegt dat de camerabeelden en de screenshots hiervoor ook te onduidelijk zijn. Dat verdachte op de camerabeelden c.q. de screenshots wordt herkend door twee verbalisanten en melders op de facebookpagina van de winkel ‘ [slachtoffer 1] ’ is voor de rechtbank, gelet op voornoemde vooropstelling, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. In de eerste plaats geldt dat (de stills van) dezelfde beelden ook ten grondslag liggen aan díe herkenning en verder is gebleken is dat naast de genoemde herkenningen, geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die de aangifte ondersteunen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van de aanwezige bewijsmiddelen niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde diefstal heeft begaan, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 05/840529-17:

De feiten ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op maandag 1 mei 2017 wordt aangever [slachtoffer 2] door [naam 3] gevraagd haar (uiteindelijk) te ontmoeten bij de kinderboerderij te Ede. 34 Aangever is samen met getuige [getuige 3] daar naar toegelopen. 5 [getuige 4] en getuige [getuige 5] worden door verdachte en [naam 2] met de auto, een rode Volkwagen [naam 1] , die door verdachte wordt bestuurd, opgehaald en zij zijn naar de kinderboerderij gereden. 67 Aangever ziet naast [getuige 4] vanaf de parkeerplaats verdachte en [naam 2] aankomen lopen. [getuige 3] wordt naar huis gestuurd. 8 Aangever wordt vervolgens vervoerd in de kofferbak van de rode [naam 1] . Verdachte is met de auto waarin zich [naam 2] , [getuige 4] , [getuige 5] en aangever bevinden, naar het [naam 6] te Ede gereden. In het bos aangekomen, blijven [getuige 4] en [getuige 5] in de auto zitten. Tegen aangever wordt in het bos geweld toegepast. 91011Verdachte neemt daaraan deel. Aangever wordt in het bos achtergelaten. 12

Feit 1

Veroordeling

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het onderzoek ter zitting wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het tenlastegelegde medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] heeft begaan op 1 mei 2017.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van gijzeling/ontvoering, gepleegd te Ede op maandag 1 mei 2017. Hij heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat toen hij vanaf de parkeerplaats de jongens aan zag komen, jongen 1 voorop liep. Deze zei tegen getuige [getuige 3] : ‘Ga maar naar huis kleine’ en jongen 2 gaf een klap met zijn vlakke hand tegen het hoofd van aangever. Jongen 1 trok aangever mee in de richting van de auto. Aangever werd beetgepakt en kreeg klappen, onder andere tegen zijn achterhoofd. Aangever kreeg die klappen van jongen 2 toen zij in de richting liepen van de auto. De auto van de jongens was een rode [naam 1] . Jongen 2 maakte de klep van de auto open. Hij werd achter in de kofferbak gedaan. Aangever berichtte zijn moeder dat zij naar het [naam 6] waren gereden. Aangever heeft zijn moeder een sms-bericht gestuurd met: ’Help ik zit in een rode [naam 1] ’, of iets van die strekking. Deze berichten heeft hij ook direct gewist omdat hij bang was dat de jongens op zijn telefoon zouden kijken. Toen de auto stopte, deed jongen 2 de klep van de auto open, jongen 1 zei dat aangever uit de auto moest komen en tegen een boom moest gaan staan. Jongen 1 had een stok in zijn hand. Aangever is toen gaan rennen. Jongen 1 riep dat aangever moest stoppen en dat hij aangever anders doodmaakte. Hij liep achter aangever aan en haalde hem in. Jongen 1 trapte aangever onderuit en sloeg aangever met een stok tegen zijn benen en armen en op zijn hoofd. Jongen 2 sloeg met zijn vuisten op het hoofd van aangever. Hij moest teruglopen naar de auto. Aangever werd door jongen 2 tegen een boom gezet en toen trapte hij aangever onderuit.

Aangever moest weer opstaan en jongen 1 sloeg aangever met een stok tegen de benen. Hij viel weer onderuit. Aangever werd door jongen 2 opgepakt en tegen de motorkap geduwd. Aangever viel daarna op de grond en toen werd jongen 1 nog een keer boos. Jongen 2 duwde aangever naar een boom toe, daar moest hij achter gaan zitten en 300 seconden aftellen. Hij zag de jongens in de auto wegrijden in de richting van Ede. 13

De verklaring van aangever over het toegepaste geweld, vindt ondersteuning in het verslag waarin het letsel van aangever wordt beschreven door forensisch arts drs. [naam 7] op 1 mei 2017. Hieruit blijkt onder meer dat er midden op het achterhoofd van aangever een onderbreking van de behaarde hoofdhuid te zien is met een afmeting van 1 centimeter in de lengte as en ongeveer een halve centimeter in de breedte. Er loopt nog wat bloederig vocht uit. Er is sprake van enige zwelling op en rondom dit letsel (scheurwond).

