Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1055

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
05/881023-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gijzeling artikel 282a Sr. 2 jaar gevangenisstraf + oplegging maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens algemeen gevaar voor personen. Geweldsmisdrijf. Tbs niet gemaximeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/90
PS-Updates.nl 2018-0230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881023-17

Datum uitspraak : 9 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te PI Achterhoek - Ooyerhoekseweg te Zutphen,

raadsman: mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 03 mei 2017 te Arnhem opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/is verdachte, (telkens) met het oogmerk de overheid en/of onderdelen daarvan en/of vertegenwoordigers van de overheid, in elk geval een ander, te dwingen iets te doen of niet te doen:

- het wijkcentrum aan de [adres 2] te Arnhem binnengedrongen/betreden waar die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich bevonden, en/of

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedrukt tegen de buik van die [slachtoffer 1] , althans opzettelijk zichtbaar heeft getoond of aanwezig heeft gehad, en/of

- militaire of camouflagekleding gedragen, en/of

- een bomvest gedragen, althans een vest met daarop bevestigd rechthoekige voorwerpen met zwarte en rode draden, gelijkend op een bomvest, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat hij een bom en een geweer bij zich had, en/of - een aantal messen gedragen, althans zichtbaar aanwezigheid heeft gehad, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd: "dit is een overval, maar ik doe jullie niks want dit is tegen de overheid gericht", en/of "ga zitten, dit is een kleine overval, rustig blijven", en/of "dit is een overval op de Staat, ik ga jullie geen pijn doen of doden, tenzij er iets

gebeurd", althans (telkens) woorden van soortgelijke strekking, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat zij aan tafel moesten gaan zitten en dat zij de politie moesten bellen, en/of

- de toegangsdeur van het wijkcentrum op slot gedraaid en de luxaflex voor de ramen dicht gedaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 mei 2017 te Arnhem opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/is verdachte:

- het wijkcentrum aan de [adres 2] te Arnhem binnengedrongen/betreden waar die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich bevonden, en/of

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedrukt tegen de buik van die [slachtoffer 1] , althans opzettelijk zichtbaar heeft getoond of aanwezig heeft gehad, en/of

- militaire of camouflagekleding gedragen, en/of

- een bomvest gedragen, althans een vest met daarop bevestigd rechthoekige voorwerpen met zwarte en rode draden, gelijkend op een bomvest, en/of - tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat hij een bom en

een geweer bij zich had, en/of - een aantal messen gedragen, althans zichtbaar aanwezigheid heeft gehad, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd: "dit is een overval, maar ik doe jullie niks want dit is tegen de overheid gericht", en/of "ga zitten, dit is een kleine overval, rustig blijven", en/of "dit is een overval op de Staat, ik ga jullie geen pijn doen of doden, tenzij er iets gebeurd", althans (telkens) woorden van soortgelijke strekking, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat zij aan tafel moesten gaan zitten en dat zij de politie moesten bellen, en/of

- de toegangsdeur van het wijkcentrum op slot gedraaid en de luxaflex voor de ramen dicht gedaan.

2 De voorvragen

Aan verdachte is tenlastegelegd gijzeling van vier personen met het oogmerk “de overheid” te dwingen iets te doen of iets niet te doen. Gijzeling, strafbaar gesteld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van iemand met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of iets niet te doen. Wezenlijk voor deze strafbepaling is dat degene die zou (kunnen) worden gedwongen iets te doen of juist niet te doen, iemand anders is dan degene die gegijzeld wordt (vgl. HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2536, NJ 2017, 402). In de onderhavige zaak betreft het stagiaires die zouden zijn gegijzeld.

De raadsman heeft betoogd dat deze vier personen, die stage liepen bij het Bureau Toezicht van de gemeente Arnhem, daarmee in dienst van de gemeente waren en dus moeten worden gezien als vertegenwoordiger van “de overheid” en deel uit maken van “de overheid”. Een stagiair heeft een (stage)overeenkomst afgesloten, krijgt een vergoeding en op hem of haar zijn de aansprakelijkheidsartikelen van een werknemer van toepassing. Aldus opgevat zou de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig zijn omdat overheidsdienaren dan zouden zijn gegijzeld teneinde “de overheid” tot iets te dwingen.

Dit verweer, indien juist bevonden, kan echter niet leiden tot nietigheid van de dagvaarding maar tot ontslag van rechtsvervolging omdat de bewezenverklaarde tenlastelegging niet zou kunnen leiden tot kwalificatie van art. 282a Sr (maar wellicht wel tot kwalificatie van art. 282 Sr: zie HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1695). Het verweer faalt.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat niet duidelijk is geworden wat de bedoeling van verdachte was bij zijn handelwijze, verdachte heeft niemand gedwongen iets te doen of niet te doen. Daarmee kan de gijzeling niet bewezen worden. De wederrechtelijke vrijheidsberoving kan evenmin worden bewezen. Er kan niet worden bewezen dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van hun vrijheid zijn beroofd, omdat zij door de voordeur naar buiten zijn gelopen. Tevens blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] evenmin dat zij van hun vrijheid zijn beroofd. Zij hebben niet geprobeerd om weg te komen, zij hebben niet gekeken of zij weg konden en zij hebben niet gevraagd of zij weg mochten. Subsidiair is de verdediging van mening dat op zijn hoogst [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van hun vrijheid zijn beroofd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard en overweegt hiertoe het volgende.

