Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6912

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
C/05/327148 / FA RK 17-3172
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Moeder verzoekt om wijziging (inperking) van de zorgregeling. Kind heeft geen goed contact met zijn vader en wil zo min mogelijk naar hem toe.

De rechtbank is ervan overtuigd dat als er niets verandert in de kwaliteit van het contact, het contact verloren zal gaan. De rechtbank benoemt een bijzondere curator.

Omdat de beslissing belangrijk is voor de minderjarige, is de beslissing in klare taal geschreven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377e
Burgerlijk Wetboek Boek 1 250
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/66.29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/327148 / FA RK 17-3172

Datum uitspraak: 5 december 2017

beschikking ex artikel 1:253a BW

in de zaak van

[verzoekster] (nader te noemen: de moeder),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. L.C. de Jong te Woerden,

tegen

[verweerder] (nader te noemen: de vader),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J. Nieuwstraten te Rotterdam.

Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 29 september 2017;

- het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 24 november 2017.

Ter zitting van 1 december 2017 zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. L.C. de Jong;

- de vader, bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten;

- een zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

[minderjarige] heeft op 6 november 2017 met de rechter gepraat en aangegeven wat zijn menig is.

De feiten

De ouders zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is geboren:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

[minderjarige] is nu twaalf jaar oud.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 15 februari 2007 is de echtscheiding tussen

partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is ontbonden op 23 mei 2007 door

inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te

‘s-Gravenhage.

[minderjarige] woont bij zijn moeder en heeft contact met zijn vader. Zijn vader en moeder hebben

samen het gezag over hem. Dit betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige]

moeten nemen. De moeder van [minderjarige] is getrouwd met mijnheer [naam] . Zij hebben

samen twee kinderen.

Er zijn sinds de echtscheiding verschillende rechtszaken geweest over het contact tussen

[minderjarige] en zijn vader. In een beslissing van 7 juni 2016 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] bij

zijn vader is:

o éénmaal per veertien dagen van zaterdag 11.00 uur tot en met zondag 16.30 uur;

o zoveel mogelijk de helft van de vakanties en feestdagen.

Deze regeling heet een zorgregeling.

Een paar maanden geleden is er nog een kort geding geweest. Dit is een spoedprocedure. Tijdens de zitting op 29 september 2017 hebben de ouders van [minderjarige] (samengevat) de volgende afspraak gemaakt:

1. [minderjarige] zal met ingang van zaterdag 7 oktober 2017 eenmaal per drie weken het weekend doorbrengen bij zijn vader. Zijn vader haalt hem om 11:00 uur op bij het station Veenendaal-De Klomp en de moeder van [minderjarige] haalt hem op zondag om 16:30 uur weer op bij de vader thuis;

2. van deze regeling wordt alleen afgeweken als [minderjarige] een schoolfeest of

verjaardagsfeest heeft. In dat geval gaat [minderjarige] het weekend daarvoor of daarna naar zijn vader doorbrengt maar de cyclus van drie weken die op 7 oktober 2017 is begonnen loopt gewoon door;

3. de vakantie- en feestdagenregeling blijft bestaan maar de ouders van [minderjarige] houden rekening met de wensen van [minderjarige] om de regeling in de vakanties eventueel te verlengen of in te korten.

Deze regeling geldt tot dat er een eindbeslissing is genomen in deze procedure.

Het verzoek

De moeder vraagt de rechtbank om de zorgregeling, die door de rechtbank is opgeschreven in de beslissing van de beschikking van 7 juni 2016, te veranderen. Zij wil graag dat de rechtbank beslist dat [minderjarige] voortaan één zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij zijn vader zal zijn. (Tijdens de zitting van 1 december 2017 heeft zij aangegeven dat het moet gaan om één zaterdag of zondag per maand.) De moeder zal [minderjarige] dan naar station Veenendaal/De Klomp brengen, waar zijn vader hem ophaalt, en hem ook weer bij zijn vader ophalen op zondag. De moeder wil graag uiterlijk in de maand december afspraken maken met de vader over de verdeling van de vakanties in het daarop volgende jaar, waarbij de mening van [minderjarige] zal worden meegewogen.

De moeder van [minderjarige] geeft aan dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader al lange tijd stroef verloopt en dat de moeder de regeling al een paar keer heeft moeten stoppen omdat dit volgens haar voor [minderjarige] beter was. [minderjarige] heeft het al langer niet aan zijn zin bij zijn vader. De moeder doet al heel lang haar uiterste best om [minderjarige] te stimuleren naar zijn vader te gaan. De vader luistert niet goed naar de wensen en signalen van [minderjarige] .

