Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1079

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
05/740427-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid, door het slachtoffer bij haar borsten, billen en schaamstreek te betasten. Daarnaast krijgt het slachtoffer een immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740427-17

Datum uitspraak : 12 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Elst, gemeente Overbetuwe, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het onverhoeds betasten van en/of voelen aan de borst(en) en/of billen en/of

vagina, althans de schaamstreek en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit door voornoemde [slachtoffer] in de personeelsruimte van zijn, verdachtes, [naam] toe te laten en/of (vervolgens) de personeelsdeur af te sluiten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] om/bij dier lichaam en/of schouder(s) vast te pakken en/of (vervolgens) onverhoeds die [slachtoffer] aan dier billen en/of borst(en) en/of schaamstreek te betasten en/of te bevoelen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 juni 2017 was verdachte in zijn [naam] op het [plaats] te Elst, gemeente Overbetuwe. Op het [plaats] was ook aanwezig [slachtoffer] . Op een gegeven moment heeft verdachte [slachtoffer] in de personeelsruimte van zijn [naam] toegelaten. Hij heeft vervolgens de personeelsdeur van de [naam] dicht gedaan. Verdachte heeft in de [naam] de schouder van [slachtoffer] aangeraakt.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit op grond van de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit feit. Verdachte heeft [slachtoffer] enkel toegang tot de personeelsruimte van de [naam] verschaft om haar naar de wc te laten gaan. Bewijs dat verdachte in de personeelsruimte ontuchtige handelingen heeft gepleegd, ontbreekt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen:

Aangeefster [slachtoffer] (destijds 17 jaar oud) heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 14 juni 2017 rond 22:30 uur op het [plaats] in Elst op de trein zat te wachten en werd aangesproken door verdachte: de eigenaar van het winkeltje die zij kent als [verdachte] . Hij vroeg of zij zijn zaak binnen wilde komen, waarop [slachtoffer] zei dat zij dat niet wilde. Verdachte pakte haar krukken af, gaf ze terug en gaf haar een duwtje. Zij voelde zich gedwongen mee naar binnen te gaan. Toen zij met hem mee liep, pakte hij haar billen vast en duwde haar richting het winkeltje. [slachtoffer] is toen harder gaan lopen en ging naar binnen. Verdachte zei: “Ga daar maar staan” en wees naar de koelkast. Hij deed de personeelsingang dicht. Verdachte kwam steeds dichter bij haar staan. Zij liep een stukje achteruit en zei: “Nee ik ga weer terug”. Verdachte ging met zijn beide armen om haar heen, hij zat toen aan haar kont met zijn handen. Hij kneep in haar kont. [slachtoffer] duwde hem met haar arm van zich af, tegen zijn buik. Zij zei steeds dat zij terug wilde naar buiten. Zij zei: “Nu stoppen”. Verdachte zei: “Je bent zeker bang voor mij”, dat heeft hij heel vaak gezegd. Toen hij een stap achteruit deed, liep ze naar de deur. Zij heeft zelf de deur opengemaakt. Hij heeft gevoeld tussen haar benen over haar broek heen bij haar kruis. Zij probeerde hem steeds weg te duwen. Verdachte begon toen ook aan haar borsten te zitten. Hij pakte haar borsten vast en kneep erin. Eerst pakte hij met zijn hand over haar kleding haar borst stevig vast en daarna ging hij er onder. Hij ging met zijn rechter hand via de bovenkant van haar shirt naar binnen. Zij denkt dat hij de bovenkant van haar linker borst aanraakte. Zij was hem steeds aan het wegduwen. Toen [slachtoffer] weg kon komen, heeft zij eerst haar vriend opgebeld. Zij was erg overstuur.3

[slachtoffer] heeft tijdens het informatief gesprek zeden dat op 20 juni 2017 plaatsvond verklaard dat de beheerder van de [naam] haar krukken pakte en naar de [naam] liep. Terwijl [slachtoffer] voor de man uitliep sloeg hij een paar keer tegen haar billen. De man raakte de borsten over haar kleding aan, streelde over de schaamstreek, over haar broek. Hij ging met zijn hand onder haar shirt en betastte haar borsten over haar bh heen. [slachtoffer] duwde de man weg. [slachtoffer] kon de krukken pakken en ging naar buiten. Zij moest huilen en was overstuur. Zij zou meerdere keren hebben gezegd dat de man moest stoppen en dat zij naar buiten wilde.4