Op 3 mei 2017 waren de [naam school] -studenten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] aanwezig in het wijkcentrum aan de [adres 2] te Arnhem. Zij waren daar in het kader van hun stage bij het Bureau Toezicht van de gemeente. Omstreeks 11.15 uur kwam verdachte het wijkcentrum binnen.2 [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zagen dat verdachte een vuurwapen in zijn hand hield.3 Verdachte heeft dit wapen op de buik van [slachtoffer 1] gedrukt.4

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] verklaren dat verdachte zei dat hij een bom en een geweer had.5 Verdachte droeg volgens aangevers ‘een bomvest’ bestaande uit een legergroene bodywarmer met drie blokken erop geplakt, waaruit zwarte en rode speaker-draadjes kwamen. Verdachte had verder een camouflagebroek en zwarte militaire schoenen aan en ter hoogte van zijn borst had hij een soort camouflagedoek zitten met elektriciteitsdraden.6 Aan zijn riem droeg verdachte twee messen.7

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het wijkcentrum is binnen gegaan en dat hij heeft gezegd: ‘Dit is een overval’.8 Dit wordt bevestigd in de verklaringen van aangevers: [slachtoffer 1]9 heeft verklaard dat verdachte zei ‘dit is een overval, maar ik doe jullie niks want dit is tegen de overheid gericht’; [slachtoffer 2]10 heeft verklaard dat verdachte zei ‘dit is niet tegen jullie, maar tegen de overheid’; [slachtoffer 3]11 heeft verklaard dat verdachte zei ‘Ga zitten, dit is een kleine overval, rustig blijven’; [slachtoffer 4]12 heeft verklaard dat verdachte zei ‘Dit is een overval op de staat. Ik ga jullie geen pijn doen of doden, tenzij er iets gebeurt’.

Vrijheidsberoving?

Verdachte komt het wijkcentrum binnen waar vier stagiaires zijn. Hij is gekleed in een militair aandoend tenue, heeft zichtbaar een pistool bij zich dat hij bij één van de stagiaires tegen de buik duwt, heeft zichtbaar twee messen bij zich en als klap op de vuurpijl een samenstel van camouflagedoek en elektriciteitskabels op de borst vastgemaakt, dat de stagiaires aanmerken als ‘bomgordel’. Dat achteraf blijkt dat het vuurwapen een namaakpistool is doet daar niet aan af nu het sprekend lijkt op een [merk] pistool.13 Hij spreekt over ‘overval’ en zoekt contact met de politie. Enkele van de stagiaires zien aanvankelijk niet de ernst van de situatie in en denken zelfs dat het een grap of een test is. Al snel echter komen zij tot het besef dat het wel degelijk ernst is.

Verdachte verbleef continue in de nabijheid van aangevers en bij het gebruik van het toilet liet hij de deur open.14 Hij heeft verder tegen de aangevers gezegd dat zij aan tafel moesten gaan zitten15 en dat de politie gebeld kon worden.16 Verder heeft verdachte verklaard dat hij de deur van het wijkcentrum op slot heeft gedaan toen de stagebegeleiders probeerden binnen te komen.17 [slachtoffer 1] heeft deze verklaring van verdachte bevestigd.18 Volgens [slachtoffer 2] moest hij van verdachte, toen de stagebegeleiders voor de deur stonden, de deur op slot doen en later heeft verdachte zelf de deur op slot gedaan.19 Ook heeft verdachte verklaard dat hij de luxaflex voor de ramen van het wijkcentrum heeft gesloten.20

Uit de verklaringen van aangevers volgt dat zij in de personeelsruimte moesten blijven21, dat zij niet naar buiten mochten,22 dat zij bang waren en zich niet vrij voelden om zich te bewegen23 en dat zij niet zijn gevlucht uit angst voor de reactie van verdachte.24

[slachtoffer 3] zat “te beven als een riet” en ook [slachtoffer 4] zag er gespannen uit, aldus [slachtoffer 2] .25 [slachtoffer 3] verklaarde bij de rechter-commissaris dat zij het ergste vreesde en barst weer in tranen uit als zij aan de situatie moet terug denken.26 Later zien de overgebleven stagiaires [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat zich op straat een politiemacht vormt en dat een helikopter overvliegt. Bij [slachtoffer 2] slaat dan de angst toe, als hij van de politie (met wie hij telefonisch contact had) te horen krijgt, dat, als er iets zou gebeuren, zij op de grond moesten gaan liggen.27

Voor vrijheidsberoving is niet altijd vereist dat iemand wordt vastgebonden of wordt vastgehouden in een afgesloten ruimte die hij zonder sleutel niet kan verlaten. Waar het om gaat is dat verdachte door zijn hiervoor omschreven handelwijze een dermate bedreigende sfeer heeft geschapen dat aangevers zich niet vrij voelden zich tegen hem te verzetten of de benen te nemen. Dat zij dat gevoel hadden, is zonder meer begrijpelijk. Gelet op de verklaring van aangevers dat zij bang waren voor de reactie van verdachte als zij iets zouden proberen of bang waren dat de bom zou afgaan, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] tegen hun wil van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden.

Het motief

Verdachte heeft over het motief van zijn handelen (in zekere zin het “oogmerk” van art. 282a Sr) verklaard: “De bedoeling was om de DVD’s onder de aandacht te brengen met mijn verhaal.