De moeder van [minderjarige] heeft op de zitting van 1 december 2017 gezegd dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] contact heeft met zijn vader. Het zou fijn zijn als [minderjarige] goed contact zou hebben met zijn stiefvader én met zijn echte vader. Helaas is dat niet zo. De moeder van [minderjarige] weet niet goed hoe zij de situatie kan veranderen. Soms denkt zij dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader niet goed is door de manier waarom de vader van [minderjarige] met hem om gaat.

Het verweer

De vader van [minderjarige] is het niet eens met het verzoek van de moeder van [minderjarige] . Hij vindt dat de zorgregeling wel kan worden veranderd maar niet zoals de moeder van [minderjarige] dat voorstelt. Hij wil graag dat de rechtbank beslist dat de zorgregeling zal gelden zoals die is afgesproken tijdens het kort geding met een compensatieregeling. Een andere mogelijkheid is dat [minderjarige] één weekend per maand van vrijdagavond tot zondagavond en de helft van de vakanties en feestdagen bij zijn vader zal zijn. In beide gevallen moeten gemiste contacten op een ander moment ingehaald worden. De vader van [minderjarige] heeft daarvoor een “zelfstandig verzoek” ingediend bij de rechtbank.

De vader van [minderjarige] geeft aan dat de afgelopen jaren, sinds [minderjarige] 2 jaar oud is, een patroon bestaat waarbij de zorgregeling een tijdje loopt maar dat de moeder van [minderjarige] het contact op een gegeven moment stopt omdat dit beter zou zijn voor [minderjarige] . Dit gebeurt dan zonder overleg met de vader van [minderjarige] . Hierdoor is het voor [minderjarige] en de vader moeilijk om een goede band op te bouwen. De vader heeft de indruk dat het contact tussen hem en [minderjarige] als een bijzaak of een noodzakelijk kwaad wordt gezien.

De vader van [minderjarige] heeft op de zitting van 1 december 2017 verteld dat hij ziet dat het voor [minderjarige] moeilijk is als hij van de ene ouder naar de andere ouder moet gaan. Als hij net bij zijn vader is, weet hij zich geen houding te geven. Na verloop van tijd gaat het dan weer goed en dat is het contact tussen hem en zijn vader goed. Ongeveer een halfuur voordat hij op zondag wordt opgehaald, dan is hij daar mee bezig en verandert de situatie weer. De vader van [minderjarige] geeft aan dat hij [minderjarige] niet goed genoeg kent om goed te kunnen bepalen hoe hij het beste met [minderjarige] en zijn gedrag kan omgaan. Hij heeft wel eens geprobeerd om daar met [minderjarige] over te praten maar als hij te ‘dichtbij’ komt, klapt [minderjarige] dicht. [minderjarige] is erg gevoelig. Wat het ook niet makkelijk maakt is dat de vader en de moeder van [minderjarige] over veel opvoedzaken anders denken.

De mening van [minderjarige]

heeft tijdens zijn gesprek met de rechter een heleboel dingen gezegd over de zorgregeling. Het belangrijkste wat hij heeft gezegd is dat hij geen goed contact heeft met zijn vader en daar eigenlijk zo min mogelijk heen wil. Hij praat weinig met zijn vader. Hij vindt dat zijn vader zich teveel bemoeit met hem, niet aardig tegen hem doet en ook wel eens onaardige dingen tegen hem heeft gezegd. Hij ziet zijn vader als een ‘stoorzender’ in zijn leven.

De beoordeling

In artikel 1:377e, gelezen in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank een eerder genomen beslissing over een zorgregeling onder meer veranderen als de situatie is veranderd.

De ouders van [minderjarige] en de rechter zijn het over een paar dingen eens. [minderjarige] en zijn vader hebben nooit in gezinsverband samen gewoond. Zij hebben nooit een normaal gezinsleven gekend. Hierdoor is er geen natuurlijke band tussen hen ontstaan. Die band is ook later nooit echt ontstaan omdat zij elkaar niet vaak zien en er ook periodes zijn geweest dat er helemaal geen contact is geweest.

[minderjarige] heeft een stiefvader met wie hij een goed contact heeft en die hij in het dagelijkse leven als een vader beschouwt. Dat is ook prima. Daarnaast heeft hij zijn vader. Het is belangrijk dat er contact tussen hen is. Dat hoeft niet heel erg veel te zijn, als het contact er maar (op min of meer vaste momenten) is en dat contact ook goed is. Dat laatste is niet het geval, volgens [minderjarige] en zijn moeder. Het is ook niet goed als de zorgregeling steeds verandert.

