Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:959

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
C/05/312478/KG ZA 15-567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing conservatoir beslag op schepen. Varend beslag op schip toegestaan. Beslagen op overige schepen worden opgeheven indien voldoende zekerheid wordt gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/51
NTHR 2017, afl. 3, p. 160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/312478 / KG ZA 16-567

Vonnis in kort geding van 17 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPE MARINE TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Breda,

eiseres,

advocaat mr. T.H.J. van Beek te Zundert,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te Terneuzen,

gedaagde,

advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam.

Partijen zullen hierna EMT en [gedaagde 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 8

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

EMT is een bedrijf dat zich hoofdzakelijk richt op het bevrachten van binnenvaartschepen. Op dit moment is EMT eigenaar van de binnenvaartschepen ms. Joansico, ms. Lina Muller en ms. Nautrans.

2.2.

[gedaagde 1] werkt als schipper en heeft onder andere op ms. Joansico, ms. Lina Muller, ms. Perdida en [boot] gevaren. Het schip [boot] behoort in eigendom aan [gedaagde 1] zelf toe.

2.3.

De voormalige partner van [gedaagde 1] , mevrouw [naam] heeft op

3 september 2013 een eenmanszaak in het handelsregister van de Kamer van Koophandel laten inschrijven onder de naam [bedrijf] . Dit betreft een binnenvaart (vrachtvaart), scheepvaartbedrijf.

2.4.

Op 1 maart 2014 is een tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten tussen EMT als bevrachter en ms [boot] , handelend als tijdvervrachter vertegenwoordigd door [bedrijf] , als vervrachter. Deze overeenkomst is ondertekend namens [bedrijf] .

2.5.

Op enig moment is [bedrijf] uitgeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en heeft [gedaagde 1] een eigen eenmanszaak opgericht onder de naam [bedrijf 2] Ook dit is een scheepvaartbedrijf.

2.6.

Blijkens een onderhandse akte van 1 oktober 2014 is tussen “ [gedaagde 1] , handelend onder [bedrijf] ” als “dienstverlener” en EMT als eigenaar een overeenkomst van zelfstandige dienstverlening gesloten met betrekking tot de exploitatie van ms. Joansico. Deze overeenkomst vermeldt voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang:

6) Vergoeding

6.1

Voor de zelfstandige dienstverlening, geleverd door de dienstverlener, wordt tussen partijen een vergoeding aan de dienstverlener overeengekomen van:

A 30% van de opbrengsten; zoals vracht, ligdag, huur, overuren, en alle andere opbrengsten welke zonder het schip niet bestaan zouden hebben.

B 30% van de kosten; zoals bevrachting- en bemiddelingsprovisie, (…)

10) Duur van de overeenkomst

10.1

De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde duur, met ingang van 1 Oktober 2014. (…)’

2.7.

Bij brief van 27 oktober 2015 heeft [gedaagde 1] aan de heer [naam 2] het volgende bericht:

‘Bijgevoegd vind u de berekening betreffende de periode dat ik voor u de Perdida heb gevaren. (…)

Graag wil ik ook een overzicht van mijn verdiensten van de periode dat ik voor u de Joansico heb gevaren en met mijn eigen schip de [boot] zodat ik deze kan vergelijken met mijn eigen administratie.

Ik heb u al een paar maal via de telefoon aangegeven dat de “administratie” wat betreft “Lina Muller” van geen kanten klopt.

Ook bij de papieren van de Joansico zijn er verschillende zaken in rekening gebracht die in het geheel niet kloppen.

Hier zult u tzt een overzicht van mij van krijgen.’

Bovenaan de bijgevoegde berekening staat C&C Shipping & Trading BV vermeld en daaronder “Perdida factuur”.

2.8.