Ik geef de politie die dingen en om mijn [rb: hun] aandacht extra te trekken, heb ik een hele lijst erbij gedaan over hoe je boobytraps en alles, die je kan maken. En dan heb je meteen aandacht. Ik dacht het wel hé? Dus toen ik het idee had dat ze eindelijk die rotzooi hadden bekeken, kon ik mijn actie beëindigen28 en “Ik heb gewonnen omdat ik weet dat ze alles hebben . … Jullie hebben eindelijk daar naar gekeken. Dus mijn zaak komt nu wel onder de aandacht … na 30 jaar.”29

De DVD’s waarover verdachte het heeft en die door twee stagiaires in opdracht van verdachte naar de politie zijn gebracht, bevatten onder meer documenten30 waarin verdachte aandacht vraagt voor zijn persoonlijke problemen, die, als de rechtbank het tenminste goed begrijpt, begonnen met zijn voortijdig eervol ontslag uit militaire dienst in 1978. Verdachte brengt dit in verband met de Molukse gijzelingsactie van een trein bij De Punt in 1977; hij zou daarbij slachtoffer zijn geworden van discriminatie van de Molukse Nederlanders, waarvoor hij, terzijde, ook aandacht vraagt (“Het lukt niet om mijn leven op orde te krijgen omdat ik van Nederlands-Indische afkomst ben. De Nederlanders hebben ons goed te pakken gehad toen we in Nederland aankwamen. Ik ben het leger ingegaan, maar na de treinkaping werd ik ontslagen31). Een en ander zou geresulteerd hebben in arbeidsongeschiktheid door allerlei fysieke kwalen waarvoor de uitkeringsinstanties volgens hem geen oog hadden. De druppel die de emmer deed overlopen, was dat in de loop van 2017 zijn bijstandsuitkering werd ingetrokken of gekort, omdat hij weigerde te voldoen aan de sollicitatieplicht (“Allerlei medische problemen gehad, die niet werden onderkend. In 2000 zei een GGD-arts dat ik geheugenverlies had: posttraumatische stress disorder, angststoornis en beschadigd geheugen. In 2014 bleek nier-insufficiëntie en hartproblemen waarna ik werd afgekeurd. Al die dingen, maar ik krijg geen erkenning. Nu is de uitkering stopgezet omdat ik niet solliciteer32)

Uit de verklaring van verdachte blijkt dan ook dat zijn doel van de gijzeling was om de DVD’s door de politie te laten lezen en de inhoud daarvan onder de aandacht te brengen. Dit wordt bevestigd door het meldkamergesprek dat verdachte op 3 mei 2017 om 11.20 met de centralist voert, waarin verdachte zegt: “Ik ga de overheid aanvallen”…“De overheid, het is een beetje een complexe zaak, u hoeft niet bang te zijn dat ik mensen afslacht. Ik ben helemaal alleen”… “Ik stuur iemand naar het politiebureau en wat informatie…twee dvd’s, lees dat even dan weet u dat de zaak wel serieus is33. Op het moment dat hij hoort dat de politie de DVD’s heeft bekeken, beëindigt hij zijn actie. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn actie het oogmerk had om onderdelen dan wel vertegenwoordigers van de overheid te dwingen iets te doen, namelijk het bekijken van de DVD’s.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2017 te Arnhem opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/is verdachte, (telkens) met het oogmerk de overheid en/of onderdelen daarvan en/of vertegenwoordigers van de overheid, in elk geval een ander, te dwingen iets te doen of niet te doen:

- het wijkcentrum aan de [adres 2] te Arnhem binnengedrongen/betreden waar die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich bevonden, en/of

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedrukt tegen de buik van die [slachtoffer 1] , althans opzettelijk zichtbaar heeft getoond of aanwezig heeft gehad, en/of

- militaire of camouflagekleding gedragen, en/of

- een bomvest gedragen, althans een vest met daarop bevestigd rechthoekige voorwerpen met zwarte en rode draden, gelijkend op een bomvest, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat hij een bom en een geweer bij zich had, en/of - een aantal messen gedragen, althans zichtbaar aanwezigheid heeft gehad, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd: "dit is een overval, maar ik doe jullie niks want dit is tegen de overheid gericht", en/of "ga zitten, dit is een kleine overval, rustig blijven", en/of "dit is een overval op de Staat, ik ga jullie geen pijn doen of doden, tenzij er iets

gebeurd", althans (telkens) woorden van soortgelijke strekking, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gezegd dat zij aan tafel moesten gaan zitten en dat zij de politie moesten bellen, en/of

- de toegangsdeur van het wijkcentrum op slot gedraaid en de luxaflex voor de ramen dicht gedaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Aan verdachte is tenlastegelegd gijzeling van vier personen met het oogmerk “de overheid” te dwingen iets te doen of iets niet te doen. Gijzeling, strafbaar gesteld in art. 282a Sr, is opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van iemand met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of iets niet te doen. Wezenlijk voor deze strafbepaling is dat degene die zou (kunnen) worden gedwongen iets te doen of juist niet te doen, iemand anders is dan degene die gegijzeld wordt (vgl. HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2536, NJ 2017, 402). In de onderhavige zaak betreft het stagiaires die zouden zijn gegijzeld.

De raadsman heeft betoogd dat deze vier personen, die stage liepen bij het Bureau Toezicht van de gemeente Arnhem, daarmee in dienst van de gemeente waren en dus moeten worden gezien als vertegenwoordiger van “de overheid” en deel uit maken van “de overheid”. Een stagiair heeft een (stage)overeenkomst afgesloten, krijgt een vergoeding en op hem of haar zijn de aansprakelijkheidsartikelen van een werknemer van toepassing. Aldus opgevat zou de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig zijn omdat overheidsdienaren dan zouden zijn gegijzeld teneinde “de overheid” tot iets te dwingen. Als gezegd, merkt de rechtbank dit verweer aan als een kwalificatieverweer.

De parlementaire geschiedenis van art. 282a Sr vermeldt het volgende:

“Ad F. Het nieuw in te voegen artikel 282a geschiedt ter uitvoering van het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars. Alleen wanneer wederrechtelijke vrijheidsberoving geschiedt met het oogmerk een ander (dus niet de gijzelaar) te dwingen iets te doen of niet te doen kan worden gesproken van gijzeling. «Een ander» dient ruim te worden opgevat en heeft mede betrekking op de begrippen Staat, internationale intergouvernementele organisatie of rechtspersoon, zoals die in de definitie van het eerste lid van artikel 1 van het Verdrag voorkomen. Een gijzeling ondernomen met het oogmerk de Nederlandse Staat te dwingen iets te doen of niet te doen zal overigens doorgaans onder de strafbepaling van artikel 95a Sr. vallen en is ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1e vervolgbaar, ook als het feit door een buitenlander buiten Nederland wordt gepleegd.”