Voorts bevinden zich op de rug van aangever meerdere rode verkleuringen, enigszins gezwollen en met een bijzondere vorm bestaande uit twee parallel naast elkaar verlopende lijnen van ongeveer een halve centimeter breed met daartussen een witte lijn van ongeveer 3 millimeter en een lengte van 10 tot ongeveer 25 centimeter. Deze letsels zijn in de literatuur beschreven als zogenaamde “tramline bruising” en kunnen worden veroorzaakt door slagen met een langwerpig voorwerp zoals bijvoorbeeld een (wapen-) stok (bloeduitstorting). Ook op de achterzijde van beide benen en op de buitenzijde van de rechter bovenarm van aangever is sprake van hetzelfde letsel als beschreven bij de rug (bloeduitstorting). Bij het hiervoor vermelde letsel staat in het verslag aangegeven dat dit letsel (goed) kan passen bij de door aangever aangegeven toedracht. 14

De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 5] . Zij heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat zij en [getuige 4] op 1 mei 2017 werden opgehaald door [naam 2] en een andere jongen (hierna: jongen 2) van wie zij de naam niet meer weet en reden naar de kinderboerderij. [naam 2] en jongen 2 stopten aangever op enig moment in de kofferbak. Zij, [naam 2] , jongen 2 en [getuige 4] reden naar het bos met aangever in de kofferbak. In het bos werd aangever door [naam 2] en jongen 2 uit de kofferbak gehaald.15 [naam 2] en jongen 2 sloegen aangever, eerst met de handen. Zij sloegen met hun vuisten. Aangever rende weg en [naam 2] en jongen 2 renden er achteraan. Toen zij terugkwamen had aangever een gat in zijn hoofd. Voordat aangever wegrende is hij één of twee keer door [naam 2] geslagen. Dit was met de vuisten. [naam 2] trapte aangever ook tegen zijn benen en hij werd op zijn armen en schouder geslagen. Toen [naam 2] en jongen 2 na ongeveer vijf minuten met aangever terugkwamen, werd hij nog harder aangepakt. Hij werd geslagen met vuisten en [naam 2] had ook nog een stok van de grond gepakt waarmee aangever werd geslagen en tegen zijn been geraakt. Jongen 2 sloeg met zijn vuist en trapte aangever. Aangever werd door jongen 2 ook een paar keer flink in zijn gezicht geslagen. [getuige 5] heeft verklaard dat zij dacht dat dit een kwartier duurde, het moment nadat zij terug kwamen uit het bos en aangever harder werd aangepakt. 16 [getuige 5] heeft aanvullend verklaard dat zij de persoon op de foto die haar werd getoond, herkende als de persoon die zij in haar eerdere verklaring omschreef als jongen 2. 17

De foto toont verdachte.18

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangever tevens wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 3] . Zij heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat aangever op 1 mei 2017 in de kofferbak werd gegooid van de auto die door verdachte werd bestuurd. In het bos gingen verdachte en [naam 2] de auto uit en deden de kofferbak open. Aangever rende toen weg en zij gingen achter aangever aan. Toen verdachte en [naam 2] terugkwamen met aangever, hadden zij hem weer bij de schouder vast. Zij zag dat aangever een bult op zijn voorhoofd had. Verdachte, [naam 2] en aangever liepen naar een boom toe. [naam 2] sloeg met een stok in zijn knieholte en verdachte sloeg met een stok tegen zijn hoofd. Verdachte sloeg vier keer op zijn hoofd en [naam 2] sloeg vaker in de knieholtes. De stok van [naam 2] was best wel dik en die van verdachte was een tak. [getuige 4] heeft voorts verklaard dat zij denkt dat beide stokken ongeveer een meter waren. Toen gooiden zij de stokken weg en zag zij dat aangever bloed op de achterkant van zijn hoofd had. 19

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op 1 mei 2017 de auto bestuurde waarin hij met [naam 2] , [getuige 4] en [getuige 5] naar de kinderboerderij te Ede reed. Hij heeft de kofferbak van de auto geopend en aangever gezegd in de kofferbak te gaan zitten. In het [naam 6] is aangever uit de kofferbak gehaald en is het uit de hand gelopen. Verdachte wilde aangever een lesje leren omdat hij boos was om wat aangever over hem had verteld. Verdachte heeft aangever geslagen. Toen hij en [naam 2] zagen dat de plekken op de armen van aangever dik waren en er bloed zat op het achterhoofd van aangever, zijn zij gestopt en hebben zij aangever laten liggen in het bos. 20

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde bewijsmiddelen in onderling verband bezien, is komen vast te staan dat aangever door het handelen van verdachte als medepleger, wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. Aan aangever is opgedragen de kofferbak van de auto in te gaan, zodat hij werd opgesloten. De rechtbank acht hierbij bewezen dat aangever, voordat hij in de kofferbak zat, ook nog meermalen tegen het hoofd is geslagen door verdachte en/of [naam 2] , gelet op de verklaringen van aangever en getuige [getuige 3] . 21 Naar het oordeel van de rechtbank is aangever, ook nadat hij uit de kofferbak kwam, belemmerd in zijn vrijheid om te gaan en te staan waar hij wilde door de handelingen van verdachte. Gebleken is dat aangever in het [naam 6] trachtte te vluchten voor verdachte en [naam 2] , maar hij niet kon ontsnappen mede door het op hem toegepaste geweld. Gelet op de hiervoor vermelde verklaringen van aangever, [getuige 5] en [getuige 4] acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte aangever meermalen met kracht met een stok in/op/tegen het hoofd heeft geslagen en aangever heeft getrapt. [naam 2] heeft met een stok meermalen geslagen tegen de benen en armen van aangever.

Feit 2

Veroordeling voor het primair tenlastegelegde

Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling is vereist dat het opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Er is voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel aanwezig als een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of de gedragingen van verdachte die aanmerkelijke kans in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.

Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat degene die de handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de hiervoor onder feit 1 vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen dat aangever door verdachte – als medepleger – meermalen met kracht op het (achter)hoofd en het gezicht is gestompt/geslagen, tegen de benen (onderuit) is getrapt/geschopt en met een stok in/op/tegen de benen, armen en het hoofd is geslagen. Uit het eerder genoemde verslag waarin het letsel van aangever wordt beschreven, kan worden vastgesteld dat dit letsel ernstig is en blijkt dat de geschatte duur van de verdere genezing van het zichtbare letsel en het overige letsel 6 weken bedraagt. De rechtbank stelt vast dat ook een zestal foto’s van het letsel zijn bijgevoegd en dat foto’s 1 en 2 laten zien dat aangever een forse, bloeddoorlopen verwonding op zijn achterhoofd heeft. 22

De rechtbank is van oordeel dat door meerdere keren met kracht op het (achter)hoofd en het gezicht van iemand stompen dan wel slaan en hard en langdurig op iemands hoofd slaan met een of meerdere stokken zoals in het onderhavige geval, de aanmerkelijke kans op het optreden van zwaar lichamelijk letsel door verdachte in het leven is geroepen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat voormeld handelen gelet op de intensiteit (met vuisten en stokken, trappen) in combinatie met de duur ervan (tenminste een kwartier) alsmede het feit dat het gezicht en het hoofd kwetsbare lichaamsonderdelen zijn, kan resulteren in fors en permanent letsel. 23 De rechtbank is van oordeel dat deze geweldshandelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen aldus dat verdachte als medepleger (te weten: samen met [naam 2] ) aangever meermalen met kracht op het (achter)hoofd en het gezicht heeft gestompt/geslagen en tegen de benen (onderuit) getrapt/geschopt en met een stok in/op/tegen de benen en het hoofd heeft geslagen.

De feiten ten aanzien van het onder 3,4 en 5 tenlastegelegde

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op woensdag 25 april 2017 wordt aangever [slachtoffer 2] vanaf de [woning] te Ede vervoerd in de kofferbak van een door verdachte bestuurde auto, een rode [naam 1] . In de auto bevinden zich tevens [naam 2] , [getuige 2] , [getuige 1] en [naam 8] . In het [naam 6] te Ede wordt aangever uit de kofferbak gehaald en wordt geweld op hem toegepast. 24

Feit 3

Veroordeling

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het tenlastegelegde medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 2] heeft begaan op 25 april 2017.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Aangever [slachtoffer 2] heeft gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd omtrent het gebeuren op woensdag 25 april 2017. Deze verklaringen komen de rechtbank geloofwaardig en betrouwbaar voor, ook gelet op de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Aangever heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij op 25 april 2017 werd gebeld door [naam 2] die hem vroeg naar de [woning] te komen. 25 Bij de [woning] pakte [naam 2] de telefoon van aangever en ontdekte zijn naam in een appgesprek op die telefoon waar hij ( [naam 2] ) niet blij mee was omdat daarin stond dat hij eerder ruzie had gehad. 26 Toen aangever zijn telefoon terug wilde pakken, trapte [naam 2] aangever onderuit. [naam 4] tufte op zijn jas. [naam 2] belde verdachte en aangever hoorde [naam 2] in het gesprek met verdachte zeggen dat aangever in de kofferbak moest. Verdachte kwam aangereden met in de auto [getuige 1] en een jongen genaamd ‘ [naam 9] ’. Verdachte deed de kofferbak open. Aangever werd aan zijn arm in de kofferbak getrokken door [naam 2] . Toen de auto na gereden te hebben, stopte, gingen zij eerst roken en bliezen zij rook in de kofferbak. [naam 2] zei toen zoiets van: ‘We zijn in Auschwitz beland’. [naam 2] deed de kofferbak open en trok aangever aan de arm uit de kofferbak. Hij moest tegen een boom aan gaan staan. [naam 2] pakte een stok en sloeg aangever tegen zijn been en ook drie of vier keer tegen zijn kuiten met een stok. Hij draaide om de boom heen maar werd onderuit gehaald door [getuige 1] . Hij probeerde weg te komen maar [getuige 1] trok aan zijn shirt. Aangever viel en werd op de grond liggend door [getuige 1] drie keer met zijn vuist geslagen op zijn rechterbovenarm, schouder en nek. [naam 2] trapte in zijn rug. [naam 2] zei dat aangever niet zijn naam moest gebruiken. [naam 4] sloeg in het gezicht van aangever. Daar heeft aangever de blauwe plek van opgelopen. [naam 4] tufte ook in zijn capuchon. Zij reden toen terug waarbij verdachte zei dat aangever op de motorkap moest gaan zitten. 27

Uit de verklaring van getuige [naam 3] blijkt dat zij het letsel bij aangever diezelfde avond heeft waargenomen en dat aangever ook aan haar heeft verteld dat hij op 25 april 2017 door [naam 2] is geslagen en in de kofferbak is gegooid en dat [naam 4] hem ook had geslagen. [getuige 4] heeft verklaard dat aangever haar ook vertelde dat aangever was geslagen met stokken op zijn hoofd en dat hij een trap in zijn knieholte had gehad van [naam 4] . [getuige 4] zag dat aangever een wond onder zijn oog had en dat hij moeilijk liep. Aangever liet haar zijn scheenbeen zien dat dik was. 28 Getuige [getuige 6] , de moeder van [getuige 4] , heeft verklaard dat zij zag dat aangever een wond had bij zijn boven rechteroog. Het was een flinke schram en een verse wond. Het vel boven zijn rechteroog was eraf. 29 Getuige [getuige 5] heeft voorts verklaard dat zij zag dat aangever een wond bij zijn oog had welke wond nog open was. De wond was niet zo groot. Het was een klein balletje. Zijn been was blauw en hij liep mank. Aangever vertelde haar dat hij met takken was geslagen. 30

[getuige 1] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij op 25 april 2017 in de door verdachte bestuurde auto zat met [naam 2] , [naam 4] en [naam 8] en dat aangever in de kofferbak zat. In het [naam 6] werd aangever door [naam 2] tegen een boom gezet. [naam 2] heeft aangever een paar klappen gegeven. Zij stonden zo dat aangever niet weg kon. [getuige 1] kon alles vanaf de achterbank van de auto door de zijruit zien. Hij zag dat aangever wegrende en dat [naam 2] achter aangever aanrende en hem een trap gaf waardoor hij op de grond viel. Toen aangever op de grond lag, gaf [naam 2] hem nog een klap met de vuist.

