Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6846

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
05/840999-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelde een 22-jarige man uit Doetinchem voor poging tot zware mishandeling van een politieagent op 7 september 2017. Hij kreeg een gevangenisstraf van 198 dagen, waarvan 70 voorwaardelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840999-17

Datum uitspraak : 29 december 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op [adres] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsman: mr. C.A. Spekschoor, advocaat te Lochem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 07 september 2017 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , (allen) werkzaam als politieambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun

bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] één of meer (aangestoken) nitraten, althans (professioneel)vuurwerk heeft gegooid (en/of (vervolgens) zijn die (aangestoken) nitraten, althans (professioneel)vuurwerk op korte afstand van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ontploft), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 september 2017 te Doetinchem [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (allen politieambtenaren) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] één of meer (aangestoken) nitraten, althans (professioneel)vuurwerk te gooien

(en/of (vervolgens) zijn die (aangestoken) nitraten, althans (professioneel)vuurwerk op korte afstand van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ontploft);

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gooien van nitraatvuurwerk in de richting van de politie zwaar lichamelijk letsel zou kunnen veroorzaken. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat slechts sprake is van voorwaardelijk opzet. Niet kan worden bewezen dat het opzet van verdachte erop was gericht de politieagenten te raken. Voor het overige is geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte p. 3-4;

- het proces-verbaal van bevindingen p. 20, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van bevindingen p. 12;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 december 2017.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het afsteken van illegaal vuurwerk in de directe nabijheid van een of meer anderen zeer wel kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Ook uit de verklaringen van verdachte, die onder meer zelf de politie belde met de mededeling dat hij iets ergs zou gaan doen, volgt dat hij wist dat het ging om nitraat en dat nitraat illegaal vuurwerk is dat zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken. Nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verdachte het brandende nitraat opzettelijk van een korte afstand, ongeveer 4 meter, bovenhands in de richting van politieambtenaar [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] door dit handelen zwaar lichamelijk letsel, zoals gehoorverlies of oogletsel, zou (kunnen) oplopen. Doordat [slachtoffer 1] is weggedoken, heeft dit gevolg zich niet verwezenlijkt. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat behalve [slachtoffer 1] , ook politieambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen door het door verdachte afgestoken en weggeworpen nitraat. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ook overigens bevat het dossier onvoldoende informatie om ten aanzien van politieambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tot enige bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte daarom ook van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging van deze agenten vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 07 september 2017 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , (allen) werkzaam als politieambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] één of meer (aangestoken) nitraaten, althans (professioneel)vuurwerk heeft gegooid (en/of (vervolgens) is zijn die (aangestoken) nitraaten, althans (professioneel)vuurwerk op korte afstand van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ontploft), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 21 november 2017, uitgevoerd door GZ‑psycholoog W.J.P. Gaertner, komt onder meer het volgende naar voren. Bij verdachte is sprake van een stoornis in het autisme spectrum, een bipolaire stemmingsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast functioneert verdachte op minimaal beneden gemiddeld intellectueel niveau. Ten tijde van het tenlastegelegde waren bovenstaande stoornissen alle aanwezig. Vanuit zijn pathologie ontbreekt het verdachte aan adequate coping vaardigheden. Hierdoor kon verdachte niet omgaan met een aantal onrustige factoren in zijn leven. Hij vroeg hulp, maar deze kwam niet van de grond, waardoor verdachte geen andere mogelijkheid zag dan middels inadequaat gedrag aandacht te vragen om zo overzicht te creëren, rust af te dwingen en alsnog hulp te krijgen. Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt het advies van de psycholoog over. Nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar, zij het in verminderde mate.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen waarvan 70 dagen voorwaardelijk zodat hij tot 15 januari 2018 vastzit. Dat is de datum waarop verdachte kan worden opgenomen in FPA De Boog in Warnsveld. Verder heeft de officier van justitie verzocht aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden met een proeftijd van 3 jaren. Deze voorwaarden bestaan uit

een klinische opname, een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen. Bij de strafeis is rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzet zich niet tegen de strafeis van de officier van justitie. Wel heeft hij benadrukt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 2 november 2017;

