Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:928

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2768
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht; inkomsten als directeur- grootaandeelhouder verzwegen. Geen verjaring van het recht om terug te vorderen nu verweerder pas in 2015 bekend is geworden met de inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/2768

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2017

in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A.C. van Etten),

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) de WAO-uitkering van eiseres over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2015 nader vastgesteld en een bedrag van € 129.336,56 aan teveel betaalde WAO-uitkering van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is op 20 mei 1997 uitgevallen in haar functie van voorvrouw in de schoonmaak en heeft van 19 mei 1998 tot 25 september 1998 een uitkering ingevolge de WAO ontvangen. Vanaf 1 januari 1999 is zij vennoot geworden in vennootschap onder firma [bedrijf] . Na hernieuwde uitval is haar per 7 september 2000 wederom een WAO-uitkering toegekend die vanaf 14 januari 2005 is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 1 januari 2007 is zij directeur-grootaandeelhouder (DGA) van [bedrijf] en ontvangt zij op grond daarvan loon.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij een controle in 2015 is geconstateerd dat eiseres vanaf 1 januari 2007 loon heeft ontvangen en dit niet heeft doorgegeven.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft aangevoerd dat het recht van verweerder om terug te vorderen gedeeltelijk is verjaard, nu zij immers al in 2007 en 2008 melding heeft gemaakt van haar inkomsten. In dat verband heeft zij gewezen op de brief van haar accountant aan het UWV van 8 maart 2007, waarbij een wijzigingsformulier en de salarisstrook over januari 2007 is gevoegd en op het telefonisch contact dat er in die periode - en ook in 2008 - met het UWV is geweest. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de Belastingdienst op grond van artikel 33, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), reeds vanaf 2006 gegevens verstrekt aan het UWV, dat verweerder daarom bekend moest zijn met de inkomsten en dat ook om die reden de terugvordering beperkt dient te worden. In de brief van 18 januari 2017 heeft eiseres er nog op gewezen dat zij met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 is vrijgesproken bij de strafrechter van het opzettelijk nalaten het UWV tijdig te informeren dat zij inkomsten uit werkzaamheden genoot.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij het invorderingsbesluit van 23 september 2016 niet betwist.

4. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres voor de toepassing van artikel 44 van de WAO relevante inkomsten uit arbeid heeft ontvangen van een omvang als door verweerder aangenomen. Eiseres heeft voorts niet betwist dat verweerder op basis van deze inkomsten een juiste berekening heeft gemaakt van haar (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid.

5. De rechtbank overweegt voorts dat, indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, verweerder verplicht is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; uitspraken van 5 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3734, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717 en ECLI:NL:CRVB:2008:BG3718) kan artikel 44 van de WAO in beginsel ook met terugwerkende kracht worden toegepast. Verweerder ziet slechts af van toepassing van artikel 44 van de WAO indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat teveel uitkering wordt ontvangen (Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006).

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar inkomsten vanaf 2007 van invloed waren of konden zijn op haar uitkering. De inkomsten in de functie van DGA waren, vanaf 1 januari 2007 en zeker vanaf 2011, zo hoog dat duidelijk kon zijn dat deze van invloed waren op de hoogte van de WAO-uitkering. Dat eiseres door de strafrechter met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 is vrijgesproken van het opzettelijk nalaten het UWV tijdig te informeren maakt dat niet anders, nu in deze procedure, anders dan bij de strafrechter, opzet geen rol speelt. Bovendien geldt in het strafrecht een andere bewijsmaatstaf dan in dit geding van toepassing is.

7. In geschil is nog of het recht van verweerder om terug te vorderen is verjaard.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie de uitspraak van 13 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3991en ECLI:NL:CRVB:2014:2377) wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze bepaling verjaart een rechtsvordering wegens onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2003:AK3696) dient de bekendheid, vereist voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn, subjectief te worden opgevat als een daadwerkelijke bekendheid. Door degene die zich op verjaring beroept, moet worden gesteld en zo nodig bewezen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger.

8. Voor een terugvorderingsbesluit als hier in geding vangt de verjaringstermijn aldus aan met ingang van de datum waarop het bestuursorgaan bekend is geworden met de feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een onverschuldigd betaalde uitkering. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij eerst ná 1 juli 2015 bekend is geworden met het feit dat eiseres sedert 1 januari 2007 DGA is en met de hoogte van de daarbij horende inkomsten. Verweerder heeft betwist dat er in 2007 of 2008 een melding ter zake is ontvangen en deze bevindt zich ook niet onder de stukken. Evenmin zijn er telefoonnotities waaruit blijkt dat er gesproken is met eiseres over het ontvangen van inkomsten en de gevolgen daarvan voor de WAO-uitkering.

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat verweerder eerder dan in 2015 bekend is geworden met de relevante feiten en omstandigheden. Dat eiseres in maart 2007 heeft doorgegeven dat zij vanaf 1 januari 2007 inkomsten genoot als DGA en daarvan stukken heeft overgelegd - opgemerkt wordt dat op de kopie van het ingezonden wijzigingsformulier geen handtekening staat - heeft eiseres wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt. Dat brengt mee dat eiseres niet gevolgd kan worden in haar standpunt dat het UWV reeds in 2007 bekend was met de relevante feiten en eiseres heeft dan ook niet voldaan aan de voorwaarde dat door degene die zich op verjaring beroept moet worden gesteld en zo nodig bewezen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Dat het UWV in 2007 een niet meer in gebruik zijnde postbusnummer heeft vermeld op de brieven en dat eiseres de stukken naar dat postbusnummer zou hebben verzonden maakt - wat daar ook van zij - niet dat voldaan is aan de hiervoor genoemde voorwaarde. De rechtbank merkt ten slotte nog op dat het haar bevreemdt dat eiseres, uitgaande van de gestelde meldingen in 2007 en 2008 en wetende dat zij teveel uitkering ontving, daarna kennelijk geen contact meer heeft opgenomen met het UWV.

9. De rechtbank is van oordeel dat ook de overige gronden niet tot het oordeel leiden dat verweerder niet meer tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde kon overgaan en overweegt daartoe als volgt.

Met de Verzamelwet SZW 2015, (33988, tweede nota van wijziging, nr. 11, onderdeel 12, pagina 4) is in artikel 44 van de WAO een nieuw tweede lid ingevoegd dat er voor zorgt dat het UWV bij de verrekening van het loon met de uitkering uit kan gaan van de gegevens uit de polisadministratie. Uit pagina 8 van de daarbij horende toelichting blijkt dat het UWV in de periode vóór invoering van deze werkwijze, 1 juli 2015, bij de toepassing van artikel 44 van de WAO niet van de juistheid van de polisadministratie kon uitgaan.

Dat de Belastingdienst op grond van artikel 33, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de loongegevens (sedert 1 januari 2006) dient te verstrekken is juist, maar maakt, gelet op het vorenstaande, niet dat het UWV met deze loongegevens bij de toepassing van artikel 44 van de WAO op adequate wijze rekening kon houden. Dit is pas vanaf 1 juli 2015 het geval.

De door eiseres genoemde contacten met het UWV zijn, mede gelet op het feit dat deze contacten ruim voor 1 januari 2007 hebben plaatsgevonden, niet relevant. Uit deze contacten volgt niet dat het UWV wist of duidelijk kon zijn dat eiseres vanaf 1 januari 2007 inkomsten als DGA genoot en wat de hoogte hiervan was.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. E.C.E. Marechal en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 28 februari 2017

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.