Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:819

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1601
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel ten onrechte opgelegd. Artikel 9 van de PW biedt geen grondslag voor het opleggen van een maatregel vanwege het niet verschijnen op een afspraak om de rechtmatigheid van de bijstand te onderzoeken. Het niet verschijnen dient te worden gekwalificeerd als een schending van de medewerkingsverplichting zoals genoemd in artikel 17, tweede lid, van de PW. Niettemin kan geen maatregel worden opgelegd wegens schending van de medewerkingsverplichting, omdat de verordening van verweerder daarvoor geen grondslag biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/1601

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2017

in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.M. van Til),

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft verweerder eisers’ bijstand met ingang van

1 oktober 2015 met 50 % (€ 687,59) verlaagd voor de duur van een maand.

Bij besluit van 15 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Namens eisers is verschenen hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Brons.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eisers ontvangen sinds 13 januari 2015 gezamenlijk bijstand naar de gehuwdennorm. Op

6 februari 2015 hebben eisers elk aan plan van aanpak ondertekend. Daarin is onder andere de verplichting opgenomen om vier maal per week te solliciteren, daarvan aantekening te houden en dat op verzoek van de klantmanager te tonen.

Verweerder heeft eisers bij brief van 7 juli 2015 bericht dat zij niet zijn verschenen op een afspraak van 13 juli 2015, maar dat dit verzuim kan worden hersteld. Eisers zijn daarbij uitgenodigd om op 10 juli 2015 om 12:00 uur bij verweerder te verschijnen voor een gesprek over arbeidsinschakeling.

De afspraak van 13 juli 2015 was eerst gepland op 29 juni 2015 en is op verzoek van eisers verzet naar 3 juli 2015. Omdat eisers vanwege privéomstandigheden niet konden verschijnen, is deze afspraak vervolgens verzet naar 13 juli 2015.

Bij brief van 10 juli 2015 heeft verweerder eisers bericht dat zij op de afspraak van

10 juli 2015 niet verschenen zijn, maar dit verzuim kan worden hersteld. Verweerder schrijft voorts eisers opnieuw uit te nodigen voor een gesprek over arbeidsinschakeling en wel op

21 juli 2015 om 13:00 uur. Verzocht wordt onder andere sollicitatieoverzichten mee te nemen. Eisers zijn bij dat gesprek niet verschenen.

Verweerder heeft bij brief van 7 augustus 2015 eisers bericht dat zij niet verschenen zijn op de afspraken van 2 en 7 augustus 2015 om te kijken naar de mogelijkheden van een werkervaringsplaats en dat de wekelijkse sollicitatieoverzichten niet zijn ontvangen. Verweerder schrijft daarin tevens dat er een mogelijkheid is om het verzuim te herstellen. Verweerder heeft eisers daarbij uitgenodigd voor een gesprek op 14 augustus 2015 om 15:00 uur en daarbij vermeld dat bij niet verschijnen de uitkering mogelijk kan worden verlaagd.

Bij brief van 18 augustus 2015 zijn eisers vervolgens uitgenodigd voor een rechtmatigheidsonderzoek bij verweerder op 1 september om 15:00 uur. Eisers zijn daarbij verzocht om bankafschriften vanaf 1 mei en sollicitatieoverzichten vanaf 1 augustus mee te nemen.

Bij brief van 1 september 2015 heeft verweerder eisers bericht dat de afspraak van

1 september 2015 door hen is afgezegd wegens privéomstandigheden maar dat hen een laatste mogelijkheid tot herstel wordt geboden. Eisers zijn daarbij uitgenodigd om op 9 september 2015 om 9:00 uur bij verweerder te verschijnen.

Verweerder heeft eiseres bij brief van 11 september bericht dat zij niet zijn verschenen op het gesprek van 9 september 2015 over de rechtmatigheid van de uitkering, dat dit verzuim kan worden hersteld en eisers uitgenodigd voor een gesprek op 18 september 2015 om 11:30 uur onder medebrenging van alle bankafschriften vanaf 1 juni 2015 en sollicitatieoverzichten vanaf 1 augustus 2015. Eisers zijn zonder bericht niet verschenen op deze afspraak.

Verweerder heeft daarop het primaire besluit genomen. Verweerder heeft daarin het standpunt ingenomen dat eisers niet voldoende hebben meegewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a, van de Participatiewet (PW).

Bij brief van 14 oktober 2015 zijn eisers uitgenodigd voor een gesprek met verweerder op 21 oktober 2015 om onderzoek te doen naar hun re-integratiemogelijkheden. Eisers zijn daar niet verschenen.

2. Verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers niet zijn verschenen op het gesprek van 18 september 2015 om de rechtmatigheid van hun uitkering te bespreken en dat daarmee niet voldaan is aan de verplichting van artikel 9, eerste lid, van de PW tot arbeidsinschakeling en aan de verplichting van artikel 44a, van de PW om mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak. Verweerder heeft voor zijn beslissing verwezen naar artikel 9 van de PW en artikel 7 en 9 van de Afstemmingsverordening Participatiewet IOAW en IOAZ 2015. Volgens verweerder is sprake van een verlaging van de tweede categorie.

3. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder had moeten afzien van verlaging omdat hen niet verweten kan worden dat zij niet op de afspraak van 18 september 2015 zijn verschenen. Volgens eisers heeft het besluit ook onaanvaardbare consequenties voor hun persoonlijke verzorging.

4. Artikel 9, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de PW, voor zover van belang, bepaalt dat de belanghebbende vanaf de dag van melding verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, aanvaarden en behouden.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de PW, voor zover van belang, bepaalt dat de belanghebbende vanaf de dag van melding verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

Op grond van artikel 18, tweede lid, van de PW, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, van de PW.

Op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel h, van de PW, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig het vijfde lid, ter zake van het niet nakomen van het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan een onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Op grond van artikel 18, vijfde lid, van de PW, wordt bij schending van een van de in artikel 18, vierde lid, van de PW, genoemde verplichtingen, de bijstand verlaagd met 100% voor een bij de verordening vastgestelde periode van één tot drie maanden.

Verweerder heeft nadere regels in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Oost Gelre (de Verordening) vastgelegd.

Op grond van artikel 7 van de Verordening, worden gedragingen van belanghebbenden, waardoor de verplichting op grond van artikel 9, van de PW, niet of onvoldoende is nagekomen, onderscheiden in drie categorieën. Het niet of onvoldoende meewerken aan het uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a, van de PW, is daarin aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie.

Op grond van artikel 9, aanhef en onderdeel b, van de Verordening, verlaagt het college de bijstandsnorm met 50% gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie.

5.1.

Ter beoordeling ligt voor of verweerder bevoegd was om een maatregel op te leggen.

5.2.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt voorop dat verweerder eisers in zijn brief van 11 september 2015 heeft uitgenodigd voor een gesprek op

18 september 2015 en dat doel van dit gesprek uitsluitend was om de rechtmatigheid van hun uitkering te bespreken en niet om te spreken over arbeidsinschakeling. Ter zitting heeft verweerder dat nog bevestigd. Verweerder heeft daaraan toegevoegd dat het verzoek om sollicitaties over te leggen alleen daarop betrekking had en niet op een onderzoek naar arbeidsinschakeling. Derhalve moet worden geoordeeld dat eisers geen verplichtingen tot arbeidsinschakeling hebben geschonden door niet te verschijnen op het gesprek van

18 september 2015. Ook anderszins is daarvan geen sprake, gelet op de omstandigheid dat verweerder in de hieraan voorafgaande correspondentie alle eerdere verzuimen heeft gepardonneerd en latere verzuimen niet aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Artikel 9 van de PW, kan daarom in dit geval geen grondslag bieden voor het opleggen van een maatregel.

5.3.

Wel is sprake van schending van de op grond van artikel 17, tweede lid, van de PW, op eisers rustende medewerkingsverplichting. Daarin is bepaald dat de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking verleent die nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn recht op arbeidsinschakeling. De rechtbank ziet in de Verordening echter geen grondslag voor het opleggen van een maatregel vanwege een schending van de medewerkingsverplichting. Hieruit volgt dat verweerder niet bevoegd was om een maatregel op te leggen. De rechtbank komt reeds hierom niet toe aan een beoordeling van de overige gronden van eisers.

5.4.

Uit hetgeen in rechtsoverweging 5.2 en 5.3 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Omdat verweerder niet bevoegd was om deze maatregel op te leggen, kan ook het primaire besluit niet in stand worden gelaten. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.

6. De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en in beroep. Deze kosten daarvan voor de behandeling van het bezwaar begroot de rechtbank op € 990,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor van 1) en de kosten voor de behandeling van het beroep op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van

€ 495,- en een wegingsfactor van 1) in totaal € 1980,-. Tevens bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. van Ravenstein, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 16 februari 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.