Bij brief van 27 november 2015 heeft EMT aan de huidige partner van [gedaagde 1] , mevrouw [echtgenoot] , onder meer het volgende bericht:

‘Met Dhr. [gedaagde 1] is destijds op 1 Oktober 2014 een overeenkomst gesloten voor het ms. Joansico deze overeenkomst is voortgezet voor de Lina-Muller zoals mondeling overeengekomen. In deze overeenkomst staat duidelijk vermeld dat 30% van de kosten; zoals bevrachting- en bemiddelingsprovisie, (…) doorbelast zullen worden.’

2.9.

EMT heeft in de periode daarna op verzoek van [gedaagde 1] diverse documenten en facturen naar [gedaagde 1] toegestuurd. [gedaagde 1] heeft vervolgens aan [naam 3] opdracht gegeven op basis van de beschikbare informatie en documenten inzichtelijk te maken of en zo ja wat [gedaagde 1] in het kader van verrichte werkzaamheden nog te vorderen heeft. In het rapport van [naam 3] staat onder meer vermeld:

[boot]

Dit betreft het eigen schip van [gedaagde 1] in de periode 21 januari 2014 tot 21 maart 2014. In deze periode zijn de kosten voor rekening van [gedaagde 1] en de charteropbrengst ook voor hem na aftrek van de EMT provisie. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de documenten, op grond hiervan heeft [gedaagde 1] recht op € 13.262,48. Echter een aantal in rekening gebrachte kosten zijn niet onderbouwd met onderliggende documenten, die zijn gecorrigeerd. Na correctie is de vordering per 21 maart 2014 € 22.322,09. (…)

M.S. Joansico.

Op dit schip heeft [gedaagde 1] vanaf 5 mei 2014 tot 20 april 2015 gevaren. Met heer [naam 2] was de mondelinge afspraak gemaakt dat 70% van de opbrengsten voor de scheepseigenaar was en 30% voor de schipper. Kosten m.b.t. het schip waren voor de eigenaar, en de variabele kosten die betrekking hadden op het varen, zoals diesel, smeerolie, sluis- en havengeld en kosten matrozen werden ook op basis van 70:30 verdeeld. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de opbrengsten en kosten in 2014. Dit geeft een saldo aan in ten gunste van [gedaagde 1] van € 45.748,88, echter ook hiervan zijn kosten [gedaagde 1] in rekening gebracht die voor rekening van de eigenaar zijn. Na correctie is er een saldo ten gunste van [gedaagde 1] van € 56.134,50. (…)

In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de 2015 kosten en opbrengsten tot 20 april. Dit geeft een saldo aan van € 9.187,95. Ook hier zijn kosten in rekening gebracht die voor rekening van de eigenaar zijn, ook zijn er van door [gedaagde 1] voorgeschoten en gedeclareerde kosten [bedrijf] facturen gemaakt gericht aan EMT. Dit is administratief onjuist, de netto bedragen dienen uitbetaald te worden. Na correctie is het saldo € 21.671,43. (…)

M.S. Lina Muller

Op dit schip heeft [gedaagde 1] gevaren van 25 juni 2015 tot 16 september 2015. De afspraken met betrekking tot kosten en opbrengsten waren dezelfde als bij M.S. Joansico (70% : 30%). In bijlage 5 zijn de kosten en opbrengsten opgenomen. Dit geeft een saldo van

€ 4.622,38, ook hier zijn weer kosten in rekening gebracht die voor rekening van de eigenaar zijn, o.a. de reparatie van een defecte autokraan. Na correctie is het saldo

€ 15.546,25. (…)

Ontvangen voorschotten

In 2014 en 2015 is in totaal een bedrag van € 37.100,-- ontvangen als voorschot op reizen. Een specificatie is bijgevoegd in bijlage 6.

(…)

Samenvatting. De totale vordering bedraagt € 105.317,59 inclusief wettelijke rente tot en met 30 juni 2016. De vordering is als volgt opgebouwd:

M.S. [boot] € 22.322,09

M.S. Joansico 2014 € 56.134,50

M.S. Joansico 2015 € 21.671,43

M.S. Perdida € 12.484,67

M.S. Lina Muller € 15.546,25

Cash betaalde kosten € 932,44

Boete inspectie Leefomgeving en Transport € 500,00

BTW 2e en 3e kwartaal 2015 boetes € 584,00

Rente over nog niet betaalde BTW, 4%

Vanaf 11 december 2015 over € 4.348 PM

€ 130.175,80

Ontvangen voorschotten € 37.100,00

Nog te ontvangen € 93.075,38

Wettelijke rente t/m 30 juni 2016 € 12.242,21

Wettelijke rente vanaf 1 juli 2016 PM’

2.10.