Iemand zei dat aangever op de motorkap moest gaan zitten en zij zijn met aangever op de motorkap verder gereden. 31

[getuige 2] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat zij op 25 april 2017 een rondje gingen rijden en uitkwamen in een bos. Verdachte, [naam 2] en aangever zijn de auto uitgestapt, hij en [getuige 1] 5 minuten later ook. Aangever werd onderuit gehaald en kwam tegen de schouder van [naam 4] aan. [naam 4] tufte hem en is weggelopen. Aangever mocht niet instappen. Eerst rende hij nog mee, later zat hij op de motorkap. 32

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 25 april 2017 werd gebeld door [naam 2] die hem vroeg naar de [woning] te komen om hem te helpen. Met [getuige 1] en [naam 8] in de auto is hij naar de [woning] gereden waar [naam 2] , [naam 4] en aangever aan kwamen lopen. Hem werd gevraagd de kofferbak te openen wat hij deed waarna hij direct weer de auto in is gestapt. [naam 2] en [naam 4] stapten ook in. Verdachte kreeg van iemand in de auto instructie om naar het [naam 6] te rijden en ontdekte pas onderweg dat aangever in de kofferbak zat. [naam 2] , [naam 4] en [getuige 1] zijn in het [naam 6] uitgestapt en aangever werd geslagen. Daarna is verdachte uit de auto gestapt en heeft hij aangever gezegd om hem er buiten te laten. De anderen wilden aangever in het bos achterlaten, maar verdachte vertelde aangever dat hij op de motorkap kon zitten. 33

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde bewijsmiddelen in onderling verband bezien, is komen vast te staan dat aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. De rechtbank acht dit het geval op het moment dat aangever in de kofferbak van de auto werd opgesloten, maar ook gedurende de periode daarna in het [naam 6] . Gebleken is dat aangever niet kon ontsnappen aan het op hem toegepaste geweld.

Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van jurisprudentie kan worden gesteld dat het ‘medeplegen’ primair een voldoende nauwe en bewuste samenwerking vereist met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, een kwestie die dus een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval verlangt. Daarnaast moet in ieder geval voor de kwalificatie medeplegen de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht zijn. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking kan rekening gehouden worden met, onder meer, de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Zeker in een dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere situaties, dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte de deelnemingsvorm ‘medeplichtigheid’ overstijgen en dat verdachte als medepleger van de vrijheidsberoving dient te worden aangemerkt. De rechtbank overweegt in dit verband dat verdachte voor een auto heeft gezorgd en heeft bestuurd door middel waarvan de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden, en precies op dat moment.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat uit de aanwezige bewijsmiddelen ook is gebleken dat verdachte er reeds bij de [woning] weet van had dat aangever zich in de kofferbak van de auto bevond. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de kofferbak opende en direct daarna de auto weer instapte daarbij ervan uitgaande dat er spullen werden ingeladen, niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt in dit verband dat verdachte ook heeft verklaard dat hij [naam 2] , [naam 4] en aangever bij de auto zag staan en dat hij slechts [naam 2] en [naam 4] de auto zag instappen. Aangever kan niet zomaar in het niets zijn verdwenen. Daarbij komt dat, uitgaande van de verklaring van aangever, [naam 2] vlak voor de vrijheidsberoving telefonisch met verdachte had gesproken en [naam 2] tegen verdachte zei dat aangever in de kofferbak moest. De rechtbank volgt op dit punt dus de verklaring van aangever omdat deze, zoals hiervoor weergegeven, op een aantal andere essentiële punten wordt ondersteund door andere verklaringen. De rechtbank acht zich gesterkt in dat oordeel nu ditzelfde geldt voor de feiten die op 1 mei 2017 hebben plaatsgevonden; ook daar wordt de verklaring van aangever op een groot aantal punten ondersteund en verankerd door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte tijdens de autorit en in het [naam 6] geen enkele poging heeft ondernomen om de vrijheidsberoving te beëindigen en het geweld tegen aangever te stoppen, terwijl hij heeft verklaard dat hij wel zag dat aangever toen werd mishandeld. Verdachte heeft daarnaast door zijn voortdurende aanwezigheid bij het delict de groep getalsmatig versterkt.

Gelet op bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen verdachte en zijn medeverdachten en dat verdachte een substantieel aandeel geleverd heeft aan het geheel.

Feit 4

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde medeplegen van de bedreiging van [slachtoffer 2] op 25 april 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft ontkend het tenlastegelegde te hebben begaan.

Op grond van het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring slechts kan volgen uit de verklaringen van aangever, acht de rechtbank niet wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en zal de rechtbank verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Feit 5

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde medeplegen van de mishandeling van [slachtoffer 2] heeft begaan op 25 april 2017.