De vriend van [slachtoffer] , [getuige] , heeft verklaard dat [slachtoffer] hem op 17 juni 2017 huilend opbelde. Ze wilde niet zeggen wat er aan de hand was. Hij wilde [slachtoffer] gaan ophalen op het [plaats] Opheusden. [slachtoffer] vertelde dat ze op een bankje zat en dat er een man aan kwam die een winkeltje heeft op het [plaats] Elst. Hij vroeg of ze binnen kwam. De man heeft de krukken van haar afgepakt. Toen heeft die man haar betast. Hij heeft aan haar billen gezeten en tussen de benen gevoeld en aan haar borsten. [getuige] heeft haar niet vaker emotioneel, op deze manier, gezien.5

Een verbalisant heeft de camerabeelden van 14 juni 2017 van de personeelsingang van de [naam] in Elst bekeken. Hierop is volgens de verbalisant te zien dat om ongeveer 22:37 uur twee mensen in beeld komen, die op het perron lopen in richting de personeelsingang. De voorste persoon is aangeefster [slachtoffer] en zij verplaatst zich op krukken. Achter haar loopt verdachte. De deur van de [naam] staat open en [slachtoffer] gaat de [naam] in. Verdachte loopt vlak achter haar en gaat eveneens naar binnen. Direct bij binnenkomst pakt verdachte met zijn rechter hand de rechter zij van [slachtoffer] vast en gaat direct daarna met deze hand naar de billen van [slachtoffer] en knijpt haar met de volle rechter hand midden in de bilnaad.6

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig. Zij heeft tijdens het informatief gesprek zeden en later tijdens haar aangifte consistent verklaard over de wijze waarop zij die avond op het [plaats] in Elst in contact is gekomen met verdachte, over de ontuchtige handelingen die verdachte jegens haar in de personeelsruimte van de [naam] heeft gepleegd als ook over wat er, direct nadat zij de personeelsruimte van de [naam] had verlaten, is gebeurd. Tijdens de ontuchtige handelingen in de personeelsruimte van de [naam] zijn er geen getuigen aanwezig geweest. Toch wordt de verklaring van [slachtoffer] op belangrijke punten ondersteund door steunbewijs. Zo heeft de camera, die gericht was op de personeelsin- en uitgang, beelden opgenomen, waarop – zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] – te zien is dat verdachte in de personeelsruimte van de [naam] met zijn rechterhand in de billen van [slachtoffer] knijpt. Verder heeft getuige [getuige] bevestigd dat [slachtoffer] hem die avond direct na het voorval huilend opbelde en heeft hij zelf waargenomen dat [slachtoffer] overstuur was. Verder heeft zij hem (zij het summier) gelijkluidend aan haar aangifte verteld over wat was voorgevallen.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] bij haar billen, borsten en bij haar schaamstreek heeft betast/bevoeld.

Gelet op deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de [naam] [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen, door haar in de personeelsruimte van zijn [naam] toe te laten, vervolgens de personeelsdeur af te sluiten en haar vervolgens bij haar lichaam en schouders vast te pakken en vervolgens onverhoeds [slachtoffer] bij haar billen en borsten en schaamstreek te betasten en te bevoelen.

3 Verzoeken van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bij pleidooi voorwaardelijk verzocht de behandeling van de zaak aan te houden zodat hij in de gelegenheid kan worden gesteld om de auditieve registratie van de aangifte en van het intakegesprek zeden van [slachtoffer] te beluisteren. Daartoe wordt aangevoerd dat [slachtoffer] - blijkens het proces-verbaal van aangifte - aanvankelijk was vergeten te vertellen dat verdachte tussen haar benen en over haar borsten had gewreven. Volgens de raadsman moet worden beoordeeld hoe het verhoor verder is verlopen, aangezien [slachtoffer] op enig moment daarover wel gaat verklaren.

Daarnaast heeft de raadsman verzocht om (screenshots van) de door verbalisant [verbalisant] bekeken camerabeelden en om een plattegrond van de [naam] aan het dossier toe te voegen.

De rechtbank is van oordeel dat, omdat de verdediging de verzoeken eerst ter zitting heeft gedaan, het noodzaakcriterium van toepassing is. De rechtbank is de noodzaak tot het beluisteren van de auditieve registratie van de aangifte en van het intakegesprek van [slachtoffer] niet gebleken. Uit het proces-verbaal intakegesprek zeden blijkt dat [slachtoffer] tijdens dat gesprek al heeft verklaard dat verdachte haar tussen haar benen en bij haar borsten had betast.

