Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6902

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-04-2017
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
5132265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Vernietiging door echtgenoot ex 1:88 BW. Geen verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Apeldoorn

zaakgegevens 5132265 \ CV EXPL 16-3674

Grosse aan: Leaseproces

Afschrift aan: mr. Van Ginkel

Verzonden d.d.

vonnis van de kantonrechter d.d. 19 april 2017

inzake

[naam]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie

gemachtigde Leaseproces

tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. T.R. van Ginkel

Partijen worden hierna [eiseres] en Dexia genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 mei 2016 met producties

- de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie met producties

- de conclusie van repliek in conventie, antwoord in reconventie met producties

- de conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie met een productie

- de conclusie van dupliek in reconventie met producties.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op 7 augustus 2001 met (een rechtsvoorganger van) Dexia als wederpartij een effectenlease-overeenkomst gesloten, genaamd Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling, met nummer [nummer] .

2.2.

Dexia heeft met betrekking tot deze leaseovereenkomst per 10 augustus 2006 een eindafrekening opgesteld.

2.3.

Bij brief van 8 mei 2006 heeft de echtgenoot van [eiseres] Dexia laten weten de effectenleaseovereenkomst te vernietigen op grond van art. 1:88 Burgerlijk Wetboek (BW).

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en voorts vordert hij veroordeling van Dexia om al hetgeen door hem in het kader van de overeenkomst aan Dexia is betaald, terug te betalen. Daarnaast vordert hij veroordeling van Dexia om op verbeurte van een dwangsom te bewerkstelligen dat zijn registratie bij BKR wordt doorgehaald met ongedaanmaking van de achterstandscodering, een en ander vermeerderd met rente en kosten, waaronder buitengerechtelijke kosten.

3.2.

Dexia voert inhoudelijk verweer. Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover van belang, ingaan.

4 De vordering en het verweer in reconventie

4.1.

Dexia vordert dat voor recht wordt verklaard dat de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst niet is vernietigd en niet bloot staat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [eiseres] een beroep kan worden gedaan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.2.

[eiseres] voert inhoudelijk verweer. Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover van belang, ingaan.

5 Beoordeling

5.1.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

5.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht vóór het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

5.3.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat dit arrest tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging, indien er een buitengerechtelijke vernietiging heeft plaatsgevonden voor het verlopen van de opt-out termijn op 1 augustus 2007, welke termijn voortvloeide uit de verbindendverklaring van de Duisenbergregeling (WCAM-overeenkomst) door hof Amsterdam.

5.4.

Dexia stelt zich primair op het standpunt dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW door (onder meer) Stichting Eegalease werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor ook afnemer geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen. Voor zover de verjaring wel is gestuit door het uitbrengen van bedoelde dagvaarding, betoogt Dexia dat het indienen van het verzoek om verbindendverklaring van de Duisenbergregeling op 18 november 2005 geen stuitende werking heeft gehad. Hetzelfde geldt volgens Dexia voor de verbindendverklaring door hof Amsterdam, omdat dit niet kan worden aangemerkt als een ‘toewijzing’ van de vordering.

5.5.

Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4585, r.o. 3.14) heeft het hof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer, die tijdig een opt-out verklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking (uitmondend in de WCAM-overeenkomst) afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan deze Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing worden hier overgenomen. In het arrest d.d. 25 november 2014 (r.o. 3.10.5, ECLI:NL:GHSHE:2014:4956) heeft hof Den Bosch overwogen dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten. Dit laatste doet echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt verworpen.

5.6.

Het enkele feit dat een onderdeel van de collectieve vordering van Stichting Eegalease alleen zag op effectenlease-overeenkomsten gesloten tussen 29 januari 2000 en 2 mei 2002, brengt niet mee dat het aanhangig maken van de collectieve vordering geen stuitende werking zou kunnen hebben ten aanzien van andere effectenlease-overeenkomsten. Maatstaf is of het gaat om individuele vorderingen (betreffende de vernietiging van effectenlease-overeenkomst), die bij de in de collectieve actie gevorderde verklaring voor recht aansluiten, zo volgt uit genoemd arrest van de Hoge Raad. Voor de vraag of er sprake is van ‘aansluiten’ als hier bedoeld is van belang dat de aanleiding voor de collectieve actie (mede) gelegen was in het toenmalige standpunt van Dexia, dat de artikelen 1:88 en 1:89 BW op geen van de door haar overeengekomen effectenlease-overeenkomsten van toepassing waren, omdat er geen sprake was van koop op afbetaling. De collectieve actie had in hoofdzaak betrekking op twee vorderingen. De eerste vordering was gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW van toepassing is op ‘de’ door Dexia aangeboden lease-overeenkomsten, de tweede was gericht op een verklaring voor recht dat effectenlease-overeenkomsten, die in een de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot zijn aangegaan, vernietigd althans vernietigbaar zijn. Met name de eerstgenoemde vordering in de collectieve actie, gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW wel van toepassing is op alle in dit verband relevante soorten lease-overeenkomsten met Dexia, is essentieel voor het slagen van een vordering van een individuele afnemer als [eiseres] . Er is daarom sprake van ‘aansluiting’ als door de Hoge Raad bedoeld tussen die vordering en de hiervoor bedoelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW.

