Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1107

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2721
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:9860, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de pleitnota aan de gemachtigde te retourneren in verband met een onwelvoeglijke passage.

Geen schending hoorplicht omdat behoudens de integrale proceskostenvergoeding volledig is tegemoetgekomen.

Het ontbreken van een beslissing van de inspecteur of de BPM in strijd met het Unierecht is geheven leidt niet tot strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.

Datum ontvangst ingebrekestelling onderbouwd door kopie van de brief aan de rechtbank te faxen.

Verlenging redelijke termijn wegens aanhoudingsverzoek belastingplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/587
Viditax (FutD), 16-03-2018
FutD 2018-0774
FutD 2018-0775
NTFR 2018/830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/2721

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 maart 2018

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] ) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.

Eiseres heeft verweerder bij brief gedagtekend 24 februari 2017 in gebreke gesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2017 de naheffingsaanslag verminderd tot nihil. In die uitspraak op bezwaar noch nadien heeft verweerder (uitdrukkelijk) beslist over de verschuldigdheid van een dwangsom.

Eiseres heeft bij brief van 26 april 2017, ontvangen door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op dezelfde datum en na doorzending ontvangen door deze rechtbank op 26 mei 2017, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn gedeeltelijk in afschrift verstrekt aan verweerder. Voor zover de stukken betrekking hadden op de vraag of de op voorhand ingezonden pleitnota gelet op het daarin gebezigde taalgebruik geaccepteerd kon worden, heeft de rechtbank ervan afgezien deze aan verweerder door te zenden, omdat deze niet inhoudelijk op de zaak betrekking hebben.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Namens eiseres zijn de gemachtigde en [A] verschenen. Namens verweerder zijn [gemachtigde] en [B] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op [2013] aangifte gedaan voor de BPM ter zake van een auto van het merk en type Mercedes Benz [C] (hierna: de auto).

2. Verweerder heeft met dagtekening 25 februari 2014 een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.131. Bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2017 is de naheffingsaanslag verminderd tot nihil en een proceskostenvergoeding van € 246 toegekend. Ook heeft verweerder in die brief ambtshalve een aanvullende teruggaaf verleend van € 381.

Geschil

3. Tussen partijen is in geschil of de hoorplicht is geschonden, of de uitspraak in strijd is met artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) en of eiseres recht heeft op een dwangsom en een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

4. De gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingezonden. De rechtbank heeft aanleiding gezien deze aan de gemachtigde te retourneren vanwege het taalgebruik, met als motivering dat daarin een onwelvoeglijke passage over de Hoge Raad en de rechtspraak in het algemeen is opgenomen. De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld de pleitnota aan te passen en deze opnieuw in te dienen. Hiervan heeft de gemachtigde geen gebruik gemaakt. Ter zitting heeft de rechtbank de achtergrond van haar keuze nader toegelicht. Zij zal met die toelichting volstaan.

Schending hoorplicht

5. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden. Verweerder is met de vermindering van de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag tot nihil volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kon verweerder daarom afzien van het horen van eiseres. De omstandigheid dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar niet is tegemoetgekomen aan het verzoek van eiseres om vergoeding van de werkelijke proceskosten doet daar niet aan af. Een dergelijk verzoek wordt, gelet op de tekst van artikel 7:15 van de Awb, aangemerkt als een nevenvordering en staat los van het materiële bezwaar, waaraan verweerder volledig is tegemoetgekomen (Gerechtshof Amsterdam 14 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3093). Verweerder was dan ook niet verplicht eiseres te horen.

Rentevergoeding

6. Eiseres heeft aangevoerd dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet is beslist over de vergoeding van rente. Verweerder heeft gesteld dat het aan de ontvanger is om die rente vast te stellen, gelet op het bepaalde in artikel 28c van de IW.

7. Naar het oordeel van de rechtbank noopt de letterlijke tekst van artikel 28c van de IW niet tot de conclusie dat verweerder gehouden is in de beschikking op te nemen dat de belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Indien uit de beschikking niet volgt dat de BPM in strijd met het Unierecht is geheven, bestaat het risico dat de ontvanger zich op het standpunt zal stellen dat hij niet gehouden is om invorderingsrente te vergoeden. De vraag is in hoeverre het doeltreffendheidsbeginsel zich hiertegen verzet.

