Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:772

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 449
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingebrekestelling ingediend voordat een aanvraag in de zin van de Wmo 2015 was ingediend. Niet gebleken dat eiseres bij haar melding ook beoogde om met spoed een tijdelijke maatwerkvoorziening te verkrijgen. Terecht geweigerd een dwangsom toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/449

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: G. Boonstra-Arakelyan),

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij naar aanleiding van de door haar ingediende ingebrekestelling geen aanspraak heeft op een dwangsom.

Bij besluit van 14 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft op 7 april 2015 en 10 april 2015 in totaal vier door haar ingevulde formulieren, getiteld: ‘Verzoek om een gesprek’ ingediend bij het Bureau Voorzieningen Wmo. Daarop geeft zij aan dat zij een verblijfsvergunning heeft gekregen, dat zij nu verblijft in een verpleeghuis en dat zij graag een aangepast huis wil krijgen en andere mogelijkheden wil bespreken. Voorts vermeldt zij dat het voor haar nog niet helemaal duidelijk is wat zij kan doen om zelfstandig of met hulp te kunnen wonen en dat zij daarom om een gesprek verzoekt. Daarnaast heeft eiseres op de formulieren aangekruist dat zij hulp bij persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp, begeleiding, dagopvang of dagbesteding, een vervoersvoorziening en ‘andere oplossingen’ wenst. Na verschillende e-mails en telefonisch contact stuurt eiseres op 3 juni 2015 een ingebrekestelling. Op 17 juni 2015 stuurt zij nogmaals een ingebrekestelling.

2. Het geschil ziet op de vraag of verweerder een dwangsom verschuldigd is in verband met het niet tijdig besluiten op Wmo-aanvragen van eiseres.

3. Eiseres voert aan dat zij reeds op 7 april 2015 een aanvraag heeft ingediend voor verschillende Wmo-voorzieningen en dat zij, behalve voor wat betreft de verhuiskostenvergoeding, niet eerder dan op 24 september 2015 een beschikking heeft ontvangen. Volgens eiseres is dan ook veel te laat beslist op haar aanvraag voor Wmo-voorzieningen en is verweerder een dwangsom verschuldigd. Ter zitting heeft eiseres zich aanvullend op het standpunt gesteld dat sprake was van een spoedeisende situatie, op grond waarvan verweerder onverwijld diende te beslissen. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2497).

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er nog geen sprake is van een aanvraag, maar van een melding. Gelet hierop is volgens verweerder geen dwangsom verschuldigd.

5. Uit artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat verweerder een dwangsom verschuldigd kan zijn indien niet tijdig wordt besloten op een aanvraag. Daarvoor moet verweerder eerst schriftelijk in gebreke worden gesteld, waarna verweerder nog twee weken de tijd heeft om een besluit te nemen. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de ingebrekestelling van 3 juni 2015 verwijst naar een Wmo-aanvraag van 7 april 2015. Op 17 juni 2015 heeft eiseres een tweede ingebrekestelling gestuurd. Hier verwijst zij naar haar Wmo-verzoek/aanvraag ingediend op 7 april 2015, en stelt zij dat inmiddels twee weken verstreken zijn na de eerste ingebrekestelling, waardoor verweerder vanaf dat moment een dwangsom verschuldigd is.

6. Op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 geldt als hoofdregel dat, indien bij verweerder melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, verweerder in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert. Op grond van het negende lid van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 kan een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij dit onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Uit artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015 volgt dat verweerder vervolgens binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking geeft.

7. Dit betekent in beginsel dat aan het indienen van een Wmo-aanvraag een melding voorafgaat en dat pas na het einde van de onderzoekstermijn daadwerkelijk een aanvraag kan worden ingediend. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de formulieren ‘Verzoek om een gesprek’ van eiseres van 7 en 10 april 2015 als melding in de zin van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 moeten worden aangemerkt, en niet als aanvraag. De aanvraag kon op dat moment immers nog niet worden gedaan en bovendien blijkt uit de formulieren niet wat eiseres concreet wil, maar verzoekt zij vooral om met verweerder in gesprek te treden om te kijken wat er mogelijk is.

8. Gelet op de meldingsdatum is de onderzoekstermijn van zes weken dan niet eerder dan op 19 mei 2015 geëindigd. Niet in geschil is dat verweerder binnen de onderzoekstermijn geen onderzoek heeft uitgevoerd. Dit betekent dat eiseres na 19 mei 2015 een Wmo-aanvraag kon indienen. De rechtbank is van oordeel dat de diverse e-mails van eiseres van 22 mei, 5 juni, 10 juni, 11 juni en 17 juni 2015 gelet op hun inhoud niet als zodanig zijn aan te merken. Ook anderszins is niet gebleken dat eiseres een aanvraag - anders dan de op 4 juni 2015 aangevraagde verhuiskostenvergoeding - heeft ingediend na de meldingen op 7 en 10 april 2015 en vóór de ingebrekestellingen van 3 juni 2015 en 17 juni 2015. Op de aanvraag om verhuiskostenvergoeding is binnen twee weken beslist. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat verweerder op 3 juni 2015 of 17 juni 2015 in gebreke was om tijdig te beslissen op een aanvraag.

9. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat haar aanvraag als spoedeisend moet worden aangemerkt geldt het volgende. Uit artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 blijkt dat verweerder in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, onverwijld beslist tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag.

10. Uit de formulieren van eiseres van 7 en 10 april 2015 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiseres verzoekt om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Ook blijkt daaruit niet dat sprake is van een zodanig spoedeisend geval, dat de reguliere meldings- en onderzoeksprocedure niet kan worden afgewacht maar dat direct een tijdelijke voorziening moet worden getroffen. Eiseres heeft haar stelling dat sprake was van spoed ook niet met stukken onderbouwd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat eiseres bij haar melding ook beoogde om met spoed een tijdelijke maatwerkvoorziening te verkrijgen omdat zij dringend hulp nodig heeft. Dit betekent ook dat de uitspraak waarnaar eiseres verwijst haar niet kan baten. In deze casus was immers sprake van een melding waarbij expliciet werd vermeld dat het ook een aanvraag betrof en werd verweerder verzocht met spoed, binnen twee weken, een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen. De beroepsgrond van eiseres dat sprake is van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en dat verweerder gelet daarop niet tijdig beslist heeft, treft dan ook geen doel.

11. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat verweerder een dwangsom verschuldigd is. Voor de rechtbank staat vast dat eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld voordat zij een aanvraag in de zin van de Wmo 2015 had ingediend waarop verweerder gehouden was tijdig een beslissing te nemen. De ingebrekestellingen van 3 en 17 juni 2015 waren daarom prematuur. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2851) is het rechtens niet mogelijk om het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd een dwangsom toe te kennen.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.