De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft ontkend en dat ook uit de verklaring van aangever zelf niet blijkt dat verdachte geweld heeft toegepast tegen aangever, en evenmin dat verdachte anderszins een bijdrage hieraan heeft geleverd. Aangever heeft juist verklaard dat verdachte en [naam 8] in het [naam 6] tegen hem zeiden dat zij “nu niets gedaan hadden”. Gelet op het voorgaande zal verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/840529-17:

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2017 te Ede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachten die [slachtoffer 2]

-(meerdere) WhatsApp-berichten verzonden en/of hem (daarin) gevraagd of hij naar de kinderboerderij wilde komen en/of daar opgewacht en/of

-vervolgens beetgepakt en /of daarbij meermalen in/op/tegen het hoofd gestompt/geslagen en/of

-vervolgens in de kofferbak van een personenauto te weten een rode [naam 1] gestopt/opgesloten en/of

-vervolgens met bovengenoemde personenauto naar een bos gereden en/of

-terwijl zij bij/in het bos waren tegen de/een boom gezet en/of

-vervolgens meermalen met kracht met een stok in/op/tegen de benen en/of armen en/of hoofd, althans het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of op/tegen de motorkap (van bovengenoemde auto) heeft/hebben geduwd en/of

-wederom naar/tegen de/een boom geduwd en/of daarbij gezegd dat hij, die [slachtoffer 2] , tot 300 moest tellen en/of hem daar in het bos achtergelaten;

2. primair

hij op of omstreeks 01 mei 2017 te Ede tezamen en in vereniging met een of meer ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] meermalen met kracht

-in/op/tegen het (achter)hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam heeft gestompt/geslagen en/of

-in/op/tegen de/het benen (onderuit) getrapt/geschopt/ en/of vervolgens met een stok in/op/tegen de benen en/of armen en/of het hoofd gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachten die [slachtoffer 2]

-beetgepakt en/of

-vervolgens in de kofferbak van een personenauto te weten een rode [naam 1] gestopt/opgesloten en/of

-is/zijn verdachten vervolgens met bovengenoemde personenauto naar een bos gereden en/of

-terwijl voornoemde [slachtoffer 2] in de kofferbak zat rook in de kofferbak geblazen en daarbij de woorden gezegd: 'we zijn in Auschwitz beland’ en/of

-heeft/hebben verdachten terwijl zij bij/in het bos waren voornoemde [slachtoffer 2] tegen de/een boom gezet en/of

-vervolgens meermalen met kracht met een stok in/op/tegen de benen, althans het lichaam geslagen en/of

-vervolgens meermalen met kracht tegen het gezicht en/of de arm, althans het lichaam geslagen/gestompt en/of

-vervolgens meermalen tegen de rug, althans het lichaam, getrapt/geschopt en/of

-vervolgens voornoemde [slachtoffer 2] gedwongen op de motorkap te gaan zitten, waarna verdachte en/of zijn mededaders zijn weggereden.

Wat meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van parketnummer 05/840529-17:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Ten aanzien feit 2, primair:

Medeplegen van een poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

5 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van de straf

Reclassering Nederland heeft in haar op 8 februari 2018 uitgebrachte rapport geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte heeft niet te kampen met een verstandelijke beperking en volgt een mbo-opleiding. Hij beschikt over voldoende handelingsvaardigheden en van pedagogische beïnvloeding is niet in die mate sprake dat het noodzakelijk is om structuur aan zijn leven te geven. Hij lijkt doorgaans zelfbepalend te zijn en niet beïnvloedbaar. Ondanks het feit dat verdachte jonger oogt dan zijn kalenderleeftijd doet vermoeden, hij ten tijde van de tenlastelegging net achttien jaar was en omgang had met minderjarigen, vindt de reclassering dit niet dermate zwaarwegend dat afgeweken dient te worden van toepassing van het volwassenstrafrecht. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen waarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd:

-meldplicht;

-verdachte wordt verplicht om zich gedragskundig te laten onderzoeken en behandelen bij forensische polikliniek Kairos of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen;

-contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht.

De officier van justitie heeft – kort samengevat – benadrukt dat verdachte zeer ernstige strafbare feiten heeft begaan en dat het hem zwaar aangerekend wordt dat hij hierover lang heeft gezwegen. Er dient een zeer stevige waarschuwing voor verdachte te komen. Dergelijke delicten dienen nooit meer plaats te vinden. Volgens de officier van justitie is het ook van belang dat verdachte zich openstelt voor de reclassering en dat hij zich laat behandelen. De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte een werkstraf van 200 uur op te leggen, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarden het opleggen van de meldplicht, het door verdachte meewerken aan behandeling bij een forensische polikliniek zolang de reclassering dit nodig acht alsook het continueren van het contactverbod met medeverdachten [naam 2] , [naam 4] en [getuige 1] zolang de reclassering dit nodig vindt. Ten slotte vordert de officier van justitie de in beslag genomen telefoon van verdachte verbeurd te verklaren omdat deze gebruikt is voor het strafbare feit.

De raadsman heeft – kort samengevat – naar voren gebracht dat sprake is van een fors tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte en de behandeling ter terechtzitting, wat dient te leiden tot toepassing van een andere strafmodaliteit dan onvoorwaardelijke hechtenis. De raadsman verzoekt daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen conform voorarrest en de ernst van de feiten tot uitdrukking te laten komen in een hogere voorwaardelijke straf dan wel de oplegging van een taakstraf. De raadsman heeft betoogd dat de nadruk bij de afdoening van onderhavige zaak dient te liggen op de toekomst van verdachte. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf doorkruist de door verdachte ingezette goede weg gedurende het afgelopen jaar op een onaanvaardbare wijze. Volgens de raadsman dient ook niet uit het oog verloren te worden dat verdachte al sterk in zijn vrijheid is beperkt door de voorwaarden die bij de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn gesteld. Ook ingeval er een voorwaardelijke straf wordt opgelegd, zal verdachte een lange periode veel tijd in deze moeten investeren.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit ziet de rechtbank zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het sanctiestelsel voor meerderjarigen dient te worden toegepast zoals door de officier van justitie is gevorderd, dan wel het sanctiestelsel voor jeugdigen zoals door de raadsman is verzocht.

