Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:723

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
AWB - 12 _ 6222
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzwegen bankrekeningen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de tipgever te horen. Verweerder treft niet het verwijt dat zijn handelen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke handelende overheid mag worden verwacht dat dit gevolgen zou moeten hebben voor de onderhavige belastingaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0448
V-N Vandaag 2017/329

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 12/6221 t/m 12/6227

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 februari 2017

in de zaken tussen

de erven van [X] , te [Z] , eisers

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eisers navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1997 en 1999 tot en met 2002 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1998 en 2000 opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslagen is aan eisers heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar

Navorderings-aanslag

Dagtekening

Belastingbedrag

Heffingsrente

1997

IB/PVV

31 december 2010

€ 17.547

€ 8.342

1998

VB

31 december 2010

€ 3.648

€ 1.615

1999

IB/PVV

31 maart 2011

€ 20.571

€ 8.493

2000

VB

31 maart 2011

€ 3.789

€ 1.427

2000

IB/PVV

31 maart 2011

€ 21.805

€ 8.218

2001

IB/PVV

31 maart 2011

€ 11.697

€ 3.894

2002

IB/PVV

31 maart 2011

€ 7.536

€ 2.260

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 28 november 2012 de navorderings-aanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen bij brief van 7 december 2012, ontvangen door de rechtbank op
10 december 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Een deel van de stukken is vervolgens in geanonimiseerde vorm overgelegd.

Het beroep op artikel 8:29 van de Awb is behandeld ter zitting op 5 september 2013. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 15 januari 2014 uitspraak gedaan en de verzoeken van verweerder tot geheimhouding van de identiteit van de tipgever en beperkte kennisneming van de stukken A1 tot en met B12 toegewezen. Eisers hebben geen toestemming aan de rechtbank gegeven om mede op basis van de ongeschoonde informatie uitspraak te doen.

Eisers en verweerder hebben nadien nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. De beroepen met procedurenummers AWB 12/6189 tot en met 12/6200, 12/6413, 12/6415 en AWB 12/6179 tot en met 12/6183 zijn gelijktijdig behandeld.

Namens eisers is gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen
mr. [gemachtigde] en [A] BBA.

Overwegingen

Feiten

1. [X] (hierna: erflater) is overleden op [2002] .

2. In maart 2009 heeft een tipgever zich gemeld bij de FIOD-ECD, die stelde over informatie te beschikken met betrekking tot Nederlandse belastingplichtigen die rekeningen aanhielden bij drie banken, te weten Rabobank Luxemburg, Generale Bank en Van Lanschot.

In een eerste gesprek is door de FIOD-ECD met de tipgever afgesproken dat de tipgever een deel van de informatie over zou dragen zodat de FIOD-ECD kon beoordelen of deze informatie van belang was voor de belastingheffing. De eerste beperkte informatie is door de tipgever verstrekt op 30 maart 2009. In juni 2009 zijn aanvullende documenten verstrekt.

3. In het “Memo Tipgever Luxemburg” van 2 juli 2009, dat in geschoonde versie tot het procesdossier behoort, is de Belastingdienst tot de conclusie gekomen dat de door de tipgever verstrekte informatie van belang is voor de belastingheffing en dat deze informatie betrouwbaar is. Naar aanleiding van deze bevindingen is met de tipgever een overeenkomst gesloten die door de tipgever is ondertekend op 15 september 2009. Door de Belastingdienst is deze overeenkomst ondertekend op 16 september 2009. Naar aanleiding van het sluiten van deze overeenkomst heeft de tipgever zijn informatie verstrekt aan de Belastingdienst. Met de tipgever is overeengekomen dat hij deze informatie aan de Belastingdienst verstrekt tegen een beloning die een percentage beloopt van de IB/PVV, VB en de heffingsrente die wordt betaald op belastingaanslagen die met behulp van deze informatie kunnen worden opgelegd. Bij de met de tipgever gesloten overeenkomst heeft de Belastingdienst zich verplicht de identiteit van de tipgever niet bekend te maken.