[gedaagde 1] heeft een verzoekschrift conservatoir scheepsbeslag ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Hij heeft daarin zijn gepretendeerde vordering op EMT begroot op € 155.750,00 en verlof gevraagd om beslag te mogen leggen op de aan EMT in eigendom toebehorende binnenvaartschepen ms. Joansico, ms. Lina Muller en ms. Nautrans. Dit verzoek is op 28 november 2016 toegestaan als verzocht, met bepaling dat de eis in de hoofdzaak binnen vier weken na het leggen van het beslag dient te worden ingesteld.

2.11.

[gedaagde 1] heeft op 30 november 2016 conservatoir beslag laten leggen op voornoemde schepen van EMT. Ten aanzien van ms. Joansico heeft [gedaagde 1] een varend beslag toegestaan.

2.12.

EMT heeft de schepen ms. Lina Muller en ms. Nautrans, die beide niet (meer) in de vaart zijn, verkocht. De levering van deze schepen zou op 12 december jl. plaatsvinden, maar heeft vanwege de beslagen geen doorgang gevonden.

2.13.

De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is op verzoek van [gedaagde 1] ex artikel 700 lid 3 Rv verlengd tot uiterlijk 11 januari 2017.

3 Het geschil

3.1.

EMT vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] te bevelen de door/namens hem gelegde conservatoire beslagen op de schepen ms. Joansico (brandmerk 23627 B R 1998), ms. Lina Muller (brandmerk 35107 B 2012) en ms. Nautrans (brandmerk 33923 B 2010) op te heffen met onmiddellijke ingang, althans binnen 24 uur na de datum van dit vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag dat [gedaagde 1] daartoe weigerachtig zou blijven en niet tot (onmiddellijke) opheffing van het beslag mocht overgaan, tot een maximum van

€ 50.0000,00, met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde 1] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De spoedeisendheid van de vordering vloeit voldoende uit de stellingen van EMT voort.

4.2.

EMT vordert in dit kort geding opheffing van het namens [gedaagde 1] gelegde conservatoire beslag op drie aan haar in eigendom toebehorende binnenvaartschepen. Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Met inachtneming hiervan wordt als volgt overwogen.

4.3.

[gedaagde 1] stelt zich in de kern genomen op het standpunt dat hij op basis van een overeenkomst met EMT voor haar op vier verschillende binnenvaartschepen heeft gevaren en dat een deel van de door hem uitgevoerde werkzaamheden onbetaald is gebleven. EMT heeft de verschuldigdheid van de gepretendeerde vordering weersproken. Om te kunnen beoordelen in hoeverre aannemelijk is dat [gedaagde 1] vorderingen heeft op EMT, zullen de gestelde vorderingen van [gedaagde 1] per schip hierna afzonderlijk worden behandeld.

4.4.