Evenmin acht de rechtbank het noodzakelijk de (screenshots van) de camerabeelden toe te voegen. In een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd wat op deze beelden te zien is.Voor het toevoegen van de plattegrond ziet de rechtbank evenmin noodzaak, omdat niet is gebleken dat de plattegrond kan bijdragen aan de beantwoording van één van de vragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering.

De verzoeken van de raadsman worden afgewezen.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Elst, gemeente Overbetuwe, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handeling(en), bestaande uit het onverhoeds betasten van en/of voelen aan de borst(en) en/of billen en/of

vagina, althans de schaamstreek en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit door voornoemde [slachtoffer] in de personeelsruimte van zijn, verdachtes, [naam]

toe te laten en/of (vervolgens) de personeelsdeur af te sluiten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] om/bij dier lichaam en/of schouder(s) vast te pakken en/of

(vervolgens) onverhoeds die [slachtoffer] aan dier billen en/of borst(en) en/of schaamstreek te

betasten en/of te bevoelen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en voorts tot het verrichten van 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht geen toepassing te geven aan artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht omdat – in geval van bewezenverklaring – weliswaar sprake is geweest van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar geen ernstige inbreuk in de zin van dat artikel.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 10 januari 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 15 februari 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen door in de personeelsruimte van de [naam] de deur af te sluiten, haar krukken af te pakken en haar onverhoeds te betasten bij de borsten, billen en tussen haar benen terwijl [slachtoffer] herhaaldelijk heeft gezegd dat hij moest stoppen en dat zij weg wilde.

Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]

geschonden maar ook een grote inbreuk gemaakt op haar gevoel van veiligheid. Tijdens de

behandeling van de zaak is namens [slachtoffer] een slachtofferverklaring voorgelezen, waaruit

onder meer is gebleken dat zij sinds het voorval moeite heeft met het vertrouwen van

mannen. Zij reist thans via een andere route als zij met de trein gaat, zodat zij niet meer op

[plaats] Elst hoeft over te stappen en aldus kan voorkomen dat ze verdachte opnieuw

tegenkomt.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij [slachtoffer] heeft betast toen zij zich in een

kwetsbare positie bevond (beperkt in haar beweging doordat zij met krukken liep) en zij zich

veilig waande, omdat zij meende verdachte te kennen. Daarvan heeft hij misbruik

gemaakt. Bovendien heeft verdachte door zijn leeftijd (40 jaar) misbruik gemaakt van zijn

overwicht op haar (destijds 17 jaar oud).

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank alleen aan zijn eigen behoeftes

gedacht en is compleet voorbij gegaan aan de impact die dit heeft op het slachtoffer.

Ter terechtzitting heeft hij geen enkele blijk gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat zeer zeker gezegd kan worden dat verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , maar dat niet is gebleken dat dit een ernstige inbreuk is geweest als bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte is niet eerder voor een dergelijk zedendelict veroordeeld. Bij het bepalen va de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (veroordeling d.d. 19 december 2017) en op het rapport van de Reclassering, waaruit volgt dat er geen interventies zijn geïndiceerd en er geen contra-indicaties bestaan voor het opleggen van een werkstraf. Om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit, zal de rechtbank naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. Daaraan zal een proeftijd van 3 jaar worden verbonden.

8a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 525,-, bestaande uit € 25,- materiële schade (forfait telefoonkosten) en € 500,- immateriële schade. De aanvankelijk gevorderde schadevergoeding van € 25,- voor portokosten is ter terechtzitting ingetrokken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 525,- toe te wijzen, waarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de gehele vordering, omdat geen enkele schadepost is onderbouwd en de verdediging deze schade ook betwist. Subsidiair stelt de verdediging dat het verzoek om immateriële schade moet worden afgewezen, dan wel fors gematigd, en dat het verzoek om vergoeding van de telefoonkosten eveneens wordt afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Immateriële schade:

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen, zal een smartengeld van € 500,- worden toegekend.

Materiële schade:

De verdediging heeft betwist dat de benadeelde partij ten bedrage van € 25,- telefoonkosten heeft gemaakt, welke kosten zijn toe te rekenen aan het handelen van verdachte. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij deze schadepost niet heeft onderbouwd, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 14 juni 2017.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

een taakstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 500,- (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en mr. J.B.J. Driessen , rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Berk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2018.

Mr. Gielissen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, dienst regionale recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017273964, gesloten op 28 augustus2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 28-29, verklaring van verdachte ter terechtzitting.

3 Aangifte van [slachtoffer] , pag. 25-30.

4 Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, pag. 22 en 23.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pag. 34-36.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 37-38.