Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:694

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6510
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alcoholslotprogramma. Art. 4:6 Awb. Herzieningsverzoek. Geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Niet terugkomen op besluit niet evident onredelijk. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 131
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/24

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/6510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) te Rijswijk, verweerster.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2015 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerster het verzoek tot herziening van het besluit van 26 januari 2012, waarbij aan eiser een alcoholslotprogramma (hierna: asp) is opgelegd en eisers rijbewijs ongeldig is verklaard, afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2015 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017. Eiser is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mevrouw

S.J.M. van der Ark.

Overwegingen

1. Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiser heeft daartoe op 3 januari 2016 een verklaring omtrent inkomen en vermogen en loonstroken overgelegd. Gelet op deze verklaring en de overgelegde loonstroken is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiser vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

2. Bij besluit van 26 januari 2012 heeft verweerster aan eiser een asp opgelegd en zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Dit besluit is genomen naar aanleiding van een mededeling van de politie Groningen als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Eiser heeft tegen dit besluit pro-forma bezwaar ingediend. Verweerster heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser zijn bezwaar niet heeft aangevuld. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

3. Bij brief van 1 mei 2015 heeft eiser verzocht om herziening van het besluit van
26 januari 2012. Verweerster heeft dit verzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit.

4. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerster ten grondslag dat eiser bij het verzoek om herziening geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld.

5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser heeft zijn gronden van bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2012 niet aangevuld, omdat hij het idee had dat zijn bezwaar geen kans van slagen had. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622) en de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) geven eiser het idee dat zijn bezwaar met die jurisprudentie wel kans van slagen zou hebben gehad. Verweerster had volgens eiser gezien de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 zijn belangen moeten afwegen bij de oplegging van het asp.

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1503) en 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3387), blijkt dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid vormt. Daar komt bij dat de Afdeling in zijn uitspraak van 4 maart 2015 overweegt dat verweerster niet gehouden is om reeds in rechte onaantastbaar geworden besluiten tot oplegging van een asp te heroverwegen.

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

7. Gezien voornoemde uitspraken van de Afdeling was verweerster niet gehouden tot herziening van het eerder genomen besluit. In hetgeen eiser heeft aangevoerd kan evenmin grond gevonden worden voor het oordeel dat het besluit van verweerster om niet terug te komen van het besluit van 26 januari 2012 evident onredelijk is. Van strijd met nationaal of internationaal recht is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Eiser voert verder aan dat verweerster bij het nemen van het bestreden besluit de hoorplicht heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:191 vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. De rechtbank oordeelt dat verweerster, gelet op de voornoemde jurisprudentie van 4 maart 2015, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was. Van horen mocht hierdoor worden afgezien. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser heeft de rechtbank tot slot verzocht om verweerster te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade, te weten onder andere een vergoeding voor studievertraging, een vergoeding voor alle uren gespendeerd aan het corresponderen met het CBR en het bezoeken van uitleesstations en cursussen.

De rechtbank overweegt dat onderwerp van dit geschil enkel het bestreden besluit betreft. Uit artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, blijkt dat alleen bij een onrechtmatig besluit een schadevergoeding aan de orde kan zijn. Zoals de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen, is van een onrechtmatig besluit geen sprake. Het verzoek tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Noordam, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.