Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:958

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
293032/HA ZA 15-657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht: Vordering verwijdering schuur afgewezen. Misbruik van recht gelet op geringe overschrijding erfgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/293032 / HA ZA 15-657

Vonnis van 18 januari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Ede,

eiser,

advocaat mr. R. van de Beek te Bennekom,

tegen

de stichting

DE STICHTING WOONSTEDE,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. R. Boekhoff te Soest.

Partijen zullen hierna [eiser] en Woonstede genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 september 2016

  • -

    de akte namens [eiser]

  • -

    de akte namens Woonstede.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en volhardt in hetgeen in het tussenvonnis van

28 september 2016 is overwogen en beslist.

2.2.

Naar aanleiding van voormeld tussenvonnis heeft [eiser] verklaard dat de linker- en rechterzijde van het erf door Woonstede correct zijn aangepast en dat de vorderingen betreffende die zijden als ingetrokken kunnen worden beschouwd. De situatie aan de achterzijde is niet aangepast, zodat de vorderingen in zoverre worden gehandhaafd, aldus [eiser] . Woonstede handhaaft haar standpunt dat [eiser] de overbouw door de huurder van het aangrenzende perceel aan de achterzijde van zijn achtertuin dient te gedogen. Zij voert aan dat [eiser] door zijn vordering tot verwijdering van de schuur te handhaven misbruik maakt van zijn bevoegdheid.

2.3.

In het Relaas van bevindingen van het kadaster van 20 oktober 2014 is omschreven waar de erfgrenzen van het perceel van [eiser] zijn gelegen. Vaststaat dat de grenzen aan de linker- en rechterzijde van het perceel inmiddels in overeenstemming zijn gebracht met de in het Relaas van bevindingen vermelde erfgrenzen. Het geschil van partijen heeft thans nog slechts betrekking op de achterzijde van de achtertuin van [eiser] . Dat is de noordgrens van zijn perceel.

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de schuur van de huurder van Woonstede en de zich aan de westzijde van die schuur bevindende groene houten planken de noordgrens van het perceel van [eiser] met enkele centimeters overschrijden. Naar schatting van de rechtbank wordt de erfgrens over een lengte van ongeveer vijf meter overschreden. Wanneer uitgegaan wordt van een overschrijding van ongeveer vijf centimeter, betreft het een inbreuk op de eigendom van [eiser] van circa 0,25 vierkante meter (5 x 0,05). Gelet op deze geringe inbreuk, op het feit dat de schuur van de huurder reeds meer dan dertig jaar op die plaats staat en Woonstede jegens haar huurder niet zonder meer afbraak van de schuur kan vorderen, alsmede de toezegging van Woonstede dat zij zodra de huidige huurder zijn huurovereenkomst heeft opgezegd, de erfgrens in overeenstemming zal brengen met de kadastrale inmeting, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] misbruik maakt van zijn bevoegdheid om thans verwijdering van de schuur te vorderen. Dat geldt niet voor de groene planken aan de westzijde van de schuur (gezien vanuit de achtertuin van [eiser] ). Nu deze planken op eenvoudige wijze verwijderd kunnen worden, valt niet in te zien dat [eiser] op dat punt misbruik maakt van zijn bevoegdheid. In zoverre zal de vordering tot verwijdering worden toegewezen. De rechtbank zal daaraan een termijn van één maand verbinden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom aan Woonstede, nu Woonstede gedurende de procedure in het kader van minnelijk overleg ook reeds aanpassingen heeft gedaan aan de oost- en westzijde van het perceel van [eiser] . Om diezelfde reden ziet de rechtbank geen reden om [eiser] een machtiging te verlenen om de verwijdering zelf te (laten) bewerkstelligen. Aangezien er slechts sprake is van een geringe overschrijding van circa 0,25 vierkante meter, is de rechtbank van oordeel dat er geen plaats is voor enige schadevergoeding. In zoverre zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

2.5.

Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht overweegt de rechtbank het volgende. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] toegelicht dat hij een verklaring voor recht wenst dat hij eigenaar is van het perceel zoals dat door het kadaster op 20 oktober 2014 is ingemeten. De rechtbank zal het gevorderde in die zin toewijzen, nu Woonstede zich gelet op de inhoud van haar antwoordakte van 31 augustus 2016 en haar nadere akte van 26 oktober 2016 kennelijk ook op het standpunt stelt dat deze kadastrale inmeting juist is. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] belang heeft bij deze verklaring voor recht, nu de noordgrens van zijn perceel nog niet in overeenstemming is met de kadastrale inmeting.

2.6.

Aangezien Woonstede eerst tijdens deze procedure de aanpassingen heeft verricht aan de linker- en rechterzijde van het erf van [eiser] en [eiser] voor het overige gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, zal de rechtbank Woonstede als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.302,19

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [eiser] eigenaar is van het perceel gelegen aan de [adres] kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduiding] en dat de perceelgrenzen daarvan lopen overeenkomstig het Relaas van bevindingen van het kadaster van 20 oktober 2014,

3.2.

veroordeelt Woonstede om binnen één maand na datum van dit vonnis de groene planken aan de westzijde van de schuur, grenzend aan de noordgrens van het perceel van [eiser] te verwijderen en verwijderd te houden,

3.3.

veroordeelt Woonstede in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.302,19,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.