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht geeft de rechtbank de mogelijkheid om ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbare feit wel al de leeftijd van 18 jaren maar nog niet de leeftijd van 23 jaren heeft bereikt, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77 hh van het Wetboek van Strafrecht. Uitgangspunt blijft dat ten aanzien van deze leeftijdsgroep het strafrecht voor volwassenen van toepassing is en dat toepassing van het minderjarigenstrafrecht een uitzondering is.

De rechtbank acht in de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die dienen te leiden tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht. Ook in de persoonlijkheid van verdachte en hetgeen tijdens het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het minderjarigenstrafrecht te moeten toepassen, daarbij ook in acht nemend de inhoud van het hiervoor vermelde rapport van de reclassering. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman op dit punt dan ook af.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee vrijheidsberovingen van dezelfde aangever kort na elkaar en getracht deze aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Alle feiten zijn als zeer ernstige strafbare feiten te kwalificeren en zouden zonder meer een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Verdachte heeft door te handelen zoals bewezen is verklaard, zich mee laten slepen en gebruiken op een wijze die het welzijn van het veel jongere slachtoffer ernstig heeft aangetast. Op 25 april 2017 is in het bos rook in de kofferbak geblazen en is een uiterst ongepaste opmerking over het voormalig gevangen- en vernietigingskamp Auschwitz gemaakt, die, naar de rechtbank zich kan voorstellen, mede heeft bijgedragen aan de angst van het slachtoffer en het gevoel dat hij misschien wel nooit meer zou kunnen ontsnappen. Verdachte heeft op 1 mei 2017 fors geweld toegepast op aangever die doodsangsten uitstond en geen kant op kon. Verdachte heeft aangever veel leed aangedaan. Uit de slachtofferverklaring van aangever, die ter zitting is voorgelezen, is naar voren gekomen dat de gedragingen van verdachte en medeverdachten een grote impact op zijn leven hebben gehad, zowel fysiek als psychisch. Hij heeft een aantal maanden moeilijk kunnen lopen en nog steeds pijn aan zijn rug. Ook is aangever gespannen en angstig geworden. Hij heeft een post-traumatische stress-stoornis (PTSS) opgelopen en heeft EMDR therapie gevolgd om deze gebeurtenis te verwerken. Zijn onbevangenheid als het gaat om het kunnen vertrouwen van mensen, is hij kwijtgeraakt. Naast het verdriet dat aangever is aangedaan, vormen onderhavige delicten tevens een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken deze gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft mede rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie (ook wel genoemd: strafblad) van 16 januari 2018 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en (net) volwassen was ten tijde van de feiten.

De rechtbank stelt voorop dat de bewezenverklaarde feiten op zichzelf een gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank heeft echter afgezien van een langere en onvoorwaardelijke gevangenisstraf om verschillende redenen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte adequate behandeling zal volgen.

Om dit te bewerkstelligen zal een forse stok achter de deur middels een deels voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Het voorwaardelijke deel is groot, omdat gebleken is dat de afgelopen negen maanden verdachte met strikte afspraken, huisarrest en contactverboden (die op zichzelf al een (be)straffend effect hebben), zich goed heeft ontwikkeld en niet opnieuw bij strafbare feiten betrokken is geraakt. Hij is serieus bezig met zijn opleiding en functioneert goed in de thuissituatie.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een werkstraf voor de duur van 200 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 123 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van drie jaar en na te melden voorwaarden passend en geboden is, vooral gelet op de ernst van de gepleegde feiten. De rechtbank acht een langere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, geïndiceerd vanwege de ernst van de feiten en ook om verdachte door een forse stok achter de deur ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Hierbij heeft de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. De tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal van de gevangenisstraf worden afgetrokken.

De rechtbank zal de onder verdachte in beslag genomen telefoon verbeurd verklaren, nu dit een voorwerp betreft waarmee de tenlastegelegde feiten zijn begaan.

8. De beoordeling van de civiele vordering en de gevorderde oplegging van de

Schadevergoedingsmaatregel (in de zaken met parketnummer 05/840529-17)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich door middel van zijn gemachtigde mr. [naam 10] , in het strafproces gevoegd en een materiële schadevergoeding gevorderd van

€ 1.028,90 bestaande uit: kleding (€ 234,99), telefoonkosten (€ 50,--), reiskosten (€ 517,77), parkeerkosten (€ 81,15), kosten van de oppas (€ 110,--) en een ring (€ 34,99). De benadeelde partij heeft daarnaast een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 10.000,-- bestaande uit € 6.000,-- betreffende het incident op 1 mei 2017 en € 4.000,-- betreffende het incident op 25 april 2017. De benadeelde partij heeft tevens verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De officier van justitie heeft verzocht om de gevorderde vergoeding van de kleding, de reiskosten en de parkeerkosten geheel toe te wijzen (in totaal € 833,91) en de vordering tot materiële schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren omdat de overige kosten niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft verzocht om de immateriële schadevergoeding te beperken tot € 2.500,-- betreffende het incident op 1 mei 2017 en € 1.500,-- betreffende het incident op 25 april 2017 in aansluiting op uitspraak 2116 op bladzijde 10 van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’. De officier van justitie heeft verzocht de hoofdelijkheid uit te spreken en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen alsook de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente.

