Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6933

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
C/05/268527/ HA ZA 14-433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:2017:6932. Rechtbank wil vragen over Turks recht conform de in artikel 67 Rv genoemde Europese overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, door tussenkomst van het Ministerie van Justitie in Den Haag, voorleggen aan het Turkse Ministerie van Justitie. Rolverwijzing voor uitlating door partijen over o.a. de te stellen vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/268527 / HA ZA 14-433 (357\547)

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Antalya,

eiser,

advocaat mr. H. van Beek-Killi te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. I. van Bekkum te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 mei 2017 (hierna: het tussenvonnis)

  • -

    de akte uitlating tevens houdende vermeerdering van eis van [eiser] van 7 juni 2017

  • -

    de akte uitlating naar aanleiding van tussenvonnis, tevens houdende overlegging producties van [gedaagde] van 7 juni 2017

  • -

    de akte houdende uitlating naar aanleiding van tussenvonnis van [eiser] van 5 juli 2017

  • -

    de akte houdende uitlating vermeerdering van eis, tevens antwoordakte naar aanleiding van tussenvonnis van [gedaagde] van 5 juli 2017

  • -

    de antwoordakte naar aanleiding van overgelegde producties, tevens akte overlegging productie van [gedaagde] van 2 augustus 2017.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en blijft bij het tussenvonnis. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij aanleiding ziet zich door een deskundige te laten voorlichten over het in deze zaak toepasselijke Turkse recht en de daaraan in deze zaak te verbinden gevolgen. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de voorgenomen deskundigenbenoeming en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De zaak is daartoe verwezen naar de rol.

2.2.

Partijen hebben daarop achtereenvolgens de onder 1.1 genoemde akten genomen. Bij gelegenheid van hun laatste akte hebben [eiser] en [gedaagde] beiden verzocht de te beantwoorden vragen conform de in artikel 67 Rv genoemde Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht voor te leggen aan het Turkse Ministerie van Justitie.

2.3.

De rechtbank gaat hierin mee en zal de hierna te noemen vragen langs de daarvoor voorgeschreven weg – te weten door tussenkomst van het Ministerie van Justitie te Den Haag, dat blijkens de bovengenoemde Europese Overeenkomst door Nederland als verzendend orgaan is aangewezen – voorleggen aan het Ministerie van Justitie in Ankara. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals [gedaagde] in zijn akte van 7 juni 2017 voorstelt, in de onderhavige procedure andermaal af te wachten hoe de rechtbank in Antalya oordeelt in de daar aanhangige procedure tussen partijen, die inmiddels in verband met getuigenverhoor en deskundigenonderzoek is aangehouden. De onderhavige zaak duurt al ruim drie jaar, zonder dat het al tot een inhoudelijke beoordeling heeft kunnen komen, en is niet gediend met nog meer vertraging.

2.4.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank al uiteengezet dat zij naar Turks recht zal moeten beoordelen:

1) of één van partijen, of mogelijk beide partijen, is/zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn/hun verbintenis uit de overeenkomst;

2) tot welk moment [gedaagde] van de overeenkomst kon/kan afzien;

3) of de vordering tot nakoming van [eiser] toewijsbaar is, of dat grond bestaat voor ontbinding of een geslaagd beroep op een opschortingsrecht door [gedaagde].

2.5.

Blijkens zijn akte van 7 juni 2017 wil [gedaagde] in aanvulling op deze door de rechtbank geformuleerde vragen de vraag beantwoord zien of, als het de bedoeling van partijen zou zijn geweest dat [gedaagde] slechts van de overeenkomst kon afzien tot het moment dat hij de aandelen had verkregen, dit dan naar Turks recht uitdrukkelijk in de overeenkomst had moeten zijn opgenomen, dan wel hoe naar Turks recht moet worden beoordeeld of en in hoeverre een dergelijke voorwaarde kan worden gestipuleerd dan wel bewezen. Verder verzoekt [gedaagde] de vraag te stellen of [gedaagde] inderdaad naar Turks recht ingeval van bedrog, dwaling of vergelijkbaar wilsgebrek zich binnen een jaar na het sluiten van de overeenkomst van de gevolgen van de overeenkomst kan bevrijden en, zo ja, op welke wijze. Ten slotte wil [gedaagde] weten in hoeverre de door hem gestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot bedrog, indien bewezen, naar Turks recht ertoe leiden dat hij is bevrijd van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien en aanspraak heeft op terugbetaling van de door hem aan [eiser] betaalde gelden.