4. Naar aanleiding van de van de tipgever ontvangen informatie is de Belastingdienst een project opgestart onder de naam “Derde Categorie”. Uit deze informatie zou kunnen blijken dat erflater bij de Rabobank Luxemburg een rekening had met nummer [000] , met een saldo per 7 februari 1996 van ƒ 894.056 en een saldo per 7 juli 1996 van ƒ 1.013.000.

5. Met dagtekening 12 oktober 2009 heeft verweerder eisers een brief gestuurd. In deze brief werd gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat erflater gerechtigd zou zijn geweest tot vermogensbestanddelen in het buitenland. Op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken, zoals in de bijlage bij de brief is vermeld. De bijlage bij de brief is met dagtekening 17 oktober 2009 door eisers ingevuld met de vermelding “hier is mij niets van bekend” en “mij onbekend”.

6. Op 3 november 2009 hebben eisers in een gesprek met verweerder verklaard informatie op te zullen vragen bij de betreffende bank(en). Verweerder heeft aan eisers een voorbeeldbrief gestuurd om te gebruiken bij het opvragen van de informatie bij de banken.

7. Op 16 maart 2010 heeft gemachtigde zich gesteld en heeft aan verweerder verzocht om inzage in het boetedossier.

8. Op 14 april 2010 hebben eisers de door verweerder opgestelde verklaring d.d.
21 december 2009 - waarin akkoord was gegaan met een verlengde termijn voor het opleggen van aanslagen voor de jaren 1997 en 2004 - ingetrokken en verweerder tot
1 mei 2010 de gelegenheid gegeven om de navorderingsaanslagen op te leggen.

9. Vervolgens is via e-mail nader gecorrespondeerd onder meer over een nadere opschorting van de termijn voor het opleggen van de navorderingsaanslagen en over het verstrekken van inlichtingen. Op 27 augustus 2010 heeft verweerder opnieuw een vragenformulier (opgaaf en verklaring) gestuurd aan eisers.

10. Op 14 oktober 2010 hebben eisers de opgaaf en verklaring ingevuld. In de brief van 15 oktober 2010 heeft gemachtigde verweerder meegedeeld dat eisers over een bankrekening in Luxemburg hebben beschikt. Daartoe zijn de bankbescheiden overgelegd. Tevens hebben eisers aangegeven dat de bankrekening op verzoek van de - in juni 1992 - overleden moeder van erflater is geopend.

11. Namens eisers is gemachtigde met verweerder op 15 oktober 2010 het volgende overeengekomen:

“In de dossiers van mevrouw [B] , de erven van de heer [X] , alsmede de heer [C] , hebben wij een aantal malen met elkaar gesproken. Wij spraken in dat verband het volgende af.

Bovengenoemde cliënten zullen ieder voor zich “de verklaring buitenlands vermogen” invullen, dateren en ondertekenen. Indien en voor zover deze verklaring door een of meerdere van genoemden met “ja” wordt ingevuld, zal ook de relevante informatie worden verstrekt. Het een en ander met inachtneming van art. 47 AWR en volgende. De Belastingdienst op zijn beurt zal, binnen veertien dagen na ontvangst van de ingevulde verklaringen en/of eventuele relevante stukken, inzage verlenen in de respectievelijke boetedossiers. Het een en ander met inachtneming van de artt. 5:49 Awb en/of art. 67m AWR.”

12. Op 9 november 2010 is inzage genomen in het dossier.

13. Op 9 november 2010 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat verweerder voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 2002 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1998 tot en met 2000 op te leggen. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te reageren op dit voornemen.

14. Op 26 november 2010 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat, nu een reactie op de aangekondigde navorderingsaanslagen is uitgebleven, deze aanslagen binnenkort zullen worden opgelegd.

15. Op 31 december 2010 zijn aan eisers een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1997 en een navorderingsaanslag VB over het jaar 1998 opgelegd inclusief heffingsrente. Eisers hebben hiertegen tijdig bezwaar ingediend.

16. Verweerder heeft eisers op 2 februari 2011 meegedeeld dat de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1998 en navorderingsaanslag VB 1999 niet worden opgelegd.