[gedaagde 1] stelt allereerst een vordering op EMT te hebben ten aanzien van uitgevoerde werkzaamheden op ms. Lina Muller. Ten aanzien van dit schip heeft EMT zowel in haar dagvaarding als ter zitting erkend met [gedaagde 1] zaken te hebben gedaan. EMT stelt zich echter op het standpunt dat partijen met betrekking tot dit schip werkten met zogenaamde contolijsten waarop over en weer verschuldigde bedragen werden vermeld en dat al deze bedragen zijn gefactureerd en aan [gedaagde 1] zijn uitbetaald. Ter onderbouwing van zijn gestelde vordering heeft [gedaagde 1] het rapport van de heer [naam 3] in het geding gebracht. In dit rapport staat vermeld dat [gedaagde 1] ms. Lina Muller heeft gevaren en dat de afspraak is gemaakt dat de opbrengst en de kosten daarvan op basis van een 70/30-verdeling zou worden uitbetaald. Dat [gedaagde 1] ms. Lina Muller heeft gevaren en dat deze verdelingsafspraak is gemaakt, heeft EMT niet weersproken. [naam 3] becijferd de achterstallige vordering van [gedaagde 1] op EMT (na correctie) op € 15.546,25 en onderbouwd dit bedrag in bijlage 5 van zijn rapport. EMT verwijst op haar beurt enkel naar de contolijsten, met de stelling dat de daarop vermelde bedragen corresponderen met door haar ontvangen en betaalde facturen. Dat de lijsten en de uitbetaalde bedragen werkelijk overeenkomen, kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden gecontroleerd. In het licht van het rapport van [naam 3] ten aanzien van dit schip acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de vordering ten aanzien van de verrichte werkzaamheden op ms. Lina Muller reeds is voldaan en dat de gepretendeerde vordering van [gedaagde 1] aldus ondeugdelijk is.

4.5.

Een ander gedeelte van de vordering van [gedaagde 1] is gebaseerd op de werkzaamheden die hij stelt te hebben verricht op ms. Joansico. Ook deze vordering wordt door EMT betwist. EMT voert aan dat zij geen zaken heeft gedaan met [gedaagde 1] zelf, maar heeft gecontracteerd met [bedrijf] , zodat aan Mathheij geen vorderingsrecht toekomt. Volgens EMT zou dit vorderingsrecht aan de voormalige partner van [gedaagde 1] toekomen, mevrouw Voesenek. Op zichzelf klopt het volgens het uittreksel uit het handelsregister dat [bedrijf] de eenmanszaak van mevrouw Voesenek was en niet van [gedaagde 1] . Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat EMT met mevrouw Voesenek als partij een overeenkomst heeft gesloten. In dat kader acht de voorzieningenrechter allereerst van belang de overeenkomst van 1 oktober 2014. In die overeenkomst is [gedaagde 1] als partij vermeld, handelend onder de naam [bedrijf] . Dat doet de vraag rijzen wie als contractspartij van EMT heeft te gelden. Het antwoord op deze vraag hangt af van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragen hebben afgeleid en mochten afleiden.

4.6.

In de overeenkomst van 1 oktober 2014 staat [gedaagde 1] zelf als contractuele wederpartij vermeld. Dat correspondeert ook met het feit dat [gedaagde 1] , en niet mevrouw Voesenek, feitelijk schipper was en de werkzaamheden op ms. Joansico heeft uitgevoerd. Het enkele feit dat in de overeenkomst is vermeld dat [gedaagde 1] heeft gehandeld onder de naam [bedrijf] , betekent daarom niet zonder meer dat het mevrouw Voesenek is die contractspartij van EMT is geworden. Daarbij komt dat EMT op 27 november 2015 een brief aan de huidige partner van [gedaagde 1] heeft gestuurd, waarin EMT met zoveel woorden zegt dat de overeenkomst ten aanzien van ms. Joansico met [gedaagde 1] is gesloten. Concrete feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat de partijen hebben bedoeld dat mevrouw Voesenek de contractspartij zou zijn en dat EMT dat zo heeft mogen begrijpen, zijn niet gesteld. In dit kort geding zal er dan ook voorshands vanuit worden gegaan dat de overeenkomst van 1 oktober 2014 tussen EMT en [gedaagde 1] zelf tot stand is gekomen. Tussen partijen is voorts in geschil voor welke duur deze overeenkomst is gesloten. Uit de overeenkomst volgt een ingangsdatum van 1 oktober 2014 en een looptijd voor onbepaalde duur. EMT heeft ter zitting echter gesteld dat de overeenkomst van 1 september 2014 tot 20 april 2015 gold. Dit zou betekenen dat de overeenkomst al één maand eerder zou zijn ingegaan, terwijl het standpunt van [gedaagde 1] is dat de overeenkomst al in mei 2014 tot stand is gekomen en pas enkele maanden later op schrift is gesteld onder vermelding van een verkeerde ingangsdatum. Het is daarom aannemelijk dat de overeenkomst tussen partijen al vanaf 1 september 2014 gold en daarom niet onaannemelijk dat die al voordien gold, zoals [gedaagde 1] stelt.

