Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6964

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
5625192/HA VERZ 17-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer na een lange periode van (onder meer psychische) ziekte. Werknemer vernietigt de opzegging omdat werkgever zich er onvoldoende van had vergewist of werknemer zich bewust was van de ingrijpende gevolgen van het ontslag en vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de verzoeken af. Tijdens de ziekteperiode was er mediation geweest waarin de lucht tussen werknemer en werkgever is geklaard. Werknemer heeft de concept vaststellingsovereenkomst eerst mee naar huis genomen en heeft de overeenkomst vervolgens op het kantoor van de werkgever ondertekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 5625192 \ HA VERZ 17-1 \ 701 \ 456

uitspraak van 21 maart 2017

beschikking

in de zaak van

[verzoekende partij]

[adres verzoeker]

verzoekende partij

gemachtigde mr. M. Çankaya

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kroon Metal Technology B.V.

gevestigd te Wijchen

verzoekende partij

gemachtigde mr. M. Sahman

Partijen worden hierna [verzoekende partij] en KMT genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 29 december 2016 met producties

- de bij brief van 8 februari 2017 namens [verzoekende partij] toegezonden akte overlegging producties

- het verweerschrift met producties

- de bij e-mailberichten van 20 februari 2017 namens [verzoekende partij] toegezonden nadere producties

- de bij e-mailbericht van 20 februari 2017 namens KMT toegezonden nadere producties

- de mondelinge behandeling van 21 februari 2017, mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [verzoekende partij] en de gemachtigde van KMT.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij] is sinds 1 augustus 2013 bij KMT in dienst in de functie van algemeen productiemedewerker tegen een basissalaris van € 2.743,57 per maand, exclusief 8% vakantiebijslag en exclusief ploegentoeslag. Inclusief ploegentoeslag bedraagt het salaris
€ 3.127,67 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing.

2.2.

Op 14 maart 2016 is [verzoekende partij] uitgevallen wegens spanningsklachten. Op 15 maart 2016 heeft er een huisbezoek van de Arboarts plaatsgevonden. Uit het daarvan opgemaakt verslag volgt dat [verzoekende partij] op dat moment zelf verwachtte dat hij twee dagen later zijn werkzaamheden weer zou kunnen hervatten. Dit is niet gebeurd.

2.3.

Op 20 mei 2016 vindt een telefonisch verzuimconsult plaats. In een brief van dezelfde datum bericht de Arboverpleegkundige aan KMT dat [verzoekende partij] arbeidsongeschikt is gemeld als gevolg van fysieke en psychische problemen, welke grotendeels arbeids-gerelateerd zijn, maar waarvoor volgens [verzoekende partij] door KMT een oplossing zou worden gezocht. Tevens wordt gemeld dat [verzoekende partij] over vier weken diverse afspraken bij verschillende behandelaren heeft, waarna hij weer zal worden opgeroepen bij de bedrijfsarts om te beoordelen of er voor [verzoekende partij] re-integratiemogelijkheden zijn.

2.4.

In een brief van 17 juni 2016 van de Arboarts aan KMT wordt aan [verzoekende partij] en KMT geadviseerd opnieuw gesprekken te voeren over de problematiek, met als doel vast te leggen wat er speelt en samen te zoeken naar oplossingen ervoor, alsmede voor het vastleggen van een plan van aanpak. Zo partijen hier niet samen uit zouden komen wordt geadviseerd een externe deskundige/erkende mediator in te schakelen.

2.5.