17. Met dagtekening 31 maart 2011 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1999 tot en met 2002 opgelegd inclusief heffingsrente. Eisers hebben hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.

Geschil

18. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

19. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld:

  • -

    dat het inzagerecht als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb is geschonden;

  • -

    dat zozeer in strijd is gehandeld met hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd en

  • -

    dat de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR moeten worden vernietigd, omdat bij het voorbereiden en vaststellen van die aanslagen, mede gelet op de wijze van verkrijging van de gegevens en de identificatie, niet voldoende voortvarend zou zijn gehandeld.

20. Verweerder heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld:

  • -

    dat geen sprake is van een schending van het inzagerecht;

  • -

    dat geen sprake is van enig handelen dat zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht en

  • -

    dat de belastingaanslagen met voldoende voortvarendheid zijn opgelegd.

21. De beschikkingen heffingsrente zijn niet meer in geschil.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

22. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de tipgever als getuige te horen. Naar de rechtbank begrijpt, wensen eisers de tipgever te horen in verband met de wijze waarop de tipgever aan de gewraakte informatie is gekomen alsmede over het moment waarop de tipgever de informatie die op erflater betrekking heeft aan de Belastingdienst heeft verstrekt. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

23. Nu verweerder ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat - veronderstellenderwijze - ervan uit kan worden gegaan dat de tipgever de informatie op onrechtmatige wijze heeft verkregen, kan de rechtbank een oordeel geven over de bruikbaarheid van het door hem verstrekte bewijsmateriaal. De tipgever hoeft dus niet te worden gehoord omtrent de wijze van verkrijging van de gewraakte informatie. De rechtbank zal hierna onder 27. een oordeel geven over de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal.

24. Voorts hebben eisers gesteld dat zij in verband met het voortvarendheidsvereiste willen kunnen controleren op welk moment de Belastingdienst kon beschikken over de informatie van de tipgever. De rechtbank kan omtrent het voortvarendheidsvereiste echter een oordeel geven, ook zonder dat de tipgever hieromtrent is gehoord. Het oordeel over het voortvarendheidsvereiste volgt hierna onder 28.

25. Nu de rechtbank het horen van de tipgever niet zinvol acht voor de beoordeling van het geschil wijst zij het verzoek van eisers om de tipgever te doen horen af (zie Hoge Raad 13 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5559 en Hoge Raad 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2798).

Inzagerecht

26. Ten aanzien van het standpunt dat sprake is van schending van het inzagerecht hebben eisers aangevoerd dat verweerder bij het verlenen van het inzagerecht met een beroep op artikel 8:29 van de Awb een veelheid aan passages heeft geanonimiseerd, terwijl in een eerdere uitspraak van deze rechtbank is bepaald dat deze passages openbaar moeten worden gemaakt (rechtbank Arnhem 7 februari 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BV2902). De rechtbank overweegt dat de rechtbank in de onderhavige zaak (rechtbank Gelderland 15 januari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:145) heeft geoordeeld dat verweerder zich terecht heeft beroepen op geheimhouding. Indien en voor zover eisers het met deze beslissing oneens zijn, staat hiertegen het middel van hoger beroep open tegelijk met het eventuele hoger beroep tegen de onderhavige uitspraak. Gesteld noch gebleken is dat verweerder meer passages heeft geanonimiseerd dan waarvan de rechtbank in de hiervoor genoemde beslissing de geheimhouding heeft toegewezen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het recht op inzage niet heeft geschonden.