2.6.

[eiser] kan instemmen met de door de rechtbank geformuleerde vragen en heeft geen aanvullende vragen. Hij maakt wel bezwaar tegen de door [gedaagde] voorgestelde vragen. Volgens [eiser] worden de vragen van [gedaagde] al ondervangen door de door de rechtbank geformuleerde vragen en zijn zij niet relevant bij de beslechting van het geschil tussen partijen.

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de door [gedaagde] voorgestelde vragen een relevante aanvulling op de in het tussenvonnis geformuleerde vragen en worden zij niet – volledig – door de vragen in het tussenvonnis ondervangen. Uitzondering hierop is het laatste deel van de derde vraag, over een eventuele aanspraak van [gedaagde] op terugbetaling van de door hem aan [eiser] betaalde gelden. [gedaagde] heeft immers geen daartoe strekkende vordering in reconventie ingediend, zodat de rechtbank niet inziet waarom daarover een vraag zou moeten worden beantwoord. Met inachtneming hiervan neemt de rechtbank de vragen van [gedaagde] verder over. Aan het Ministerie van Justitie te Ankara zullen dan ook de volgende vragen worden voorgelegd, uit privacyoverwegingen zonder daarbij de namen van partijen te noemen:

  1. Is één van partijen, of zijn mogelijk beide partijen, naar Turks recht tekortgeschoten in de nakoming van zijn/hun verbintenis uit de overeenkomst?

  2. Tot welk moment kon/kan de gedaagde partij naar Turks recht van de overeenkomst afzien?

  3. Als het de bedoeling van partijen zou zijn geweest dat de gedaagde partij slechts van de overeenkomst kon afzien tot het moment dat hij de aandelen had verkregen, had dit dan naar Turks recht uitdrukkelijk in de overeenkomst moeten zijn opgenomen? Hoe moet naar Turks recht worden beoordeeld of en in hoeverre een dergelijke voorwaarde kan worden gestipuleerd dan wel bewezen?

  4. Is de vordering tot nakoming van de eisende partij naar Turks recht toewijsbaar, of bestaat naar Turks recht grond voor ontbinding of een geslaagd beroep op een opschortingsrecht door de gedaagde partij?

  5. Kan de gedaagde partij zich naar Turks recht in geval van bedrog, dwaling of vergelijkbaar wilsgebrek binnen een jaar na het sluiten van de overeenkomst van de gevolgen van de overeenkomst bevrijden en, zo ja, op welke wijze?

  6. In hoeverre leiden de door de gedaagde partij gestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot bedrog, indien bewezen, er naar Turks recht toe dat hij is bevrijd van de verplichtingen die uit de overeenkomsten voortvloeien?

  7. Zijn er verder nog relevante juridische kwesties waarvan de Nederlandse rechter op de hoogte moet zijn om een beslissing te kunnen nemen in dit geschil en zo ja, welke?