Op 8 juli 2016 bericht de Arboverpleegkundige aan KMT dat het redelijk gaat met [verzoekende partij] en wordt geadviseerd alsnog het advies van de Arboarts in gang te zetten. Naar aanleiding hiervan is door KMT met [verzoekende partij] afgesproken dat [verzoekende partij] op 27 juli 2016 om 15.00 uur bij KMT langs zou komen. [verzoekende partij] heeft op diezelfde dag rond 15.30 uur aan KMT telefonisch meegedeeld dat hij zich had verslapen en niet naar KMT kon komen voor het gesprek over re-integratie. Hierop heeft KMT op 28 juli 2016 het volgende aan [verzoekende partij] bericht:

“(…)Wij zouden vandaag om 15.00 uur een (voortgangs)gesprek hebben bij mij op kantoor. Het gesprek zou gaan over het al dan niet ziek zijn en het al dan niet kunnen verrichten van (re-integratie-)activiteiten. Jij liet vorige week namelijk aan mij weten dat je weer graag aan de slag wilde gaan. (…) Voorts liet je weten dat je wel aanstaande maandag weer wilt beginnen met werken en dat je vanaf dat moment er weer voor 100% bent.

Als werkgever stellen wij vast dat de gemaakte afspraken met jou niet of onvoldoende door jou worden nagekomen en dat je grote moeite hebt om redelijke instructies van onze kant op te volgen. Je zult dat in de toekomst wel moeten gaan doen. Dit mede en met name omdat wij een arbeidsovereenkomst met elkaar hebben en dat onderdeel van deze arbeidsovereenkomst de gezagsverhouding betreft. De gezagsverhouding houdt in dat wij in principe loon aan jou betalen en dat jij als werknemer voor ons werkt en/of onze instructies opvolgt. Doe jij dit niet dan verspil je uiteindelijk je recht op loon en bestaat de mogelijkheid dat wij als werkgever nadere maatregelen/sancties zullen moeten treffen, daaronder wellicht begrepen ontslag (op staande voet).

Vooralsnog gaan we er echter vanuit dat wij kunnen volstaan met een officiële waarschuwing en dat je aanstaande maandag je meldt op het werk en weer aan de slag gaat, zoals je vandaag hebt aangegeven. Of je aan de slag gaat, bepaald je uiteindelijk zelf. Daarbij spreekt het voor zich dat wij van onze kant de verantwoordelijkheid nemen die op een goed werkgever rust; jij van jouw kant zult de verantwoordelijkheid moeten nemen die op een goed werknemer rust.

(…)”

[verzoekende partij] heeft zich op 1 augustus 2016 op het werk gemeld, maar heeft zich kort na aanvang van zijn werkzaamheden weer ziek gemeld.

2.6.

Op 15 augustus 2016 heeft mediation plaatsgevonden. Na de succesvolle mediation heeft [verzoekende partij] op 16 augustus 2016 een afspraak bij de Arboarts gehad. De conclusie en advies van het daarvan opgemaakt rapport luiden:

“Werknemer geeft aan dat er een mediation gesprek heeft plaatsgevonden, dit heeft werknemer als positief ervaren. Prognose is momenteel moeilijk in te schatten, wel is het duidelijk dat werknemer gebaat is bij rust, ritme, regelmaat, geadviseerd om voor de eerste periode vast diensttijden af te spreken.
Afgesproken dat rekening houdend met de beperkingen, vanaf de week van 22-08-2016 langzaam opgebouwd dient te worden in uren.

Advies: week 22-08-2016: 3x3 met tussentijdse dagen (…), 12-09-2016: uitbreiden naar 3x4 uur

Werknemer komt over 4 weken terug op het spreekuur van de arts.”

2.7.

KMT heeft bij e-mailbericht van 18 augustus 2016 opgeroepen voor maandag 22 augustus 2016 te 10.00 uur. Daarbij heeft KMT tevens opgemerkt dat, nu de Arboarts niet heeft verklaard dat [verzoekende partij] niet met het openbaar vervoer kan komen, van [verzoekende partij] wordt verwacht dat hij per openbaar vervoer naar het werk komt. [verzoekende partij] heeft bij e-mailbericht van 19 augustus 2016 geantwoord dat hij niet met het openbaar vervoer naar het werk kan komen, maar heeft dat op 22 augustus 2016 toch gedaan.

2.8.