“Zozeer-criterium”

27. Eisers hebben gesteld dat het van de tipgever verkregen bewijs, waarop het onderzoek van verweerder is gebaseerd, moet worden uitgesloten nu volgens hen sprake is van strafbare feiten ten aanzien van de verkrijging van het bewijs. De tipgever moet zich, naar eisers stellen, hebben schuldig gemaakt aan diefstal dan wel verduistering (al dan niet in dienstbetrekking) en bovendien aan schending van artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verweerder heeft gesteld dat er veronderstellenderwijze vanuit kan worden gegaan dat van deze strafbare feiten sprake is. De rechtbank overweegt voor dat geval dat het enkele feit dat de tipgever strafbare feiten heeft gepleegd niet tot de conclusie kan leiden dat het door hem aangeleverde bewijs niet mag worden gebruikt voor fiscale doeleinden. Het gebruik van deze bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (Hoge Raad 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028 en Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643). Het gaat daarom om de vraag of verweerder het verwijt treft dat zijn handelen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke handelende overheid mag worden verwacht (het zogenoemde “zozeer-criterium”). Gelet op de mbtsedige verklaring die als B4 tot de gedingstukken behoort, alsmede de considerans in de overeenkomst van 15/16 oktober 2009 acht de rechtbank aannemelijk dat de tipgever zich uit eigen beweging bij de Belastingdienst heeft gemeld en dat hij toen reeds over de gewraakte informatie beschikte. De intentie tot het beschikbaar stellen van de informatie door de tipgever aan de Belastingdienst was dus reeds bij de tipgever aanwezig. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de Staat betrokken is geweest bij het vergaren van de informatie door de tipgever of de tipgever tot dat vergaren heeft uitgelokt. Dat de tipgever achteraf voor zijn informatie betaald is, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders, nu van het in het vooruitzicht stellen van een betaling voorafgaande aan de informatievergaring op geen enkele wijze is gebleken. Van wetenschap van de Staat omtrent een onrechtmatige verkrijging door de tipgever (waarvan hier slechts veronderstellenderwijze is uitgegaan) is evenmin gebleken. De rechtbank acht het belang van de Belastingdienst bij het achterhalen van zwartspaarders zodanig gerechtvaardigd dat het enkele feit dat de Belastingdienst niet heeft doorgevraagd naar de wijze waarop de tipgever zijn informatie heeft verkregen niet kan leiden tot de conclusie dat jegens eisers is gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van de informatie van de tipgever ontoelaatbaar moet worden geacht.

Voortvarendheidsvereiste

28. Eisers hebben gesteld dat verweerder ter zake van de navorderingsaanslagen die met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd, niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Eisers hebben gesteld dat zij niet kunnen controleren op welk moment de Belastingdienst kon beschikken over de informatie die op erflater cq eisers betrekking heeft. De rechtbank overweegt dat de overeenkomst tussen de tipgever en de Belastingdienst op 15 respectievelijk 16 september 2009 is getekend. Verweerder heeft gesteld dat de informatie pas daarna door de tipgever aan de Belastingdienst is verstrekt. Dit strookt met de verklaring van de gemachtigde van eisers die ter zitting heeft verklaard dat het de tipgever om het geld te doen was en dat hij het bankgeheim (misschien) niet had geopenbaard als hij niet was betaald. Gelet hierop is aannemelijk dat de tipgever eerst na ondertekening van de overeenkomst de gewraakte informatie beschikbaar heeft gesteld. Eisers zijn op 12 oktober 2009 voor het eerst aangeschreven. Vervolgens is er over en weer gecorrespondeerd, waarna verweerder met dagtekening 31 december 2010 de eerste navorderingsaanslagen heeft opgelegd (IB/PVV 1997 en VB 1998). Uiteindelijk hebben de laatste navorderingsaanslagen een dagtekening van 31 maart 2011 gekregen. De rechtbank is van oordeel dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat verweerder op geen enkel moment langer dan zes maanden heeft stilgezeten en dus dat dat het tijdsverloop vanaf de ontvangst van de inlichtingen van de tipgever tot aan het opleggen van de navorderingsaanslagen niet te lang is geweest. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door de tipgever overhandigde informatie op 30 maart 2009 op erflater cq eisers zag, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het voortvarendheidsvereiste, gelet op de noodzaak om vast te stellen of de informatie betrouwbaar was en de zorgvuldigheid die daarbij betracht moest worden. Van onnodig stilzitten van de zijde van verweerder is geen sprake. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder voortvarend genoeg heeft gehandeld, is er geen reden de navorderingsaanslagen te vernietigen.

29. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

30. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.M.M. Hidders-Li, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 februari 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.