(Kamerstukken II 1983-1984, 18 349, nr. 1-3, blz. 12 en 15).

Art. 1, eerste lid, Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars (Trb. 1981, 53) luidt in de Nederlandse vertaling:

"Een ieder die een andere persoon (hierna te noemen de "gijzelaar") overmeestert of van zijn vrijheid berooft en dreigt te doden, te verwonden of van zijn vrijheid beroofd te houden teneinde een derde, te weten een Staat, een internationale intergouvernementele organisatie, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, dan wel een groep personen, te dwingen een handeling te verrichten of zich te onthouden van het verrichten daarvan als al dan niet uitdrukkelijke voorwaarde voor de vrijlating van de gijzelaar, pleegt het misdrijf van gijzeling in de zin van dit Verdrag."

De personen die zijn gegijzeld betreffen vier studenten van het [naam school] , die stage liepen bij het Bureau Toezicht van de gemeente. Hun taak was het in ontvangst nemen van klachten van bewoners in de buurt. Niet gebleken en ook overigens moeilijk voorstelbaar is dat deze studenten wettelijke opsporingsbevoegdheden zouden hebben als BOA (buitengewoon opsporingsambtenaar), zoals de raadsman heeft gesteld. Hij heeft dit overigens ook niet onderbouwd met documenten als aanstellingsbesluiten, beëdigingsformulieren en wat dies meer zij. Hij heeft ook niet gevraagd om een nader onderzoek in deze richting. De stelling dat de vier stagiaires, ook voor de toepassing van deze wetsbepaling, moeten worden gezien als vertegenwoordiger van de overheid, en dat alles wat zij doen moet worden toegerekend aan de overheid, is onjuist. Het waren niet meer en niet minder dan studenten die een korte periode stage liepen bij een overheidsinstantie om op die manier praktijkervaring op te doen.

De overheid of Staat, is een diffuus en zeer omvangrijk begrip. De overheid bestaat op verschillende centrale of gedecentraliseerde niveaus (Rijk, provincie, gemeente, waterschap). Ieder niveau van overheid bestaat weer uit talloze uitvoeringsinstanties, ambtelijke gezagsdragers, functionarissen, ambtenaren en medewerkers.

Uitgaande van de hiervoor aan het slot van de bewijsmotivering weergegeven, door verdachte opgegeven motieven, faalt het verweer van de raadsman eveneens. Erkenning van de door verdachte ondervonden problemen van zijn lichamelijke aandoeningen, de daaruit resulterende arbeidsongeschiktheid en de vervolgens daarmee samenhangende problemen met zijn uitkering, zouden nooit en te nimmer door de gegijzelde stagiaires kunnen worden opgelost. Hij wilde deze problemen onder de aandacht brengen van de wijkagent (een andere wijkagent had hem eerder geholpen in een conflict met de gemeente) of de betrokken uitkeringsinstanties.

Datzelfde geldt nog sterker voor de in verdachte’s ogen bestaande problematiek van Molukse Nederlanders die nimmer de verdiende erkenning zouden hebben gehad en die van meet af aan zouden zijn gediscrimineerd. Voor de toepassing van art. 282a Sr kunnen niet allen die bij de overheid in dienst zijn, laat staan studenten die bij een overheidsdienst stage lopen, over één kam worden geschoren. Ook verdachte heeft in dit opzicht een onderscheid gemaakt tussen de gijzelaars enerzijds en “de overheid” anderzijds, getuige de woorden die hij volgens aangever [slachtoffer 1] heeft geuit bij binnenkomst: “dit is een overval, maar ik doe jullie niks want dit is tegen de overheid gericht”.

Het bewezenverklaarde levert op:

gijzeling, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevinden zich een rapportage van psychiater [naam 1] en psycholoog [naam 2] en forensisch milieurapporteur [naam 3] van 25 juli 2017 alsmede een rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 12 februari 2018, opgemaakt door [naam 4] , GZ-psycholoog, en [naam 5] , psychiater.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan enig gedragskundig onderzoek, niet in ambulante vorm en ook niet in het Pieter Baan Centrum. Desondanks kunnen de deskundigen van het Pieter Baan Centrum op basis van de indrukken van verdachtes gedrag en uitlatingen tijdens zijn verblijf aldaar, in combinatie met eerdere onderzoeksbevindingen en het strafdossier tot enkele conclusies komen.

Tijdens de observatieperiode worden zeer sterke aanwijzingen gezien voor waanideeën (zoals die voorkomen bij een psychose). Dit uit zich in onafgestemde, uitgebreide en weinig samenhangende monologen met een (verhoogd) associatieve denktrant, veelal achterdochtig gekleurd. Hierdoor is sprake van een gestoorde realiteitstoetsing en formele denkstoornissen.