8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis overwogen dat de wetgever heeft beoogd de beoordeling of invorderingsrente moet worden vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting niet eerder te doen plaatsvinden dan nadat onherroepelijk is komen vast te staan dat geheven belasting moet worden terugbetaald. De Hoge Raad heeft deze regeling klaarblijkelijk niet in strijd met het Unierecht geacht. Dit brengt mee dat het aan de ontvanger is om op basis van het verzoek van de belastingplichtige te beoordelen of er grond is voor vergoeding van invorderingsrente en op dat moment vast te stellen of de teruggegeven belasting in strijd met het Unierecht was geheven. Het ontbreken van aanwijzingen in de uitspraak op bezwaar van verweerder leidt dus niet tot de conclusie dat verweerder een onjuiste of onvolledige uitspraak op bezwaar heeft gedaan, ondanks het feit dat over de hoogte van de terugbetaling geen geschil meer bestaat.

Dwangsom

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder heeft verzuimd te beslissen over de dwangsom. Verweerder heeft gesteld dat een beslissing op het verzoek om een dwangsomvergoeding nog zal plaatsvinden en dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt. Ter zitting is gebleken dat eiseres nog geen nader bericht van verweerder had ontvangen. In de uitspraak op bezwaar is vermeld dat er twee dagen te laat zou zijn beslist en dat er recht bestaat op de geldende vergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank kan in die overweging, gecombineerd met het feit dat een nadere beslissing achterwege is gebleven, worden geconcludeerd dat verweerder zich in de uitspraak op bezwaar ook heeft gebonden ten aanzien van de beslissing om een dwangsombeschikking te nemen. De rechtbank merkt de uitspraak op bezwaar dan ook tevens aan als uitspraak ten aanzien van de dwangsom. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb kan de beslissing omtrent de dwangsom tegelijk met het beroep tegen de uitspraak op bezwaar in de hoofdzaak aan de rechter worden voorgelegd.

10. Eiseres heeft gesteld dat zij op 24 februari 2017 een ingebrekestelling per post heeft verzonden aan verweerder. Verweerder stelt dat hij deze pas op 6 maart 2017 heeft ontvangen. Eiseres voert aan dat dit niet juist kan zijn. Eiseres heeft de ingebrekestelling op 24 februari 2017 eveneens per fax aan de rechtbank toegezonden. Hoewel de rechtbank geen doorzendplicht heeft ten aanzien van dit stuk op grond van artikel 6:15 van de Awb, acht de rechtbank hiermee wel de stelling van eiseres aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk op 24 februari 2017 de ingebrekestelling heeft verzonden. Rekening houdend met het weekeinde is dan aannemelijk dat de ingebrekestelling verweerder op dinsdag 28 februari 2017 heeft bereikt (PostNL bezorgt in de regel niet op maandag). Niet is in geschil dat de beslistermijn op dat moment (ruimschoots) was verstreken.

11. De eerste dag waarop verweerder een dwangsom verschuldigd is geworden, is gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 4:16, derde lid, van de Awb, dinsdag 14 maart 2017. Verweerder heeft uitspraak gedaan op 23 maart 2017. Dat betekent dat verweerder over tien dagen een dwangsom is verschuldigd (de dag van de uitspraak op bezwaar telt mee, immers: had verweerder op 14 maart 2017 uitspraak gedaan dan was hij over die dag ook een dwangsom verschuldigd geweest). De slotsom is dan ook dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd ten bedrage van € 200, zijnde tienmaal € 20.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond voor wat de hoogte van de verschuldigde dwangsom betreft.

Vergoeding immateriële schade

13. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

14. Geschillen over de heffing van belastingen behoren binnen een redelijke termijn te worden beslecht. Daarvoor geldt als uitgangspunt voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen een termijn van twee jaar (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.2 en 3.4.2). Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven deze termijn te verlengen.

15. De ontvangstdatum van het bezwaarschrift is 12 maart 2014. De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Tussen 12 maart 2014 en heden zijn meer dan twee jaren verstreken.

16. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen grond bestaat voor toekenning van een vergoeding aan eiseres. Uit de brief van verweerder van 30 september 2014 volgt dat de behandeling van het bezwaar in de periode tussen 30 september 2014 en 27 januari 2017 op verzoek van eiseres is aangehouden. Deze periode van afgerond twee jaren en vier maanden dient buiten de berekening te blijven. Hierdoor is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en is er geen grond voor toekenning van een vergoeding.

Conclusie en proceskostenvergoeding

17. Gezien het voorgaande is het beroep alleen gegrond voor zover het de toekenning van een dwangsom betreft. Voor het overige is het beroep ongegrond.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor toekenning van een hogere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding. De kosten zijn daarom op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Voor de bezwaarfase heeft verweerder al een vergoeding van € 246 toegekend. De rechtbank zal die beslissing in stand laten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen de beslissing omtrent de dwangsom;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de beslissing over de dwangsom betreft;

  • -

    stelt de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsom vast op € 200;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 1.002;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 maart 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.