In het kader van de verzuimbegeleiding heeft de Arboarts op 9 september 2016 aan KMT bericht:

“(…)

Beperkingen:

Rubriek III Sociaal functioneren: Betrokkene is beperkt omtrent vervoer, auto rijden lukt hem nog niet, openbaar vervoer lukt met moeite.

(…)

Conclusie en advies:

Werknemer geeft aan dat er een mediation gesprek heeft plaatsgevonden, dit heeft werknemer als positief ervaren. De knelpunten zijn nu verleden tijd hierdoor.

(…)

Vervolg re-integratieschema:

(…)

Wanneer werknemer voor 50% in uren aanwezig kan zijn en daarbij voor 80% van het eigen werk inhoudelijk weer belast kan worden, is verdere uitbreiding mogelijk.

(…)”

2.9.

[verzoekende partij] heeft zich op 19 september 2016 ziek gemeld in verband met “bijkomende fysieke klachten”. Naar aanleiding van het telefonisch verzuimconsult van 30 september 2016, heeft de Arboverpleegkundige aan KMT bericht dat er op die dag een onderzoek is geweest, waar [verzoekende partij] de week daarop de uitslag van zou krijgen. Uit een bericht van
14 oktober 2016 volgt voorts dat uit de onderzoeken bij [verzoekende partij] geen afwijkingen zijn gevonden en dat aan [verzoekende partij] is meegedeeld contact met KMT om te nemen om te starten met re-integreren. [verzoekende partij] heeft vervolgens na overleg met KMT in de week van 24 oktober 2016 vakantie opgenomen. Vanaf maandag 31 oktober 2016 zou hij dan starten met re-integratiewerkzaamheden.

2.10.

Bij persoonlijk overhandigde brief van 27 oktober 2016 heeft [verzoekende partij] de arbeidsovereenkomst met KMT per de eerst mogelijke datum willen beëindigen. In reactie hierop is tussen partijen gesproken en is door KMT aan [verzoekende partij] een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Deze vaststellingsovereenkomst is door [verzoekende partij] op 31 oktober 2016 op het kantoor van KMT door [verzoekende partij] ondertekend.

2.11.

Bij brief van 16 november 2016 aan (de gemachtigde van) KMT is de opzeggingsbrief buitengerechtelijk vernietigd en bij faxbericht van 7 november 2016 is namens [verzoekende partij] de vaststellingsovereenkomst ontbonden. KMT heeft [verzoekende partij] hierop aan zijn opzegging van 27 oktober 2016 gehouden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter, beknopt weergegeven en na vermindering van zijn eis met de aanvankelijk ingestelde vordering tot betaling van opgebouwde, doch niet genoten vakantie-uren, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [verzoekende partij] de opzegging van 27 oktober 2016 rechtsgeldig heeft vernietigd, dan wel de opzegging te vernietigen, ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van de transitievergoeding, een billijke vergoeding, achterstallig loon, wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van KMT in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de te geven beschikking.

3.2.

[verzoekende partij] baseert zijn verzoek, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen.

[verzoekende partij] heeft kort na indiensttreding meerdere malen geklaagd over de omstandigheden waaronder de werkzaamheden bij KMT moeten worden verricht, maar KMT heeft hier niets aan gedaan. Ook heeft KMT zich meerdere keren dwingend opgesteld jegens hem met betrekking tot te verrichten overwerk. Ondanks dat KMT hierin beterschap beloofde, is daar niets van gekomen. KMT is door aldus te handelen tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht ex art. 7:658 BW. Als gevolg hiervan heeft [verzoekende partij] klachten van overspannenheid en stress ervaren. Uiteindelijk heeft dit geleid tot het op 14 maart 2016 ophalen van [verzoekende partij] per ambulance en zijn uitval nadien.