De rechtbank merkt hierbij op dat tijdens de behandeling van de strafzaak verdachte ook monologen hield die veelal langs de vraag heengingen en vooral waren gericht op ogenschijnlijk onbeduidende details. Opmerkelijk was dat verdachte, toen hem vragen werden gesteld over zijn bij de politie verkondigde kennis en expertise over het omzeilen van detectiepoortjes, bodyscanners en wifibommen, nogal onthutst reageerde en de vraag stelde hoe de rechtbank in hemelsnaam dergelijke vragen kan stellen met al het publiek in de zaal. Dit zijn immers staatsgeheimen, volgens hem.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum komen op grond van hun bevindingen tot de conclusie dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan niet worden aangetoond, maar evenmin worden uitgesloten. Ten tijde van het ten laste gelegde is volgens de deskundigen bij verdachte sprake van een (paranoïd) psychotisch toestandsbeeld dat van invloed kan zijn geweest op zijn denken en voelen en daarmee ook op zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde (indien bewezen). Gezien de bizarre aard van de actie van verdachte, zonder duidelijk opportunistisch motief, kunnen de tenlastegelegde feiten niet los worden gezien van het psychotisch toestandsbeeld. De deskundigen valt op dat sprake lijkt te zijn van verhoogde associatie en dat hij over het tenlastegelegde spreekt in de derde persoon en daarbij relevante vragen oproept, maar die niet integreert naar zijn eigen persoon en uiteindelijk verzandt in zijn betoog. Door dit toestandsbeeld waren de mogelijkheden tot zelfsturing en de remmingsmogelijkheden van betrokkene naar alle waarschijnlijkheid fors aangedaan ten tijde van het tenlastegelegde. Het is onduidelijk in welke mate verdachte controle heeft over zijn handelen binnen een psychose.

In geval van een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, veronderstellen de deskundigen een aanzienlijke doorwerking van de pathologie en adviseren zij het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie over.

Gelet op het voorgaande kunnen de feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend, zodat hij, zij het in verminderde mate, strafbaar is voor zijn daden.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Hij eist voorts dat aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat verdachte reeds voldoende gestraft is. Hij is een man op leeftijd en het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat hij ooit nog een strafbaar feit zal plegen. Het is treurig dat verdachte op enig moment niet meer wist wat hij moest doen. Subsidiair is de verdediging van mening dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringscontact passend is. Meer subsidiair verzoekt de verdediging – indien de rechtbank de maatregel van tbs geïndiceerd acht – aanhouding om een maatregelrapport te laten opstellen. Nog meer subsidiair verzoekt de verdediging bij het oplegging van tbs met dwangverpleging de maatregel te maximeren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 31 mei 2017;

- een multidisciplinair rapport van [naam 2] , GZ-psycholoog en [naam 1] , psychiater, gedateerd 25 juli 2017;

- een rapportage van het Pieter Baan Centrum, opgesteld door [naam 4] , GZ-psycholoog, en [naam 5] , psychiater, gedateerd 12 februari 2018.

Verdachte heeft een blanco strafblad, heeft nooit eerder geweldsdelicten gepleegd. Hij stond bekend als een rustige, vriendelijke man, die de laatste tijd wel wat vreemd deed en afgleed.

Hij heeft zich echter schuldig gemaakt aan een gijzeling van vier studenten, die in het kader van een stage aan het werk waren in het wijkcentrum. Verdachte droeg daarbij een nepbom en een neppistool en zei dat het een overval op de overheid betrof. De gijzeling had tot doel om de politie of andere overheidsfunctionarissen te dwingen naar zijn DVD’s te kijken teneinde op die manier aandacht van de juiste instanties te krijgen voor zijn problemen. Die problemen lagen vooral op het gebied van zijn gezondheid en de uitkering, die hij dreigde kwijt te raken doordat hem ten onrechte een sollicitatieplicht was opgelegd.

Als de studenten rustig bleven zou er niets gebeuren. Uit angst hebben de studenten gedaan wat verdachte zei en niet geprobeerd te vluchten. Een gijzeling geldt als een ernstige inbreuk op de persoonlijke bewegingsvrijheid. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt dat de gijzeling een enorme impact op de studenten heeft gehad en nog steeds heeft. Daarnaast is ten tijde van de gijzeling een enorme politiemacht opgetrommeld en heeft de gijzeling een grote impact gehad op het openbare leven in de wijk [naam wijk] die dag. Sluipschutters hielden het wijkcentrum onder schot, de straat was afgesloten en het complete treinverkeer werd stil gelegd. Verdachte heeft met zijn actie dus niet alleen een gevaar voor de gegijzelde studenten veroorzaakt, maar ook een algemeen gevaar voor personen die in de buurt aanwezig waren. Een schietincident is in een dergelijke situatie nooit ver weg en daarbij zouden de gijzelaars, maar ook onschuldige omstanders kunnen worden geraakt.

Met betrekking tot de strafoplegging heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 31 mei 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf noodzakelijk en geboden is, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een maatregel dient te worden opgelegd ter beveiliging van de samenleving.

Zoals hiervoor met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte weergegeven, hebben de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum geadviseerd verdachte, gezien de waarschijnlijke relatie tussen het ten laste gelegde en zijn pathologie, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de kans op recidive speelt volgens de rapporteurs een rol dat de psychotische symptomatologie bij betrokkene kan leiden tot bizar, grillig en onvoorspelbaar gedrag. In een psychotisch toestandsbeeld is betrokkene volgens de deskundigen kwetsbaar voor cognitieve en gedragsmatige ontregeling. De rechtbank neemt dit advies over.

In het PBC-rapport wordt opgemerkt dat verdachte geen zicht lijkt te hebben op de impact van zijn handelen en niet in staat is het perspectief van de ander te zien. De indruk bestaat dat bij verdachte de behoefte aan aandacht, een sterke drijfveer vormt. Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verdachte vertelde dat er veel media-aandacht was en dat verdachte dat geweldig vond. Bij de politie heeft verdachte zich nogal badinerend uitgelaten over de stagiaires; hij heeft hen nergens in belemmerd, zij moesten daar toch zijn vanwege hun werk. Hij heeft die tieners misschien wat schrik aangejaagd, maar er was geen reden om bang te zijn. Als ze bang worden van een bom en een wapen, is dat hun probleem, aldus verdachte.

