Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6931

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
05/840118-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen door politieambtenaren, uitsluiting van bewijs, vrijspraak. Drugsgerelateerde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840118-16

Datum uitspraak : 22 december 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1]

raadsman: mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 december 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 november 2015, te Valburg, in de gemeente Overbetuwe, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten: - 2184 stuks zogenaamde papperpotjes (kant en klare groeipotjes met daarin hennepzaad/stekken) en/of - 4 liter, althans een hoeveelheid meststof voor (hennep)stekjes (Clone Easy) en/of - 5 pakjes bestrijdingsmiddel tegen dopluis, wollluis en spint (Ecostyle Promanal-R) dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten: een (groot) bedrag aan geld (tot een totaalbedrag van 5751,75 Euro), waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot

het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de

Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 4 november 2015 tot en met 5 november 2015,

in de gemeente Tiel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/garagebox aan de

[adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1000, althans een

groot aantal hennepplanten en/of stekken van hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 november 2015, in de gemeente Geldermalsen, meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3] te Geldermalsen) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 668, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet, terwijl dit/deze gepleegde feit(en) (mede) betrekking heeft/hebben op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten ongeveer 668 hennepplanten, althans meer

dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

4.

hij in of omstreeks de periode van 6 januari 2015 tot en met 6 november 2015, in de gemeente Geldermalsen, meermalen, in elk geval eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma Liander, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

2 Overwegingen van de rechtbank

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte hiervoor wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat het doorzoeken van de auto van verdachte onrechtmatig is geweest en dat het bewijs dat hieruit vergaard is dient te worden uitgesloten.

Beoordeling door de rechtbank
Het politieonderzoek is gestart op het moment dat verdachte [verdachte] staande wordt gehouden. De reden voor de staandehouding was dat de losbreekreminrichting van de aanhangwagen die aan de bestelbus van [verdachte] was gekoppeld niet goed was aangebracht. Verbalisant [naam] schrijft verder in het proces-verbaal van bevindingen dat hiervan is opgemaakt dat hij in het kader van de Wet Goederenvervoer aan verdachte [verdachte] heeft gevraagd of hij de bestelbus bedrijfsmatig gebruikte en wat de lading van zijn bus was. Hierop zou [verdachte] hebben gezegd: “Kijk maar, het zijn peperpotjes”, waarop [verdachte] zelf het achterportier van de bestelbus zou hebben geopend.

Verdachte [verdachte] ontkent met klem dit te hebben gezegd. Ook ontkent hij dat hij zelf de bestelbus geopend zou hebben. [verdachte] stelt dat hem gesommeerd was bij de ene verbalisant te blijven staan terwijl de andere verbalisant het achterportier opende.

In de bestelbus zijn vervolgens potjes aangetroffen waarvan verbalisant [naam] , met vermelding dat hij de opleiding “Betreden van hennepkwekerijen” met goed gevolg heeft afgelegd, noteert dat dit kweekpotjes voor hennep betreffen en dat deze voorzien zijn van hennepzaad. Ook is een tas met groeimiddelen die worden gebruikt voor hennepteelt aangetroffen. Hierop is verdachte [verdachte] aangehouden en is zijn bestelbus in beslag genomen. In de bestelbus zijn verder sleutels en een huurovereenkomst gevonden die uiteindelijk hebben geleid tot de verdenking ten aanzien van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

De rechtbank overweegt als volgt. Het is onduidelijk welke bevoegdheid de verbalisant heeft uitgeoefend met zijn vraag naar het bedrijfsmatig gebruik van de bestelbus en de lading. De door hem genoemde Wet Goederenvervoer kan daartoe niet de grondslag zijn. Deze “Wet goederenvervoer over de weg” is immers met ingang van 1 mei 2009 ingetrokken en vervangen door de Wet wegvervoer goederen. Het door verbalisant gehanteerde begrip bedrijfsmatig gebruik van een motorvoertuig komt in deze wet niet voor. Daarnaast geeft deze wet verbalisanten geen bijzondere bevoegdheid, al aangenomen dat er gegronde reden was te vermoeden dat door verdachte [verdachte] zou zijn gehandeld in strijd met enig voorschrift van de Wet wegvervoer goederen of de daarop gebaseerde Regeling wegvervoer goederen, om hem te vragen naar de lading van zijn bestelbus. Nu verbalisant ten onrechte heeft gepretendeerd dat hij bevoegdheden had tot het controleren van de lading van de bus van verdachte [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat verbalisanten onrechtmatig hebben gehandeld. Dit onrechtmatig handelen ligt ten grondslag aan het ontstaan van de verdenking tegen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Op grond van de door verbalisant [naam] gestelde vragen heeft verdachte [verdachte] immers, zoals verbalisant in zijn ambtsedig proces-verbaal vermeldt, de deur van zijn bus geopend en gezegd dat zich peperpotjes in de laadruimte van de bus aanwezig waren. Op dat handelen en aantreffen is de verdere opsporing in deze zaak gebaseerd.


Het vorenstaande in aanmerking genomen, constateert de rechtbank dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt. De rechtbank moet daarom beoordelen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren: ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’, ‘de ernst van het verzuim’ en ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Het rechtsgevolg moet door deze factoren worden gerechtvaardigd.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Door hun onrechtmatig handelen hebben verbalisanten inbreuk gemaakt op het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verdachte [verdachte] . Zij hebben ongegrond zijn bestelbus doorzocht. Verdachte [verdachte] heeft onderzoek aan zijn auto moeten dulden.

Op grond van vorenstaande factoren en gelet op het directe verband tussen het onherstelbare vormverzuim, de schending van een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en het als gevolg van die schending verkregen bewijsmateriaal (de kweekpotjes, de zak met groeimiddel, de sleutels en de huurovereenkomst) , komt de rechtbank tot het oordeel dat dit bewijsmateriaal moet worden uitgesloten van het bewijs. Ook de zogenoemde vruchten hiervan, de vervolgstappen in het politieonderzoek, waren het gevolg van de onrechtmatige handeling van de verbalisanten en zullen dus worden uitgesloten van het bewijs. Daarmee is in het dossier onvoldoende wettig bewijs voorhanden waaruit volgt dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, en zal hij daarvan worden vrijgesproken.

Gelet op het vorenstaande kan onbesproken blijven dat uit het NFI-rapport blijkt dat in de in de bus van verdachte aangetroffen kweekpotjes geen hennepzaad aanwezig was. Dit in weerwil van het feit dat verbalisant [naam] in het proces-verbaal van bevindingen op ambtseed heeft verklaard dat hij wist en zag dat de kweekpotjes waren voorzien van hennepzaad.

3 De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. C. van Linschoten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Diebels, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2017.