4.7.

In de overeenkomst is omtrent de vergoeding die [gedaagde 1] voor de door hem verrichte werkzaamheden zou ontvangen opgenomen dat een verdeling van de opbrengsten en kosten zou plaatsvinden op basis van 70% voor EMT en 30% voor [gedaagde 1] . [naam 3] is in zijn rapport ook van deze verdeling uitgegaan. EMT heeft de hoogte van de in het rapport vermelde vordering van (na correctie) € 56.134,50 over 2014 en € 21.671,43 over 2015 ten aanzien van ms. Joansico inhoudelijk niet gemotiveerd betwist. Voorts heeft EMT niet met stukken onderbouwd aannemelijk gemaakt dat met [gedaagde 1] , danwel met [bedrijf] op enig moment een eindafrekening heeft plaatsgevonden, op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij aan haar financiële verplichtingen op basis van de overeenkomst heeft voldaan. Daarom kan thans ook ten aanzien van ms. Joansico niet worden vastgesteld dat de gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

4.8.

Voorts stelt [gedaagde 1] dat hij ten aanzien van ms. Perdida een vordering op EMT heeft van € 12.484,67. EMT betwist de verschuldigdheid van dit bedrag en stelt daartoe dat ms. Perdida in eigendom toebehoort aan C&C Shipping & Trading B.V., zodat [gedaagde 1] met dat bedrijf zaken heeft gedaan en niet met haar. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst EMT naar een brief van [gedaagde 1] aan de heer [naam 2] . In deze brief verzoekt [gedaagde 1] om een afrekening ten aanzien van de door hem verrichte werkzaamheden op ms. Perdida. Achter deze brief is een berekening gevoegd. Bovenaan deze berekening staat C&C Shipping & Trading B.V. vermeld. In deze procedure is niet geheel duidelijk (geworden) wat de betekenis van dit stuk is, maar het lijkt erop dat het een factuur van [gedaagde 1] aan C&C Shipping & Tranding B.V. betreft en dat [gedaagde 1] er dus ook zelf vanuit is gegaan dat EMT ten aanzien van ms. Perdida niet zijn wederpartij was. Nu geen stukken zijn overgelegd waaruit aannemelijk is geworden dat de overeenkomst die [gedaagde 1] ten aanzien van ms. Perdida stelt te hebben met EMT als wederpartij is gesloten, acht de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] op basis van zijn werkzaamheden op ms. Perdida een vordering op EMT heeft. De vordering van € 12.484,67 is dan ook ondeugdelijk.

4.9.

Ten aanzien van [boot] stelt [gedaagde 1] een vordering op EMT te hebben van (na correctie) € 22.322,09. EMT betwist ook de verschuldigdheid van deze vordering en stelt daartoe dat [gedaagde 1] geen contractspartij was, maar [bedrijf] . In dat kader verwijst EMT naar een overeenkomst van 1 maart 2014 ten aanzien van de exploitatie van [boot] . In deze overeenkomst staat EMT als bevrachter genoemd en [bedrijf] als vervrachter. Ook de ondertekening van de overeenkomst is namens [bedrijf] verricht. De naam [gedaagde 1] komt in deze overeenkomst niet voor. Uit de tekst van deze overeenkomst kan dan ook niet worden afgeleid dat EMT ten aanzien van [boot] zaken heeft gedaan met [gedaagde 1] als wederpartij. Niet uitgesloten kan echter worden dat [gedaagde 1] ook ten aanzien van dit schip heeft gehandeld onder de naam [bedrijf] , zoals ook bij ms. Joansico het geval is. Dit temeer omdat [boot] ook aan [gedaagde 1] zelf, en niet aan mevrouw Voesenek in eigendom toebehoorde. Daarbij komt dat de handtekening onder de overeenkomst de naam [gedaagde 1] lijkt te vormen. In aanmerking genomen hetgeen daarover in r.o. 4.5. is overwogen, acht de voorzieningenrechter onvoldoende grond aanwezig om aan te nemen dat mevrouw Voesenek ten aanzien van [boot] contractspartij van EMT was en niet [gedaagde 1] zelf. Daarom kan niet op voorhand worden aangenomen dat [gedaagde 1] in dit kader geen vordering op EMT heeft. EMT heeft voorts de hoogte van de vordering zoals becijferd door [naam 3] in zijn rapport niet, althans onvoldoende weersproken. Ten aanzien van deze vordering kan daarom niet worden aangenomen dat deze ondeugdelijk is.

