Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:692

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
05/800071-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor belaging en bedreiging van buurvrouw tot een gevangenisstraf van 40 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/800071-15

Datum uitspraak : 8 februari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] , te [woonplaats 1] .

Raadsman: mr. N. Menouar, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 april 2016, 9 juni 2016, 10 augustus 2016, 26 oktober 2016 en 25 januari 2017.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Aan verdachte wordt – na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging – verweten dat hij

  1. [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft gestalkt;

  2. diezelfde [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

  3. [slachtoffer 2] heeft gestalkt;

  4. samen dan wel alleen identiteitsfraude heeft gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en de [slachtoffer 5] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie – de verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank – van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 1] beledigende teksten die op haar betrekking hebben in zijn woning heeft opgehangen en heeft getoond. Zij zal verdachte daarom van dit deel van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.

Voor het overig onder feit 1 tenlastegelegde is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 14 mei 2015, bijlage 5, p. 2;

- het proces-verbaal van ontvangst van klacht van [slachtoffer 1] d.d. 14 mei 2015 bijlage 6 p 1 en 2;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 16 mei 2015, bijlage 7, p. 1 en 2;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 19 mei 2015, bijlage 8, p. 1;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 24 mei 2015, bijlage 9, p, 1 en 2;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2015, bijlage 10, p. 1;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 23 juli 2015, bijlage 13, p. 4;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 7 september 2015, bijlage 16,

p. 1- 2;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2017.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 mei 2015 vindt aangeefster [slachtoffer 1] , wonende te Arnhem, in haar brievenbus een briefje met daarop de tekst “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”.3 Verdachte heeft dit briefje in de brievenbus van aangeefster [slachtoffer 1] gegooid.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat – met uitzondering van het deel van het tenlastegelegde dat ziet op het aan aangeefster [slachtoffer 1] toevoegen van de woorden “I kill you” – wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Aangeefster [slachtoffer 1] kon – mede gelet op de omstandigheden en de persoon van verdachte – uit de gekozen bewoordingen van verdachte, te weten “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”, niet de redelijke vrees ontlenen dat verdachte zijn bedreiging daadwerkelijk zou uitvoeren. Immers is het niet reëel dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] daadwerkelijk zal vermoorden met raketten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie – de verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank – van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] de woorden “I kill you” heeft toegevoegd en zal verdachte van het deel van het onder feit 2 tenlastegelegde dat daarop ziet vrijspreken.

Briefje op 19 mei 2015

Zoals gesteld heeft verdachte op 19 mei 2015 een briefje bij aangeefster in de brievenbus gegooid met daarop de tekst “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer” dat door aangeefster [slachtoffer 1] is gevonden. Aangeefster [slachtoffer 1] is doodsbang dat verdachte haar iets aan wil doen.5

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer 5 maanden meer dan 130 briefjes met beledigende en bedreigende teksten – waaronder meermaals “ik ga je vermoorden met raketten kankerhoer” – in de brievenbus van aangeefster [slachtoffer 1] gegooid.6 Daarnaast heeft verdachte concreet gevaar voor aangeefster [slachtoffer 1] veroorzaakt doordat hij meermaals brandbare vloeistoffen als terpentine in haar brievenbus heeft gegooid.7

Uit het dossier komt naar voren dat genoemde handelingen – waaronder ook het briefje op 19 mei 2015 – door verdachte zijn gepleegd in de context van een langlopend conflict. Voorts wordt het woord “raket” niet alleen gebruikt voor militaire wapens, maar ook voor (zwaar) vuurwerk, bijvoorbeeld signaalraketten en lawinepijlen, voorwerpen die redelijk eenvoudig te verkrijgen zijn. Een bedreiging van deze aard en onder deze omstandigheden kunnen in het algemeen deze vrees opwekken.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] bedreigd heeft met een misdrijf tegen het leven.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de stalking van aangeefster [slachtoffer 2] . De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude. Verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd, waaruit blijkt dat hij accounts aangemaakt heeft op naam van anderen, daarbij foto’s heeft gebruikt en in naam van hen berichten heeft geplaatst. Uit het koppelen van de profielfoto van aangeefster [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] aan een door verdachte aangemaakt nepaccount, maakt dat verdachte hun persoonsgegevens heeft misbruikt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude. Ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 4] ontbreekt het oogmerk van verdachte om haar identiteit te misbruiken. Ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 3] en de [slachtoffer 5] blijkt uit het dossier niet waar de tenlastegelegde identiteitsfraude op ziet.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend valse accounts te hebben aangemaakt op naam van anderen, waarbij hij ook foto’s van die anderen heeft gebruikt. Verdachte heeft echter niets verklaard over zijn bedoeling met deze valse accounts.

Ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 4] bevindt zich een foto in het dossier waarop zij wordt afgebeeld in combinatie met een getekende afbeelding van een kip die roept: ‘In the name of justice i eat you’. Verdachte heeft deze foto geplaatst als reactie op een twitterbericht van aangeefster [slachtoffer 4] . Hierbij gebruikte hij een andere naam te weten “Chicken police”. Uit het enkele gebruik van deze foto kan niet worden afgeleid dat verdachte derden het idee wilde geven dat zij daadwerkelijk te maken hadden met aangeefster [slachtoffer 4] . Weliswaar gebruikt verdachte haar foto, maar hij combineert deze foto met een afbeelding van een kip en voormelde teksten. Juist deze combinatie maakt niet aannemelijk dat verdachte het oogmerk had om de identiteit van aangeefster [slachtoffer 4] te misbruiken. Identiteitsfraude ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 4] kan dan ook niet worden bewezen.

Ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 3] en de [slachtoffer 5] is de rechtbank, met de verdediging, van oordeel dat uit het dossier onvoldoende naar voren komt waarop de tenlastegelegde identiteitsfraude betrekking heeft. Immers zijn geen foto’s aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat verdachte persoonsgegevens van zowel aangeefster [slachtoffer 3] als de [slachtoffer 5] heeft gebruikt bij valse accounts.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude van aangeefster [slachtoffer 4] , aangeefster [slachtoffer 3] of de [slachtoffer 5] . De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

3. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2015 tot en met 29 september 2015 te

Arnhem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, hieruit bestaande dat hij, verdachte

-briefjes met beledigende teksten in haar brievenbus ( [adres 1] ) heeft gegooid en/of

-brandbare vloeistof, althans vloeistoffen in haar tuin en/of brievenbus te heeft gegooid en/of heeft gesprenkeld en/of

-beledigende teksten betrekking hebbende op die [slachtoffer 1] in zijn woning op heeft gehangen en/of heeft getoond (o.a. op whiteboard en/of via computerscherm);

2.

hij op of omstreeks de periode van 12 mei 2015 tot en met 19 mei 2015 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd (op 12 mei 2015) :"i Kill you", en/of (op 19 mei 2015) middels een briefje in haar brievenbus met tekst: "ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer". althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Belaging.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder de feiten 1, 2 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Daarbij dient – ter voorkoming van recidive – als dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarde te worden opgelegd een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1] . Het betreft ernstige feiten die een grote impact hebben gehad op aangeefster [slachtoffer 1] . Daartegenover staat dat verdachte een blanco strafblad heeft en kampt met psychische en lichamelijke problematiek.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf gelijk aan de voorlopige hechtenis van verdachte passend is. Daartoe is aangevoerd dat verdachte al genoeg is gestraft. Bovendien loopt er een civiele procedure waarin gevorderd wordt dat hij zijn huis moet verlaten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 13 december 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 14 oktober 2016;

- een multidisciplinair rapport van mw. drs. [naam 1] , psycholoog, gedateerd 14 oktober 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van aangeefster [slachtoffer 1] door stelselmatig briefjes in haar brievenbus te gooien met teksten als “kuthoer” en “ik ga je vermoorden met raketten kankerhoer”. Bovendien heeft verdachte brandbare vloeistoffen, onder andere terpentine, in diezelfde brievenbus gegoten. Dit betreffen ernstige feiten die een grote impact hebben gehad op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [slachtoffer 1] . Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Vaak wordt voor dit soort feiten een forse werkstraf opgelegd, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij een blanco strafblad heeft. Daarnaast komt uit het dossier naar voren dat aangeefster [slachtoffer 1] mogelijk een rol heeft gespeeld in het ontstaan van het conflict, te weten met de ruzie tussen haar en de vader van verdachte op 12 mei 2015. Tot slot neemt de rechtbank in haar overweging mee dat verdachte aan een progressieve spierziekte lijdt. Dit in combinatie met zijn geestelijke gesteldheid maakt dat de executie van een werkstraf waarschijnlijk zeer problematisch zal zijn.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen blijk geeft van enig normbesef. Ook al heeft mevrouw [slachtoffer 1] zijn vader wellicht onheus bejegend, dat rechtvaardigt nog niet de langdurige, extreme reactie van verdachte jegens haar. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte een op wraak beluste houding heeft jegens personen die hem in zijn ogen onheus bejegenen. Hij vindt dat hij dan het recht heeft om wraak te nemen. Deze wraakgevoelens kunnen een obsessie voor hem worden waar hij lang in blijft hangen. Het recidiverisico is dan ook hoog. Dit wordt versterkt doordat verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] buren zijn en het aannemelijk is dat zij elkaar om die reden regelmatig tegen zullen komen.

De rechtbank realiseert zich dat het recidivegevaar het best beperkt zou kunnen worden door behandeling. Verdachte biedt hiervoor echter geen enkele ingang. Zelfs aan rapportage door de reclassering en een psycholoog, werkt hij niet mee. Dit ondanks eerdere toezeggingen van hem en aanhouding van de behandeling ter terechtzitting om rapportage mogelijk te maken. Dit maakt dat de rechtbank alleen een -deels- onvoorwaardelijke straf aan verdachte kan opleggen. Zij hoopt daarmee aan verdachte duidelijk te maken dat hij moet stoppen met het lastig vallen van personen in zijn omgeving.