Door de beperkingen van het onderzoek (doordat verdachte niet wilde meewerken) was het niet mogelijk een op de persoon toegespitste risicoanalyse te maken. Duidelijk is echter dat verdachte baat zou hebben bij behandeling en dat interventies ten aanzien van de psychotische problematiek zullen bijdragen aan vermindering van een eventueel recidiverisico. Behandeling zou moeten beginnen met een klinische opname om later in ambulante vorm te worden voortgezet. Er is echter geen zicht op zijn motivatie hiervoor. De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum hebben voorts opgemerkt dat zij een tbs-behandeling niet adviseren aangezien het vereiste gevaar niet als zodanig gedragsmatig te onderbouwen is. Een escalatierisico kan gedragskundig volgens de deskundige evenmin worden onderbouwd. De rechtbank neemt dit advies niet over.

Naar het oordeel van de rechtbank is er wel degelijk sprake van een ernstig recidivegevaar. Het gevaar heeft zich allereerst gerealiseerd in het bewezenverklaarde. Het recidiverisico is volgens de rechtbank een gegeven op basis van de bij verdachte aanwezige stoornis. Deze stoornis maakt verdachte onberekenbaar. De deskundigen schrijven hierover dat het hen bij het beperkte gebruik van de risicotaxatie-instrumenten is opgevallen dat verdachte geen zicht heeft op zijn eigen problematiek en geen inzicht heeft in het risico op gewelddadig gedrag. Bovendien beschrijven zij dat verdachte in een psychotisch toestandsbeeld kwetsbaar is voor cognitieve en gedragsmatige ontregeling en dat niet duidelijk is of opnieuw sprake zal zijn van feiten zoals het tenlastegelegde of van escalatie naar ernstigere feiten. Volgens hen kan verdachte op zijn minst baat hebben bij behandeling. Dit recidivegevaar zal zich volgens de rechtbank wellicht niet op de korte termijn verwezenlijken, maar wel op de lange termijn indien de stoornis niet wordt behandeld. Concrete aanleiding voor zijn handelen lijkt immers te zijn een reeds lang bestaande onvrede over de houding van de overheid ten aanzien van zijn lichamelijke problematiek, die alsmaar niet onderkend wordt, en de gevolgen daarvan voor zijn bijstandsuitkering. Hoe zal verdachte reageren als in de toekomst de onvrede over zijn bejegening weer binnen sluipt en zijn gedachtewereld gaat beheersen? Hij heeft nu ervaren hoe hij de volle aandacht op zich kan vestigen en hij was na afloop blij en tevreden met zijn actie. Uit zijn verklaringen bij de politie, zijn losse opmerkingen in het Pieter Baan Centrum, en uit zijn verklaringen ter zitting blijkt duidelijk dat hij nog steeds niet begrijpt wat de consequenties zijn en hadden kunnen zijn van zijn handelen, althans niet vanuit het perspectief van een ander. Hij heeft zich daarentegen wel degelijk gerealiseerd dat zijn handelwijze terdege gevaar voor mensenlevens kon meebrengen. Bij het beëindigen van de actie heeft hij immers nadrukkelijk zijn nepwapens aan een stagiair gegeven en vervolgens één stagiair opgedragen als eerste naar buiten te gaan terwijl de tweede stagiair achter hem moest lopen. Hij heeft ook aan de politie-onderhandelaar verteld dat hij dat zou doen omdat hij anders overhoop zou worden geschoten. Door op die manier de gijzelaars als menselijk schild te gebruiken, heeft hij berekenend gehandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recidiverisico aldus reëel en kan dit niet zonder behandeling in voldoende mate worden verminderd. De rechtbank ziet geen enkel perspectief voor een ambulante behandeling en acht een klinische behandeling noodzakelijk. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij geen stempel wenst te krijgen dat hij een stoornis heeft en dat hij aan geen enkele vorm van behandeling wil meewerken. Gezien de grilligheid van verdachte, zijn ontbrekende motivering voor behandeling en de ernst van zijn psychiatrische problematiek, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor een behandeling onder voorwaarden naast een gevangenisstraf, zodat geen andere mogelijkheid meer openblijft dan de oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging. De rechtbank realiseert zich dat daarbij dat verdachte een blanco strafblad heeft en niet eerder voor zijn problematiek is behandeld. Toch acht zij de maatregel van TBS in dit geval proportioneel gezien de ernst van het delict en het hiervoor beschreven recidiverisico op nieuwe ernstige strafbare feiten met gevaar voor de veiligheid van anderen, indien de psychotische problematiek van verdachte onbehandeld blijft.

De rechtbank overweegt dat gijzeling naar haar aard een misdrijf betreft dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen ook de algemene veiligheid van personen in gevaar heeft gebracht met het oog op de -terechte- inzet van een gewapende politiemacht, inclusief sluipschutters.

De terbeschikkingstelling wordt derhalve opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf ex artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en is mitsdien niet gemaximeerd tot een periode van vier jaar.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden ten einde een maatregelrapport op te laten stellen in het kader van een voorwaardelijke TBS maatregel. Verdachte heeft niet meegewerkt aan de het opstellen van de rapportages en is duidelijk en stellig in zijn opvatting dat hij op geen enkele manier zal meewerken aan onderzoek en behandeling. De rechtbank ziet niet in waarom verdachte dit nu wel zou doen. Het aanhoudingsverzoek van de verdediging wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van het beslag:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de twee DVD’s, de groendoorzichtige map met documenten en het imitatiewapen ( [merk] ) kunnen worden onttrokken aan het verkeer. De legergroene tas met inhoud en de zwarte koffer met cijferslot en inhoud kunnen worden verbeurd verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Beoordeling door de rechtbank

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee DVD’s, een map met documenten (groendoorzichtige map), een imitatiewapen (merk: [merk] ), een groene tas en een zwarte koffer, volgens opgave van verdachte aan verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn die tot het begaan van het bewezenverklaarde zijn vervaardigd.