4.10.

Dit alles leidt tot de slotsom dat in dit kort geding uitsluitend ten aanzien van ms. Perdida kan worden geoordeeld dat de gestelde vordering op EMT ondeugdelijk is. De totale vordering zal daarom worden herbegroot en komt, onder aftrek van € 12.484,67, uit op een bedrag van € 92.832,92, inclusief rente tot en met 30 juni 2016. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat hij gelet op deze gepretendeerde vordering belang heeft bij het gelegde beslag, om zo zeker te stellen dat EMT verhaal zal bieden indien in een bodemprocedure de vordering zal worden toegewezen. Ten aanzien van ms. Joansico stelt EMT dat zij belang heeft bij opheffing van het beslag, omdat het beslag tot grote schade zal lijden indien zij het schip niet kan exploiteren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een beslag op ms. Jansico voor EMT tot onevenredige schade zal lijden als het schip niet meer kan worden gebruikt. Het beslag op dit schip zal dan ook worden opgeheven, voor zover [gedaagde 1] het varend beslag op dit schip op enig moment zou omzetten in een niet-varend beslag. Bovendien lijkt met het beslag op de beide andere schepen voldoende verhaal mogelijk.

4.11.

Ten aanzien van het beslag op ms. Lina Muller en ms. Nautrans voert EMT aan dat zij belang heeft bij opheffing daarvan, omdat deze twee schepen zijn verkocht. EMT heeft echter niet gesteld tot welke (financiële) problemen het precies zal leiden als de beslagen op deze schepen niet in het kader van deze procedure zullen worden opgeheven. Een afweging van de belangen van partijen brengt daarom mee dat het belang van [gedaagde 1] bij het behouden van de beslagen prevaleert boven het belang van EMT bij opheffing daarvan. De vordering strekkende tot opheffing van de beslagen op ms. Lina Muller en ms. Nautrans zal dan ook worden afgewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat voor EMT de mogelijkheid bestaat om vervangende zekerheid te stellen voor de volledige herbegrote vordering, in welk geval de beslagen onnodig worden en kunnen worden opgeheven. De wijze waarop deze zekerheid kan worden gesteld is door middel van een bankgarantie van een gerenommeerde bankinstelling of door middel van storting van de volledige herbegrote vordering in depot. De zekerheid dient dan te worden gesteld totdat in een bodemprocedure een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is gewezen. De voorzieningenrechter zal de beslagen op ms. Lina Muller en ms. Nautrans daarom opheffen onder de voorwaarde dat aldus voldoende zekerheid wordt gesteld.

4.12.

EMT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 287,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.103,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het conservatoir beslag op het schip ms. Joansico (brandmerk 23627 B R 1998), voor zover [gedaagde 1] het varend beslag op dit schip op enig moment zou omzetten in een niet-varend beslag,

5.2.

heft op de conservatoire beslagen op de schepen ms. Lina Muller (brandmerk 35107 B 2012) en ms. Nautrans (brandmerk 33923 B 2010), onder de voorwaarde dat EMT op de in r.o. 4.11 vermelde wijze zekerheid stelt,

5.3.

veroordeelt EMT tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.103,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.H.J. Krijnen op 17 januari 2017.