Omdat KMT ten aanzien van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verzoekende partij] niet zonder meer op de verklaring van [verzoekende partij] heeft mogen vertrouwen, vordert hij de vernietiging van die opzegging. KMT had zich ervan dienen te vergewissen of [verzoekende partij] zich bewust was van de ingrijpende gevolgen welke een ontslag voor hem zouden hebben. Dit klemt in dit geval te meer nu KMT ervan op de hoogte was dat bij [verzoekende partij] sprake was van langdurige psychische problematiek. Het had op de weg van KMT gelegen om, toen zij de opzeggingsbrief van [verzoekende partij] ontving, aan de bedrijfsarts te vragen of [verzoekende partij] volledig handelingsbekwaam was en in hoeverre hij de gevolgen van zijn handelen kon overzien. Dit heeft KMT niet gedaan. Daarmee heeft zij misbruik gemaakt van omstandigheden als bedoeld in art. 3:44 BW. Daar komt nog bij dat KMT ten onrechte aan [verzoekende partij] heeft meegedeeld dat diens rechten op een WW-uitkering door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zouden zijn gewaarborgd.

[verzoekende partij] is op grond van het vorenstaande van mening dat hij de opzeggingsbrief van
27 oktober 2016 rechtsgeldig heeft vernietigd, dan wel verzoekt de kantonrechter deze alsnog te vernietigen. Hij voegt daar nog aan toe dat hij meent dat verdere voortzetting van de arbeidsovereenkomst echter redelijkerwijs niet meer van hem gevergd kan worden en verzoekt de kantonrechter dan ook de arbeidsovereenkomst per 14 december 2016 te ontbinden, de datum waarop hij elders in dienst is getreden.

3.3.

KMT voert gemotiveerd verweer. Hierop wordt – voor zover voor de beslissing van belang – hieronder bij de beoordeling ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekende partij] heeft het verzoek tijdig binnen de in artikel 686a lid 4 onder a sub 2 juncto 7:681 BW gestelde termijn ingediend, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek.

4.2.

KMT ontkent dat zij tekortgeschoten zou zijn in haar zorgplicht jegens [verzoekende partij] waar het de omstandigheden betreft waaronder [verzoekende partij] zijn werkzaamheden diende te verrichten, alsmede dat door het uitblijven dan wel niet tijdig nemen van maatregelen door KMT de klachten van [verzoekende partij] zouden zijn verergerd. Ter onderbouwing daarvan heeft KMT, naar het oordeel van de kantonrechter terecht, gewezen op de door [verzoekende partij] zelf als productie 26 overgelegde verklaring van [naam 1], waarin is opgenomen:
“(…) Cliënt heeft een half jaar voor zijn ziekmelding de eerste paniekklachten ontwikkeld na een dronken bui, waarna hij steeds meer herinneringen aan zijn overleden vader kreeg. Cliënt heeft in de weken en maanden daarna meerdere paniekaanvallen gehad, toenemend in ernst en frequentie. Cliënt ging wel aldoor werken, maar moest zich vaker ziek melden omdat hij door paniekaanvallen het op het werk niet trok.(…)”

De conclusie kan op grond van het vorenstaande geen andere zijn dan dat het verweer van KMT op dit punt slaagt. [verzoekende partij] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen, dat de klachten van [verzoekende partij] zouden zijn ontstaan als gevolg van de werkomstandigheden binnen KMT en vervolgens zouden zijn verergerd als gevolg van het uitblijven van maatregelen op dit gebied. Dit klemt te meer waar uit het hiervoor onder 2.8. aangehaalde citaat volgt dat de knelpunten na de geslaagde mediation ook volgens [verzoekende partij] tot de verleden tijd behoorden.

4.3.

Vaststaat dat de vaststellingsovereenkomst op 7 november 2016 namens [verzoekende partij] is ontbonden. Dit betekent dat het geding zich thans toespitst op de beantwoording van de vraag of de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan (standpunt [verzoekende partij]), omdat [verzoekende partij] de opzeggingsbrief buitengerechtelijk heeft vernietigd, dan wel of [verzoekende partij], gelet op alle omstandigheden van het geval, gehouden kan worden aan zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst (standpunt KMT). KMT betwist dat [verzoekende partij] ten tijde van de opzegging onder invloed van een stoornis van zijn geestesvermogens verkeerde en/of dat er bij [verzoekende partij] sprake was van een hevige gemoedstoestand op grond waarvan hij niet aan die opzegging zou kunnen worden gehouden. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

4.4.