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot materiële schadevergoeding. Volgens de raadsman levert de behandeling van de vordering betreffende de kleding een onevenredige belasting op van het strafproces en zijn de telefoon-, reis- en parkeerkosten alsmede de kosten van de oppas niet onderbouwd. Naar de mening van de raadsman ontbreekt er een rechtstreeks verband tussen de ring en het tenlastegelegde. De raadsman heeft verzocht om de immateriële schadevergoeding betreffende het incident op 25 april 2017 niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak en de vergoeding voor het incident op 1 mei 2017 te matigen tot een bedrag van € 1.000,--.

Materiële schade

De rechtbank overweegt voor wat betreft de materiele schade als volgt.

Namens de benadeelde partij is ter zitting toegelicht dat de kosten betreffende de kleding zien op een trainingspak en jas die als gevolg van het bewezenverklaarde zijn beschadigd. Gebleken is dat van de kosten geen aankoopbonnen zijn overgelegd, doch wel de rekeningafschriften op 31 oktober 2016 en 30 maart 2017 van de afzonderlijke aankoopbedragen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee deze kosten voldoende onderbouwd zijn. De rechtbank ziet aanleiding deze kosten schattenderwijs vast te stellen op € 150,-- rekening houdend met enige afschrijving.

De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor de ring acht de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Aangever heeft bij de politie reeds aangegeven dat hij een ring had verloren tijdens zijn vlucht uit het bos. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de moeder van aangever, die dit ook direct meldt. Uit het bij de vordering overgelegde betalingsbewijs van juwelier [naam 11] (bijlage 1) blijkt dat er een bedrag is betaald op 24 april 2017 om 14:21 uur en dat dit bedrag is afgeschreven van de rekening van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht hiermee voldoende onderbouwd dat dit een bewijs van betaling betreft van de door aangever bedoelde (verloren) ring. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het bedrag dat voor de ring wordt gevorderd voor toewijzing vatbaar is.

Ten aanzien van de verzochte reis- en parkeerkosten merkt de rechtbank het volgende op.

Voldoende gemotiveerd en onderbouwd met stukken (de verklaring van de huisarts en de psycholoog) is dat de benadeelde partij PTSS heeft opgelopen en ook lichamelijke gevolgen heeft ondervonden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen, mede gelet op de aard en intensiteit daarvan. Om die reden staat vast dat behandeling van een fysiotherapeut en een psycholoog noodzakelijk waren, evenals dat hij gedurende enige tijd gebracht en gehaald moest worden van en naar school. Ook de bezoeken aan het Openbaar Ministerie, slachtofferhulp Nederland en het politiebureau zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door middel van een kilometeroverzicht, aan de hand waarvan de rechtbank tot een totaal van 1.637,8 gereden kilometers komt. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij een kilometervergoeding van € 0,29 cent per gereden kilometer heeft gevorderd. Ingevolge de ‘Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding’ wordt een normbedrag per gereden kilometer gehanteerd van € 0,26 vanaf 1 januari 2017. Gelet daarop zal de rechtbank dit forfaitaire bedrag als redelijk overnemen, waardoor het totaalbedrag aan reiskosten saldeert op € 425,83. De parkeerkosten voor bovenstaande bezoeken bedragen totaal

€ 44,30.

Voor zover er onduidelijkheid mocht zijn voor welk incident de gevorderde reis- en parkeerkosten dienen te worden vergoed, merkt de rechtbank daarover het volgende op. Artikel 6:99 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) schrijft voor dat als de schade een gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vaststaat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen (hoofdelijk) rust, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

In dit geval staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de reis- en parkeerkosten een gevolg zijn van beide gebeurtenissen, namelijk de gijzeling op 25 april 2017 en op 1 mei 2017. Door verdachte is in dit geding niet bewezen dat de schade geen gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is. Om die reden rust de verplichting om de vermogensschade van de reis- en parkeerkosten te vergoeden ook op verdachte.

De gevorderde reis- en parkeerkosten voor het bezoek aan de advocaat, de rechtszitting en de dag van de uitspraak komen niet voor toewijzing in aanmerking, nu onduidelijk is of de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , daar zelf is geweest of zal zijn. Voor dat deel zal de vordering van de benadeelde partij dan ook worden afgewezen.

Ook de gevorderde telefoonkosten en oppaskosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, nu zij onvoldoende zijn onderbouwd. Voor wat betreft de gevorderde oppaskosten merkt de rechtbank nog op dat niet vast staat dat deze gestelde schade in een voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde handelen om voor (enige mate van) vergoeding in aanmerking te komen, noch dat [slachtoffer 2] deze schade zelf heeft geleden. Om die reden zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij ook voor dit deel afwijzen.

Immateriële schade

De rechtbank overweegt ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 6.000,-- betreffende het incident op 1 mei 2017 en € 4.000,-- betreffende het incident op 25 april 2017 wegens immateriële schade het volgende. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Als gevolg van twee ontvoeringen ervaart de benadeelde partij psychische klachten. Er is PTSS gediagnosticeerd en de benadeelde partij is hiervoor onder behandeling bij een psycholoog. Dit is mede aan verdachte toe te rekenen, die met zijn handelen de lichamelijke en psychische integriteit van de benadeelde partij op ernstige wijze heeft aangetast. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die vermeld in artikel 6:106 BW, is voldaan.

De onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank niet geheel vergelijkbaar met het merendeel van de in het kader van de vordering van de benadeelde partij aangehaalde uitspraken. Wel acht de rechtbank de als vierde aangehaalde uitspraak op belangrijke punten vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Rekening houdend met hetgeen in gelijksoortige zaken doorgaans wordt toegewezen zal de rechtbank het gevorderde bedrag betreffende het incident op 1 mei 2017 toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-- en het gevorderde bedrag betreffende het incident op 25 april 2017 toewijzen tot een bedrag van € 1.500,--. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal deze worden afgewezen.

Hoofdelijkheid

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan. De rechtbank zal gelet op het bepaalde in artikel 6:102 BW, de verplichting tot schadevergoeding hoofdelijk opleggen. De benadeelde partij kan bij hoofdelijke veroordeling zelf bepalen wie van de mededaders hij aanspreekt tot betaling van zijn schade.

Totaal schadebedrag

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, aldus komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 4.655,12 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient om die reden tot dit bedrag te worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel enkel ziet op het toegewezen bedrag.

De rechtbank zal overeenkomstig de daarvoor geldende landelijke oriëntatiepunten tevens bepalen dat bij gebreke van betaling 57 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting bij de tenuitvoerlegging daarvan vervalt.

Wettelijke rente

De gevorderde en toe te wijzen wettelijke rente is niet bij voormeld schadebedrag inbegrepen. De gevorderde wettelijke rente is voor wat betreft de immateriële schadevergoeding toewijsbaar vanaf 25 april 2017 respectievelijk 1 mei 2017. Ten aanzien van de kosten van de ring, de kleding en de reis- en parkeerkosten overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij niet heeft gespecificeerd en gesteld per welke datum rente wordt gevorderd over deze posten. Om die reden en om een ingewikkelde renteberekening tijdens de executie te voorkomen, wijst de rechtbank wettelijke rente over deze posten toe vanaf de datum van het vonnis.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 47, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte inzake parketnummer 05/800067-17 het tenlastegelegde heeft begaan en inzake parketnummer 05/840529-17 het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte inzake parketnummer 05/840529-17 het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 123 (honderddrieëntwintig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde vóór het einde van een proeftijd van drie jaren de algemene of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

 stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich vóór het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis, tussen 9.00 uur en 11:00 uur, meldt bij Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (088-8041401). Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht;

meewerkt aan zijn behandeling bij een forensische polikliniek zolang de Reclassering dit nodig acht;

op geen enkele wijze – dus ook niet via social media – contact heeft met [naam 2] (geboren [geboortedag 2] 2000) wonend aan de [adres 3] , [getuige 2] (geboren [geboortedag 3] 2000) wonend aan de [adres 4] en [getuige 1] (geboren [geboortedag 4] 2000) wonend aan [adres 5] zolang de Reclassering dit nodig acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

 heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

 verklaart de onder verdachte in beslag genomen telefoon verbeurd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in de zaken met parketnummer 05/840529-17)

wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1, 2 primair en 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 4.655,12 (vierduizendzeshonderdvijfenvijftig euro en twaalf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.500,-- vanaf 25 april 2017, over een bedrag van € 2.500,-- vanaf 1 mei 2017 en over een bedrag van € 655,12 vanaf 13 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige af;

Maatregel tot schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € € 4.655,12 (vierduizendzeshonderdvijfenvijftig euro en twaalf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.500,-- vanaf 25 april 2017, over een bedrag van € 2.500,-- vanaf 1 mei 2017 en over een bedrag van € 655,12 vanaf 13 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 57 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. de Boer, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. G.W. Brands-Bottema en mr. M. Rietveld, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op

13 maart 2018.

De griffier is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Ten aanzien van parketnummer 05/800067-17: Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het (stam)proces-verbaal nummer PL0900-2016301159, politie Eenheid Midden-Nederland, District Oost-Utrecht, Basisteam Heuvelrug, gesloten en ondertekend op 30 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Ten aanzien van parketnummer 05/840529-17: Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het (stam)proces-verbaal nummer PL0600-20170812.1115, politie Eenheid Oost-Nederland, District Gelderland-Midden, Districtsrecherche Gelderland-Midden, gesloten en ondertekend op 14 augustus 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Daarnaast bestaat het dossier nog uit het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen nummer PL0900-20171809.1139, politie Eenheid Oost-Nederland, District Gelderland-Midden, Districtsrecherche Gelderland-Midden, gesloten en ondertekend op 25 september 2017.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 39

4 Proces-verbaal van verhoor van [naam 3] , p. 114-115

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 61-62

6 Proces-verbaal van verhoor van [naam 3] , p. 114-115

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 64, p. 68-69

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 40

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 40-42

10 Proces-verbaal van verhoor van [naam 3] , p. 104-105, p. 113, p. 132

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 64-66

12 Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 februari 2018

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p.39-43

14 Verslag letselbeschrijving Forensische Geneeskunde GGD Gelderland-Midden, p. 46-53

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 64

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 65-67

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 68-69

18 Proces-verbaal van verhoor van [naam 3] , bijlage 1B, p. 121

19 Proces-verbaal van verhoor van [naam 3] , p. 104, p. 113

20 Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 februari 2018

21 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 61-62

22 Verslag letselbeschrijving Forensische Geneeskunde GGD Gelderland-Midden, p. 46-53

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 65

24 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] , p. 176-179

25 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] , p. 170

26 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] , p. 170.

27 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] , p. 170, p. 176-179

28 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] , p. 193

29 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , p. 198

30 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 187-188

31 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , p. 330-331

32 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van de vordering tot inbewaringstelling van 9 juni 2017

33 Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 februari 2018