8a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.080,68 door [slachtoffer 1] , een bedrag van € 14.045,54 door [slachtoffer 2] , een bedrag van € 22.042,13 door [slachtoffer 3] en een bedrag van € 5.171,68 door [slachtoffer 4] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot immateriële schadevergoeding dienen te worden aangepast aan de duur van de gijzeling per slachtoffer. Hij verzoekt de immateriële schade van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te bepalen op € 4.000,- en die van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op € 3.000,-. Ten aanzien van de gevorderde schade in verband met studievertraging door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] verzoekt hij deze vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege onvoldoende onderbouwing.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 1] toe te wijzen tot het bedrag van € 4.067,68, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. De officier van justitie heeft tevens verzocht betaling van de wettelijke rente op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 2] toe te wijzen tot het bedrag van € 4.682,60, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. De officier van justitie heeft tevens verzocht betaling van de wettelijke rente op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 4] toe te wijzen tot het bedrag van € 3.119,68, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. De officier van justitie heeft tevens verzocht betaling van de wettelijke rente op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 3] toe te wijzen tot het bedrag van € 3.392,13, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. De officier van justitie heeft tevens verzocht betaling van de wettelijke rente op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] betwist ten aanzien van gevorderde kosten voor studievertraging. Daartoe is aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] studievertraging hebben opgelopen door het incident. Er zijn geen bescheiden overgelegd volgens de verdediging waaruit blijkt dat de opleiding niet kon worden gestart vanwege het incident. Tevens is niet gebleken volgens de verdediging dat de testen voor de opleiding en de medische keuring wel met succes zouden zijn doorlopen indien het incident niet had plaatsgevonden. De verdediging verzoekt de vordering van de kosten voor studievertraging af te wijzen op grond van artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering.

De verdediging heeft voorts de hoogte van de immateriële schadevergoeding van alle benadeelde partijen betwist. De verdediging verzoekt maximaal € 750,- aan immateriële schadevergoeding toe te kennen aan de benadeelde partijen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schadevergoeding

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] voor wat betreft de kosten voor studievertraging onvoldoende onderbouwd zijn. De rechtbank overweegt hiertoe dat – ook als er van uit wordt gegaan dat het bewezenverklaarde van invloed is geweest op de capaciteitentest en de studieresultaten van respectievelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] – bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat zij (uitsluitend of in overwegende mate) door het bewezenverklaarde later de arbeidsmarkt kunnen betreden met een betaalde baan.

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] wensten beiden de opleiding [naam opleiding] te gaan volgen. Voor toelating tot deze opleiding wordt naast een psychologisch onderzoek, een medische keuring, een sporttest en een veiligheidsonderzoek uitgevoerd. [slachtoffer 3] heeft de capaciteitentest (psychologisch onderzoek) niet gehaald. [slachtoffer 2] heeft twee tentamens van de vooropleiding Toezicht en Handhaving niet gehaald, waardoor hij niet heeft deelgenomen aan de onderzoeken voor de toelating aan de (vervolg)opleiding. De rechtbank is van mening dat op basis van de beschikbare informatie niet is komen vast te staan dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] aan de overige toelatingseisen zouden hebben voldaan terwijl te veel onzekere factoren bestaan dat zij met deze opleiding überhaupt aanstonds de arbeidsmarkt zouden betreden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde studievertraging hebben opgelopen, op grond waarvan verdachte hen studievertragingskosten dient te voldoen.

De vorderingen ten aanzien van de studievertragingskosten leveren naar het oordeel van de rechtbank dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De door alle vier de benadeelde partijen gevorderde telefoonkosten, en de door [slachtoffer 3] respectievelijk [slachtoffer 2] gevorderde kosten eigen risico zorgverzekering en de reiskosten naar de therapeut zal de rechtbank toewijzen. De reis- en parkeerkosten voor de bezoeken aan de raadsvrouw, de officier van justitie en de rechtbank vallen onder de vergoeding van proceskosten die hierna nog worden besproken.

De rechtbank zal de vorderingen materiële schadevergoeding als volgt toewijzen:

- [slachtoffer 1] : € 25,-;

- [slachtoffer 2] : € 621,72;

- [slachtoffer 4] ; € 25,00;

- [slachtoffer 3] : € 347,37.

Immateriële schadevergoeding

De rechtbank acht voorshands aannemelijk dat het bewezenverklaarde grote psychische impact op de benadeelde partijen heeft gehad en zij immateriële schade hebben geleden. Anders dan namens de benadeelde partijen wordt gesteld, biedt de aangehaalde jurisprudentie echter niet zonder meer grond voor het door elk van hen gevorderde bedrag van € 5.000,-, omdat sprake is van andersoortige gevallen.

In de aangehaalde zaken die moeten dienen als referentiekader voor de onderhavige vorderingen, is de gijzeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving gepaard gegaan met geweld en/of ernstige bedreigingen met geweld richting de slachtoffers en/of hun familieleden, teneinde de familieleden tot afgifte van grote geldbedragen te bewegen. De slachtoffers in de aangehaalde zaken zijn soms gekneveld, waarbij de ogen en mond met tape zijn afgeplakt, en zijn aan elkaar zijn vastgebonden. Zij zijn soms voor langere tijd (24 uur) in een afgesloten ruimte opgesloten, al dan niet nadat zij onder dwang in een auto zijn vervoerd niet wetende waar zij naar toe gingen. Daarnaast zijn de delicten in de aangehaalde zaken zorgvuldig voorbereid en in vereniging gepleegd, terwijl echte wapens zijn gebruikt en is in voorkomend geval gedreigd het slachtoffer te vermoorden, om de eisen kracht bij te zetten.