Gelet op al het voorgaande – in het bijzonder de moeilijke uitvoerbaarheid van een werkstraf en het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie – is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht passend en geboden.

Daarnaast zal de rechtbank, gelet op de houding van verdachte met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten en het feit dat hij en aangeefster [slachtoffer 1] buren zijn, aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod voor de duur van 3 jaar met [slachtoffer 1] . De rechtbank beveelt dat 3 dagen vervangende hechtenis worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis mag de termijn van 6 maanden niet overschrijden. De rechtbank acht een contactverbod in de zin van een vrijheidsbeperkende maatregel meer passend, nu de vervangende hechtenis als extra stok achter de deur voor verdachte kan worden opgevat.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en in het bijzonder gelet op de persoon van verdachte, het feit dat zij naast elkaar wonen en het feit dat uit het dossier is gebleken dat verdachte na de tenlastegelegde feiten door is gegaan met de stalking van aangeefster [slachtoffer 1] , is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens die [slachtoffer 1] . De rechtbank zal daarom bevelen dat de maatregel op grond van artikel 38v lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, dadelijk uitvoerbaar is.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Na een aanvulling op de vordering wordt een bedrag van € 2.090,55, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade, te weten

€ 2.000,-, is redelijk nu het bewezenverklaarde een enorme impact heeft gehad op het leven van de benadeelde partij. De toevoeging van € 90,55 aan materiële schade, te weten reiskosten, is voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Bovendien blijkt niet van enige psychische behandeling die de benadeelde partij heeft moeten ondergaan als gevolg van het handelen van verdachte. Tot slot heeft de benadeelde partij zichzelf ook niet onbetuigd gelaten in het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade – reiskosten

De rechtbank acht – op basis van de schriftelijke aanvulling op de vordering van de benadeelde partij – voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten aan schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. De rechtbank acht een bedrag ter hoogte van € 90,55 hiervoor redelijk en is van oordeel dat deze schadepost kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Uit de stukken blijkt niet dat een deskundige een algemeen erkende geestelijk ziektebeeld heeft vastgesteld. Echter uit het dossier en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het bewezenverklaarde langdurig een grote impact heeft gehad op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij. Daarom is de rechtbank van oordeel dat naar objectieve maatstaven sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank zal om die reden wel een vergoeding wegens immateriële schade toekennen, maar het gevorderde bedrag matigen tot € 750,-.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 840,55 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 29 september 2015.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 38v, 38w, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder de feiten 3 en 4 tenlastegelegde.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

En legt voorts op:

de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, of zoeken met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] ) wonende te [adres 2] in [woonplaats 2] ;

 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 (drie) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden;

 de toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

 beveelt dat de op grond van artikel 38v, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2).

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 840,55 (achthonderdveertig euro en vijfenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 840,55 (achthonderdveertig euro en vijfenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 16 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.P.M. Kester-Bik (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 februari 2017.

BIJLAGE I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2015 tot en met 29 september 2015 te

Arnhem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, hieruit bestaande dat hij, verdachte

-briefjes met beledigende teksten in haar brievenbus ( [adres 1] )heeft gegooid en/of

-brandbare vloeistof, althans vloeistoffen in haar tuin en/of brievenbus te heeft gegooid en/of heeft gesprenkeld en/of

-beledigende teksten betrekking hebbende op die [slachtoffer 1] in zijn woning op heeft gehangen en/of heeft getoond (o.a. op whiteboard en/of via computerscherm);

2.

hij in of omstreeks de periode van 12 mei 2015 tot en met 19 mei 2015 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd (op 12 mei 2015) :"i Kill you", en/of (op 19 mei 2015) middels en briefje in haar brievenbus met tekst: "ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2015 tot en met 23 juli 2015 te Arnhem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, hieruit bestaande dat hij, verdachte die [slachtoffer 2] en haar collega's van [naam 2] telefonisch heeft lastiggevallen door veelvuldig (veelal anoniem) te bellen en vervolgens beledigende teksten te roepen;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 29 september 2015 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander (onder meer facebookaccounts en/of twitteraccounts en/of een of meer (profiel)foto’s) met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel is ontstaan voor [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of de [slachtoffer 5] , hieruit bestaande dat hij, verdachte met (die) door hem aangemaakt facebookaccounts en/of twitteraccounts met daaraan gekoppeld voornoemde (profiel)foto(‘s) berichten heeft verzonden aan anderen alsof hij, verdachte, die [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] en/of een politieambtenaar was en/of anderen voorhield dat die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of die politieambtenaar die berichten verzonden hadden.

1 De volledige inhoud van de tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2015528907, gesloten op 29 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , bijlage 8, p. 1.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, bijlage 26, p. 5.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , bijlage 8, p. 1.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2017.

7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2017.