De rechter vindt dat de wensen van [minderjarige] over het contact met zijn vader belangrijk zijn en dat daar ook rekening mee gehouden moet worden. Maar het kan niet zo zijn dat [minderjarige] zelf mag beslissen hoe vaak dat contact er is of hoe lang. Het is belangrijk dat zijn ouders samen afspraken kunnen maken over de zorgregeling. Dat is soms moeilijk omdat zij anders denken over wat goed is voor [minderjarige] .

De rechter is er bang voor dat als het contact tussen [minderjarige] en zijn vader blijft zoals die nu is en er niets verandert in de kwaliteit van het contact, [minderjarige] over enige tijd niet meer naar zijn vader zal willen gaan en het contact voor (hele) lange tijd verloren zal gaan. Dat zou niet goed zijn voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De rechter is er op de zitting van overtuigd geraakt dat niet alleen de vader van [minderjarige] maar ook zijn moeder het daar mee eens is.

De rechter vindt het belangrijk dat er iemand, die veel verstand heeft van kinderen, met [minderjarige] gaat praten om er achter te komen waarom [minderjarige] ervaart dat hij geen goed contact heeft met zijn vader. Deze persoon kan ook met [minderjarige] en zijn ouders bespreken of, en hoe, er nog iets veranderd kan worden aan de situatie. Wat kunnen de ouders van [minderjarige] er aan doen, wat voor hulp hebben zij nodig, opdat de zorgregeling beter verloopt en er een beter contact kan komen tussen [minderjarige] en zijn vader. De rechter kan hiervoor een persoon als ‘bijzondere curator’ benoemen. Dat staat zo geregeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek. De rechter heeft dit plan met de vader en moeder van [minderjarige] besproken en zij vonden dit een goed plan.

De rechter heeft na de zitting gesproken met mevrouw Y.J. De Best. Zij is pedagoog en Kies-coach. Zij werkt in de buurt van [minderjarige] en wil wel deze persoon zijn die dit gaat onderzoeken. De rechter zal haar daarom benoemen als bijzondere curator en haar de volgende vragen stellen:

  1. Wat voor band [minderjarige] heeft met zijn vader?

  2. Wat kunnen of moeten de vader en de moeder (en wellicht [stiefvader] ) doen om de kwaliteit van deze band te verbeteren? Is daar hulpverlening voor nodig?

  3. Welke zorgregeling is op dit moment en/of voor de langere termijn het meest passend?

  4. Zijn er nog dingen die u belangrijk vindt om te melden?

Aan mevrouw De Best zullen de brieven, zoals bekend in deze procedure, worden toegezonden.

De rechter wil graag dat de bijzondere curator het antwoord op de vragen in een brief (een schriftelijk verslag) opschrijft. De rechter wil deze brief graag uiterlijk 16 januari 2018 ontvangen. De advocaten van de ouders van [minderjarige] moeten deze brief ook krijgen.

Als de brief van mevrouw De Best er is, zal de rechter met haar en de ouders (met hun advocaten) verder praten op een nieuwe zitting. In de tussentijd blijft de afspraak van 29 september 2017 tussen de ouders over de zorgregeling gelden.

Tot de nieuwe zitting zal de rechter geen beslissing nemen over deze zaak.

De advocaten van de ouders van [minderjarige] en mevrouw De Best moeten vóór 22 december 2017 hun verhinderdata opgeven voor de maanden februari en maart 2018 zodat er zo snel mogelijk een zitting kan worden afgesproken in een van die maanden bij dezelfde rechter.

De beslissing

De rechtbank:

- benoemt tot bijzondere curator:

mw. Y.J. De Best, Binneveld 8, 3771 PL Barneveld;

- met als taak om inspanningen te verrichten ten aanzien van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

inhoudende het adviseren en rapporteren over de hierboven omschreven punten;

- bepaalt dat (de advocaten van) de ouders per omgaande adres- en telefoon- en/of e-mailgegevens van de ouders aan de bijzondere curator ter kennis brengen en haar een kopie van de stukken van deze procedure zullen toezenden, opdat de bijzondere curator zo spoedig mogelijk haar taak kan aanvangen en contact kan leggen met de ouders;

- stelt de bijzondere curator in de gelegenheid uiterlijk 16 januari 2018 de rechtbank en partijen schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen;

- verzoekt de advocaten van de ouders en de bijzondere curator Best uiterlijk 22 december 2018 hun verhinderdata voor de maanden maart en april 2018 aan de rechtbank te sturen;

- houdt de beslissing voor het overige aan tot een nader te plannen zitting in maart of in april 2018 van mr. A.S.W. Kroon.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in tegenwoordigheid van J.A.M. Rozema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2017.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.