2.8.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat ter beantwoording van deze vragen kan worden volstaan met toezending aan het Ministerie van Justitie te Ankara van de onderstaande samenvatting van het geschil, wederom zonder vermelding van de namen van partijen:

a) De eisende partij is bestuurder van een Turkse onderneming. De onderneming is gevestigd in Antalya, Turkije.

b) Op 6 december 2013 hebben de eisende partij en de gedaagde partij in Turkije een overeenkomst gesloten, in het kader waarvan de gedaagde partij 50% van de aandelen in de onderneming heeft gekocht van de eisende partij tegen een bedrag van € 1.500.000,00. Er moest door de gedaagde partij nog een hotel worden verkocht om zo geld vrij te maken. Een Nederlandse vertaling van deze overeenkomst luidt onder meer als volgt:
[…] € 400.000 zal bij vooruitbetaling worden betaald, verder zal er maandelijks € 10.000 worden betaald, dus € 100.000 in 10 maanden, terwijl [de gedaagde partij] de resterende € 1.000.000,00 zal geven nadat hij zijn vorderingen met betrekking tot zijn hotel heeft ontvangen.

[…]

Zolang de formaliteiten ten aanzien van de aandelenoverdracht voortduren, zal er een schuldbekentenis worden verstrekt ter zekerheid van de ontvangen € 400.000. Bij afronding van de aandelenoverdracht zal de schuldbekentenis worden teruggegeven.

Indien [de gedaagde partij] om enigerlei reden afziet van een en ander, kan hij het door hem gegeven geld terugkrijgen (waarbij hij een redelijke termijn dient toe te kennen). […]

c) De aandelen zijn overgedragen aan de gedaagde partij na een daartoe strekkend besluit van de Raad van Bestuur van de onderneming van 5 december 2013 te Antalya. Van de overdracht is mededeling gedaan in het aandeelhoudersregister te Antalya. Verder is het herziene aandeelhoudersoverzicht ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Industrie te Antalya en heeft publicatie van de aandelenoverdracht plaatsgevonden in de Handelsregistercourant Turkije.

d) De gedaagde partij heeft – tegen ontvangst van de overeengekomen schuldbekentenis – een bedrag van € 400.000,00 aan de eisende partij betaald.

e) In een Nederlandse vertaling van een brief van de Turkse advocaat van de gedaagde partij aan ‘het 5e Notariaat te Antalya’ van 16 juni 2014 wordt namens de gedaagde partij meegedeeld dat hij uit de vennootschap wil treden en het door hem betaalde bedrag binnen zeven dagen teruggestort wil hebben omdat de onderneming haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt. De gedaagde partij is kort gezegd van mening dat de door hem gedane aanbetaling niet is aangewend voor de overeengekomen investering in machines en toebehoren, maar dat de eisende partij het geld in eigen zak heeft gestoken.

f) Bij brief van 9 juli 2014 heeft de raadsman van de eisende partij de gedaagde partij verzocht en voor zover nodig gesommeerd om de achterstallige termijnbetalingen over de maanden januari tot en met juli 2014 oftewel € 70.000,00 en het uiterlijk in juni 2014 verschuldigde bedrag van € 1.000.000,00, samen € 1.070.000,00, alsnog te voldoen en de nog resterende deelbetalingen tijdig te voldoen. De gedaagde partij heeft hieraan geen gehoor gegeven.

g) De eisende partij heeft de gedaagde partij in Nederland gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, en kort gezegd de nakoming gevorderd door de gedaagde partij van diens verplichtingen uit de onder b) bedoelde overeenkomst. De eisende partij legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gedaagde partij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Hiertoe voert de eisende partij aan dat de gedaagde partij de schuldbekentenis niet heeft teruggegeven en – op de betaling van € 400.000,00 na – niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. De vordering strekt tot nakoming en tot vergoeding van de schade die de eisende partij stelt te hebben geleden als gevolg van de tekortkoming van de gedaagde partij.