5.7.

De verjaring is alleen gestuit indien (vgl. r.o. 3.5.2 arrest Hoge Raad) binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is geëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een (op grond van r.o. 3.5.3 arrest Hoge Raad) daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd. Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in een schikking tussen de daarbij betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade rechtsgevolgen heeft gekregen althans kunnen krijgen) voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van de Hoge Raad in bovengenoemd arrest kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat – nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld – de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft te) beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Een en ander brengt mee dat de belanghebbende – ter voorkoming van verjaring – pas een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring hoefde af te geven nadat de schikking als uitkomst van de collectieve actie is komen vast te staan.

5.8.

Dat doet de vraag rijzen op welk moment de hiervoor bedoelde collectieve actie is geëindigd en dus op welk moment de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW is aangevangen. De uitkomst van de collectieve actie is het gevolg geweest van een proces van onderhandelen en procederen, waarbij mede de in de WCAM voorgeschreven procedure is gevolgd. Pas op 25 januari 2007 is door de verbindendverklaring door het hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) definitief komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld wordt aangedaan.

5.10.

Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

5.11.

Geconcludeerd wordt dat, tenzij de bevoegdheid daartoe reeds op 13 maart 2003 was verjaard, wat in deze zaak niet het geval is, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht voor 25 juli 2007 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomst waarop zij betrekking heeft is vernietigd. De verklaring in de onderhavige zaak is vóór deze datum uitgebracht. Daarmee gaat het beroep van [eiseres] op vernietiging van de overeenkomst naar het oordeel van de kantonrechter op.

5.12.

Dit betekent dat de vordering in conventie voor zover gericht op een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd.
Dexia stelt- voor het eerst bij dupliek - dat de restitutievordering van [eiseres] is verjaard. Deze stelling wordt verworpen. Ook voor de verjaring van de restitutievordering moet worden aangenomen dat een effectieve en efficiënte rechtsbescherming van (dezelfde) belanghebbende meebrengt, dat de collectieve procedure stuitende werking heeft. Dexia zal dan ook worden veroordeeld om al hetgeen door [eiseres] in het kader van de overeenkomst aan Dexia is betaald, terwijl de vordering in reconventie moet worden afgewezen.

5.13.

De vordering van [eiseres] om Dexia te veroordelen om te bewerkstelligen dat de registratie bij BKR wordt doorgehaald met ongedaanmaking van de achterstandscodering is niet toewijsbaar. Dexia betoogt onweersproken dat zij wat registratie betreft aan de reglementen van BKR gebonden is en zich ook aan de regels hieruit houdt. Daarmee ontbreekt belang van [eiseres] bij deze vordering.

5.14.

Nu Dexia in overwegende mate in het ongelijk gesteld is zal de kantonrechter haar zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordelen.

5.15.

Voor een vergoeding van buitengerechtelijke kosten is geen plaats. [eiseres] heeft niet aangegeven andere kosten te hebben gemaakt dan bij de voorbereiding van een procedure waarin de vernietiging van een overeenkomst aan de orde is, gebruikelijk zijn, zodat deze kosten geacht moeten worden te zijn begrepen in de proceskosten. Van bijzondere kosten ter vaststelling van schade, zoals bedoeld in HR 26 september 2014, ECLI:NL:NR:2014:2797, is in deze procedure, waarin schadevergoeding noch -vaststelling aan de orde is, geen sprake.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer [nummer] rechtsgeldig is vernietigd,

6.2.

veroordeelt Dexia al hetgeen door [eiseres] krachtens die overeenkomst met nummer [nummer] aan Dexia is betaald, aan [eiseres] terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de door [eiseres] gedane betalingen tot de dag van algehele betaling,

6.3.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiseres] begroot op € 94,08 aan dagvaardingskosten, € 79,00 aan griffierecht en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde,

6.4.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.6.

wijst het gevorderde af,

6.7.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiseres] begroot op € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.