Zonder afbreuk te doen aan de impact van de gijzeling in het onderhavige geval, heeft deze gijzeling (die gelukkig kort heeft geduurd), een bizarre aanleiding, verloop en ontknoping gekend. Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een neppistool en een nep-bomvest. Ook al wisten de benadeelde partijen dat op dat moment niet en ging van die nepwapens zeker een reële dreiging uit, hetgeen ook blijkt uit de inzet van de betrokken politie-eenheden, van concreet fysiek geweld of dreiging met fysiek geweld naar de benadeelden is geen sprake geweest. Ongeacht de ernst van de onderhavige zaak, onderscheidt deze zich wel degelijk van de aangehaalde zaken en dient daarmee op eigen merites te worden beoordeeld.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich gedurende een langere periode in een angstige en bedreigende situatie hebben bevonden dan benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] . De rechtbank is daarom van oordeel dat daarmee ook de hoogte van de toe te wijzen vorderingen dient te verschillen in relatie tot de duur van de vrijheidsberoving per benadeelde partij.

De rechtbank is van mening dat een bedrag van € 2.000,- redelijk en billijk is voor benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade tot dit bedrag toewijzen. De rechtbank is van mening dat een bedrag van € 3.000,- redelijk en billijk is voor benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade tot dit bedrag toewijzen.

Totale schadevergoeding

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als volgt toewijsbare schade hebben geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is:

- [slachtoffer 1] : € 3.025,00;

- [slachtoffer 2] : € 3.621,72;

- [slachtoffer 4] : € 2.025,00;

- [slachtoffer 3] : € 2.347,37.

Overige deel vordering niet-ontvankelijk

Wat betreft het meer of anders gevorderde zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard worden in hun vordering op grond van artikel 361 lid 3 Wetboek van Strafvordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente is telkens toewijsbaar vanaf 14 februari 2018 met betrekking tot de materiële schadevergoeding van de bovengenoemde benadeelde partijen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 3 mei 2017 met betrekking tot de immateriële schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Vergoeding proceskosten

Onder de materiële schadevergoeding zijn tevens reis- en parkeerkosten opgenomen voor de bezoeken aan de raadsvrouw, de officier van justitie en de rechtbank. De rechtbank overweegt dat deze kostenposten behoren tot de vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal de vordering voor de vergoeding van de proceskosten toewijzen, met uitzondering van de gevorderde vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.

De rechtbank zal de vordering vergoeding proceskosten als volgt toewijzen:

- [slachtoffer 1] : € 42,68;

- [slachtoffer 2] : € 60,88;

- [slachtoffer 4] : € 94,68;

- [slachtoffer 3] : € 44,76.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57 en 282a van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Ten aanzien van het beslag:

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten DVD’s (twee stuks), een map met documenten (groendoorzichtige map), een imitatiewapen (merk: [merk] ), een groene tas en een zwarte koffer.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 3.025,00 (drieduizend en vijfentwintig euro),

de materiele schadevergoeding, € 25,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 42,68;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 3.025,00 (drieduizend en vijfentwintig euro),

de materiele schadevergoeding, € 25,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 40 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 3.621,72 (drieduizend zeshonderdeenentwintig euro en tweeënzeventig cent),

de materiele schadevergoeding, € 621,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 60,88;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 3.621,72 (drieduizend zeshonderdeenentwintig euro en tweeënzeventig cent),

de materiele schadevergoeding, € 621,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 46 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], van een bedrag van € 2.025,00 (tweeduizend en vijfentwintig euro),

de materiele schadevergoeding, € 25,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 94,68;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 2.025,00 (tweeduizend en vijfentwintig euro),

de materiele schadevergoeding, € 25,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 2.347,37 (tweeduizenddriehonderd en zevenenveertig euro en zevenendertig cent),

de materiele schadevergoeding, € 347,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 44,76;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 2.347,37 (tweeduizend driehonderd en zevenenveertig euro en zevenendertig cent),

de materiele schadevergoeding, € 347,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

de immateriële schadevergoeding, € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017,

met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 33 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. S.H. Keijzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2018.

mr. S.H. Keijzer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017200078, gesloten op 3 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , p. 103-104, [slachtoffer 2] , p. 108-109, [slachtoffer 3] , p. 114 en 115, [slachtoffer 4] , p. 118;

3 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , p. 104, [slachtoffer 2] , p. 109, [slachtoffer 4] , p. 118 en 120.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 104.

5 Processen-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , p.115; [slachtoffer 2] , p. 110 en [slachtoffer 4] , p. 122

6 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , p. 104;, [slachtoffer 2] , p. 110; [slachtoffer 3] , p.115; [slachtoffer 4] , p. 119.

7 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , p. 106, [slachtoffer 2] , p. 110.

8 Verbatim transcriptie verhoor verdachte d.d. 8 mei 2017, p. 341.

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 104.

10 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 109.

11 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , p.115.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] , p. 119.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 220.

14 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 111.

15 Verbatim transcriptie verhoor verdachte d.d. 8 mei 2017, p. 341.

16 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , p. 104, [slachtoffer 2] , p. 109 en 110, [slachtoffer 3] , p.115, [slachtoffer 4] , p. 119.

17 Verbatim transcriptie verhoor verdachte d.d. 8 mei 2017, p. 348.

18 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 105.

19 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris dd. 6 oktober 2017, p. 2 en 3.

20 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 110; Verbatim transcriptie verhoor verdachte d.d. 8 mei 2017, p. 351.

21 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 105.

22 Proces-verbaal getuigenverhoor bij RC van [slachtoffer 1] , d.d. 23 augustus 2017, p. 8.

23 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , p.115.

24 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 111.

25 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 111.

26 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] d.d. 23 augustus 2017, p. 4.

27 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 111.

28 Verbatim transcriptie verhoor verdachte d.d. 8 mei 2017, p. 353-354.

29 Verbatim transcriptie verhoor verdachte d.d. 8 mei 2017, p. 362,

30 Proces-verbaal van bevindingen, p. 159

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 321-322.

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 322.

33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 211.