h) De gedaagde partij voert verweer en stelt zich op het standpunt dat de eisende partij de gemaakte afspraken jegens hem niet is nagekomen vanwege het niet aanwenden van de aanbetaling in machines en toebehoren en door het geld in eigen zak te steken. De gedaagde partij betoogt verder dat hij in totaal € 550.000,00 aan de eisende partij heeft betaald: naast het bedrag van € 400.000,00 ook nog een bedrag van € 150.000,00 contant. Hij meent dat hij nog steeds kan afzien van de overeenkomst en dat hij dan zijn geld terugkrijgt, en dat het nooit de bedoeling is geweest dat hij die mogelijkheid slechts zou hebben tot het moment van de aandelenoverdracht, zoals de eisende partij beweert. Volgens de gedaagde partij is het resterende bedrag van € 1.000.000,00 ook nog niet opeisbaar, omdat aan de voorwaarde voor betaling, namelijk dat het geld uit het hotel zou vrijkomen, nog niet is voldaan. Hij voert aan dat hij niet heeft gekregen wat hij heeft gekocht, omdat de onderneming grote schulden blijkt te hebben. De gedaagde partij beroept zich op ontbinding van de overeenkomst en in ieder geval op opschorting van zijn eventueel nog bestaande eigen verplichtingen.

i) De gedaagde partij heeft meerdere procedures tegen de eisende partij aanhangig gemaakt bij de Turkse rechter in Antalya. Daarin heeft hij onder meer toestemming gevorderd om uit de vennootschap te treden, alsmede ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van de door hem betaalde € 400.000,00. Bij vonnis van 16 juni 2016 heeft de Turkse rechter de vorderingen van de gedaagde partij afgewezen. De gedaagde partij is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

2.9.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen gelijktijdig in de gelegenheid te stellen zich – overeenkomstig artikel 67 lid 2 Rv – nog eenmaal uit te laten over de te stellen vragen, de aan het Turkse Ministerie van Justitie te verzenden stukken en de hierboven vermelde samenvatting van het geschil. [eiser] wordt daarbij als eisende partij verzocht een vertaling in de Turkse taal van de onder 2.7 geformuleerde vragen en de onder 2.8 weergegeven samenvatting van het geschil aan te leveren. Partijen zullen vervolgens de gelegenheid krijgen om op een termijn van vier weken op elkaars akte te reageren. [gedaagde] kan zich bij die gelegenheid ook uitlaten over de door [eiser] aangeleverde vertaling. Wat betreft de aan de Turkse autoriteit mee te sturen stukken komt het de rechtbank dienstig voor wanneer (kopieën van) de volgende originele, in de Turkse taal gestelde stukken worden meegestuurd: de overeenkomst van 6 december 2013 (zie hierboven 2.8 onder b) en de brief van de Turkse advocaat van [gedaagde] aan ‘het 5e Notariaat te Antalya’ van 16 juni 2014 (zie hierboven 2.8 onder e).

2.10.

[eiser] heeft bij zijn akte van 7 juni 2017 ook nog zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu in hoofdsom een bedrag van € 1.100.000,00. Daartoe voert hij aan dat [gedaagde] vanaf januari 2014 een deel van de koopsom, te weten € 100.000,00, in maandelijkse termijnen van € 10.000,00 zou voldoen. Ten tijde van de dagvaarding was daarvan een zevende deel oftewel € 70.000,00 verschuldigd. Inmiddels is het gehele bedrag van € 100.000,00 (plus € 1.000.000,00) verschuldigd, aldus [eiser]. [eiser] vermeerdert zijn eis daarom met € 30.000,00.

2.11.

[gedaagde] heeft zich in zijn akte van 5 juli 2017 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de eisvermeerdering. De rechtbank staat de eisvermeerdering toe, nu [eiser] daartoe op grond van artikel 130 lid 1 Rv bevoegd is en niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] daardoor in zijn verdediging wordt bemoeilijkt of dat het geding er onredelijk door wordt vertraagd.

2.12.

In afwachting van de aktewisseling zal de rechtbank nu iedere verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 25 oktober 2017 voor een door beide partijen gelijktijdig te nemen akte als bedoeld onder 2.9, waarna partijen op een termijn van vier weken gelijktijdig op elkaars akte mogen reageren;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

Coll.: JC