Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:712

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4196
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhuurderheffing 2014. Geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Geen individuele en buitensporige last. Geen strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Grondslag: voor verhuur bestemde woning in geval van te koop staande woning?

Wetsverwijzingen
Wet maatregelen woningmarkt 2014 II
Wet maatregelen woningmarkt 2014 II 1.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0443
JHV 2017/8 met annotatie van mr. T. Gardenbroek
NLF 2017/0505 met annotatie van Gert-Jan de Ruiter
V-N Vandaag 2017/322
R. van Haperen annotatie in NTFR 2017/618

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/4196

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 februari 2017

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 30 september 2014 op aangifte € 119.240 aan verhuurderheffing over het jaar 2014 voldaan. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij faxbericht van 15 juli 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend dat in afschrift is verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2017.

Namens eiseres is mr. [A] verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is in 2014 eigenaar van 328 huurwoningen in de zin van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (hierna: Wmw 2014 II).

2. Eiseres heeft in de aangifte de verhuurderheffing 2014 in de zin van Wmw 2014 II als volgt berekend:

Aantal objecten

328

Som WOZ-waarden

€ 32.281.000

Vrijstelling -/-

€ 984.177

Belastbaar bedrag

€ 31.296.823

Tarief

0,381%

Verschuldigde verhuurderheffing

€ 119.240

Geschil

3. In geschil is het door eiseres voldane bedrag aan verhuurderheffing voor het jaar 2014.

4. Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verhuurderheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol), subsidiair dat in haar specifieke geval sprake is van een individuele en buitensporige last, meer subsidiair dat de verhuurderheffing in strijd is met artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en meest subsidiair dat de gehanteerde heffingsgrondslag voor de verhuurderheffing in het onderhavige jaar te hoog is.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevoerde gronden niet kunnen slagen en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Beoordeling van het geschil

Primair: strijd met het Eerste Protocol op regelniveau?

6. Belastingheffing vormt op zichzelf een inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol. Een dergelijk inbreuk is echter toegestaan indien deze “lawful” is en er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Dat er een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd, vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de verhuurderheffing op zichzelf een inbreuk vormt op het ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol, dat deze inbreuk is voorzien bij wet en dat de verhuurderheffing een legitiem doel in het algemeen belang dient.

8. In de parlementaire geschiedenis is als primaire doelstelling van de verhuurderheffing het genereren van inkomsten genoemd. Er is daarbij voor een verhuurderheffing gekozen omdat een belastingheffing op onroerende zaken tot een minder verstorend effect leidt dan bijvoorbeeld een tariefsverhoging in de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Verder completeert de verhuurderheffing volgens de wetgever een belangrijk element van een pakket aan maatregelen die zijn gericht op een betere werking van de woningmarkt in de koop- en huursector (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3, p. 3-4). Gelet hierop heeft de wetgever met de verhuurderheffing de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden. Het beroep faalt in zoverre.

Subsidiair: individuele en buitensporige last

9. Eiseres heeft zich – kortgezegd – op het standpunt gesteld dat de verhuurderheffing en de mogelijkheid om een inkomensafhankelijke huurverhoging door te voeren één op één met elkaar zijn verbonden. Aangezien in haar geval de extra huuropbrengst in 2014 nihil bedroeg en de verhuurderheffing € 119.240, is sprake van een individuele en buitensporige last. Een huurverhoging boven inflatie (2,5 percent) ten aanzien van haar doelgroep (te weten: chronische zieken en gehandicapten) was niet mogelijk.

10. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is beslissend de mate waarin de betrokkene in de gegeven omstandigheden wordt getroffen door de verhuurderheffing (vergelijk Hoge Raad 12 augustus 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4868). De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van eiseres ligt de door haar gestelde, en door verweerder betwiste, individuele en buitensporige last aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd, aangezien zij geen begin van bewijs heeft geleverd van de mate waarin zij wordt getroffen door de verhuurderheffing. Aangezien eiseres haar stelling niet met schriftelijke bescheiden cijfermatig heeft onderbouwd, kan de rechtbank niet beoordelen of sprake is van een structurele verliespositie. Dit risico dient gelet op het voorgaande voor rekening van eiseres te komen. De omstandigheid dat de verhuurderheffing niet kan worden opgevangen door middel van extra huuropbrengsten is zonder nadere toelichting die ontbreekt onvoldoende. Het beroep faalt in zoverre eveneens.

Meer subsidiair: strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel?

11. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de verhuurderheffing leidt tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen in de zin van artikel 26 IVBPR en artikel 14 van het EVRM, omdat eigenaren van meer dan tien huurwoningen in de niet‑gereguleerde sector niet in de heffing worden betrokken. Indien wordt gesteld dat er geen relatie is tussen de inkomensafhankelijke huurverhoging en de verhuurderheffing ontbreekt een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking van de verhuurderheffing tot het gereguleerde segment, aldus eiseres.

12. De rechtbank stelt voorop dat niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen als discriminatie moet worden opgevat. Op fiscaal gebied komt de wetgever immers een ruime beoordelingsvrijheid toe. Aangezien in de onderwerpelijke wettelijke regeling geen onderscheid is gemaakt op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, moet de keuze van de wetgever worden geëerbiedigd, tenzij het daaruit voortvloeiende onderscheid evident van redelijke grond is ontbloot (vergelijk Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206).

13. Uit de parlementaire behandeling (Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3, p. 8) volgt dat de verhuurderheffing zich beperkt tot het gereguleerde segment, omdat de verhuurders die op die markt actief zijn belang hebben bij de stabiliteit en gewaarborgde inkomsten die door de overheid zijn gecreëerd door het verstrekken van objectsubsidies gericht op de bouw van sociale huurwoningen en door het bestaan van de huurtoeslag. Zo al sprake is van gelijke gevallen, is de keuze van de wetgever om de heffing te beperken tot het gereguleerde segment daarom niet evident van redelijke grond ontbloot. Van strijdigheid met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het beroep faalt in zoverre.

Meest subsidiair: grondslag verhuurderheffing

14. Eiseres is ten slotte van mening dat de heffingsmaatstaf in de aangifte verhuurderheffing 2014 te hoog is vastgesteld. Volgens haar dient de grondslag te worden verminderd met het totaal van de WOZ-waarden van de twee op 1 januari 2014 te koop staande woningen, te weten € 268.000.

15. Artikel 1.2, eerste lid, onder e, van de Wmw 2014 II bepaalt dat onder huurwoning wordt verstaan een in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden.

16. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de desbetreffende woningen te koop staan. Aangezien het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat de verhuurderheffing niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld, ligt het eveneens op zijn weg om aannemelijk te maken dat de desbetreffende woningen op 1 januari 2014 voor verhuur zijn bestemd. Hierin is verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd niet geslaagd. De verwijzingen naar passages uit de parlementaire behandeling (naar de rechtbank begrijpt Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 11, p. 20 en nr. 14, p. 45) kunnen verweerder in zoverre niet baten aangezien deze passages geen licht werpen op de vraag of woningen voor verhuur zijn bestemd. Leegstaande te huur aangeboden woningen en huurwoningen die worden gerenoveerd en daardoor op de peildatum niet zijn verhuurd, zijn immers steeds voor verhuur bestemd. Dat is bij te koop staande woningen naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Het beroep slaagt in zoverre. Voor dat geval staat onweersproken vast dat het totaal van de WOZ‑waarden moet worden verminderd met € 268.000 en de verschuldigde verhuurderheffing tot € 118.228 ((€ 32.281.000 -/- € 268.000 -/- € 981.994) * 0,381%).

17. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskostenvergoeding

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.236 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de verhuurderheffing 2014 tot € 118.228;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.236;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.M.M. Hidders‑Li, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 februari 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.