KMT heeft ter onderbouwing van haar standpunt, naar het oordeel van de kantonrechter terecht, verwezen naar de door haar van de Arboarts ontvangen verslagen, in het bijzonder het meest recente verslag van 14 oktober 2016, waarvan de strekking hiervoor onder 2.9. is weergegeven. Noch uit dit, noch uit de eerdere verslagen heeft KMT kunnen dan wel moeten concluderen dat er bij [verzoekende partij] sprake was van zodanig langdurige psychische problematiek op grond waarvan KMT bij de bedrijfsarts had moeten navragen of [verzoekende partij] wel volledig handelingsbekwaam was en in hoeverre hij de gevolgen van zijn handelen kon overzien, zoals door [verzoekende partij] is betoogd.

4.5.

Vervolgens moet dan beoordeeld worden of er op het moment van de overhandiging van de opzeggingsbrief zelf door [verzoekende partij] voor KMT duidelijk moet zijn geweest “dat [verzoekende partij] onder invloed van een psychische stoornis en/of een hevige gemoedsbeweging verkeerde, op grond waarvan KMT er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verzoekende partij] gericht op het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst”. [verzoekende partij] meent dat hiervan sprake is geweest en verwijst daartoe naar de door hem overgelegde verklaring van de heer [naam bedrijfsarts], bedrijfsarts bij Incentivo Medical Consultancy B.V. (productie 17 bij verzoekschrift). Echter, als onweersproken staat vast dat deze bedrijfsarts zijn conclusie baseert op slechts één telefonisch onderhoud met [verzoekende partij]. Hiertegenover staan de verklaringen van de door KMT ingeschakelde Arboarts en het door KMT als productie 3 overgelegde antwoord van de arbeidsdeskundige op vragen van (de gemachtigde van) KMT, waaruit volgt dat bij het oordeel van de Arboarts wordt gebleven dat [verzoekende partij] niet voldeed aan de criteria Geen Benutbare Mogelijkheden, alsmede dat het hebben van een paniekaanval niet betekent dat er ondoordachte besluiten worden genomen, zeker niet indien de arbeidsrelatie inmiddels door middel van mediation is genormaliseerd.

Daar komt nog bij dat de brief van [verzoekende partij] er – puur tekstueel gezien – duidelijk en ondubbelzinnig op was gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstellingen, almede dat KMT – onvoldoende gemotiveerd weersproken – [verzoekende partij] uitdrukkelijk heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van die opzegging voor hem, en dat KMT zelfs, ter mogelijke voorkoming van die voor [verzoekende partij] ongewenste gevolgen, [verzoekende partij] een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden. [verzoekende partij] heeft deze overeenkomst mee naar huis genomen en is een paar dagen later, op 31 oktober 2016, naar het kantoor van KMT gekomen om deze – onweersproken – in alle rust en in een prettige sfeer, te ondertekenen.

De kantonrechter is van oordeel dat onder al deze omstandigheden niet geoordeeld kan worden dat KMT had kunnen c.q. moeten weten dat [verzoekende partij] ten tijde van de opzegging onder invloed van een psychische stoornis verkeerde of dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging op grond waarvan KMT er niet gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verzoekende partij] gericht op het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat KMT [verzoekende partij] aan deze opzegging mocht houden, dat deze naar het oordeel van de kantonrechter niet vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden als bedoeld in art. 3:33 BW en dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van deze (eenzijdige) opzegging door [verzoekende partij] is geëindigd.

4.6.

Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot het oordeel dat de vorderingen van [verzoekende partij] worden afgewezen.

4.7.

[verzoekende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van KMT begroot op € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.