- voornoemd psychologisch onderzoek Pro Justitia van GZ-psycholoog W.J.P. Gaertner, gedateerd 21 november 2017; en

- reclasseringsadviezen gedateerd 12 september 2017 en 8 december 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de nacht van 7 september 2017 heeft verdachte de politie gebeld met de mededeling dat hij iets verschrikkelijks ging doen. Naar aanleiding van deze melding is een politieagent direct naar de woning van verdachte gereden. Toen de agent de woning van verdachte naderde, hoorde hij een harde knal. Om geen tijd te verliezen, heeft de agent niet gewacht op versterking en is hij alleen het perceel van verdachte opgelopen, waarop hij opnieuw een harde knal hoorde. Vervolgens zag de agent verdachte in het donker in de tuin zitten met een bivakmuts op. Toen de agent in de richting van verdachte liep, zag hij dat verdachte een brandend voorwerp, naar later bleek (illegaal) nitraatvuurwerk, in zijn hand hield. De agent sommeerde verdachte hierop het brandende voorwerp weg te gooien in een veilige richting. Direct hierop heeft verdachte het brandende vuurwerk van zeer korte afstand opzettelijk bovenhands in de richting van de agent gegooid. De agent is weggedoken en het nitraat is vervolgens op ongeveer anderhalve meter van de agent, op de plek waar hij eerst stond, met een luide knal tot ontploffing gekomen. De agent raakte door de knal en de heldere lichtflits korte tijd gedesoriënteerd. Verdachte mag van geluk spreken dat de agent op tijd heeft kunnen wegduiken en hierdoor geen (kenbaar) letsel heeft opgelopen afgezien van een korte desoriëntatie. De agent had door verdachtes toedoen namelijk evengoed gehoorverlies, oogletsel of ander zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de veiligheid van de agent ernstig in gevaar heeft gebracht en bij hem gevoelens van schrik en angst heeft veroorzaakt, terwijl de agent afging op een melding door verdachte. Het mag voor zich spreken dat deze buitengewoon intimiderende en extreme manier om hulp af te dwingen een grote impact moet hebben gehad op de agent. Gelet op de ernst van het feit komt een gevangenisstraf in aanmerking.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uit bovengenoemd Pro Justitia onderzoek volgt dat wanneer verdachte terugkeert in een vergelijkbare situatie als vóór het ten laste gelegde en er geen passende hulpverlening beschikbaar is, het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Echter, wanneer verdachte hulp krijgt bij zijn psychische problematiek en als zijn persoonlijke omstandigheden (wonen en werk) verbeteren, dan daalt het recidiverisico tot laag-matig. Geadviseerd wordt om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde toezicht door de reclassering. De reclassering zal samen met verdachte op zoeken moeten naar een passende woonvoorziening, een dagbesteding en ambulante begeleiding. De reclassering heeft de psycholoog voorgelegd dat de meest passende optie voor verdachte een zeer lange wachtlijst kent en dat er wordt gezocht naar een tijdelijk alternatief. Dit zou dan een klinische opname zijn. Hierin kan de psycholoog zich vinden, omdat het van belang is dat verdachte in zicht blijft van de hulpverlening en er vanuit een klinische opname alsnog kan worden toegewerkt naar begeleid zelfstandig wonen.

Uit het advies van de reclassering van 8 december 2017 komt het volgende naar voren. Vanuit de bij verdachte gediagnosticeerde psychische problematiek is verdachte onvermogend in sociaal contact. Zijn stoornis in het autistisch spectrum is niet eerder onderkend, waardoor hij jarenlang op allerlei levensgebieden (wonen en werk) is overvraagd en niet de nodige begeleiding en behandeling heeft gekregen. Er kan (nog) niet worden gesproken van een delictpatroon bij verdachte, maar de reclassering maakt zich wel zorgen over de toenemende ernst van het delictgedrag van verdachte. Er zijn geen doorslaggevende redenen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Hoewel er een aantal beperkingen bestaat ten aanzien van de handelingsvaardigheden van verdachte, lijkt een pedagogische aanpak en pedagogisch kader een gepasseerd station. Verdachte is gericht op zichzelf en het toewerken naar meer zelfstandigheid en zelfredzaamheid wordt geprefereerd boven een pedagogische insteek. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog/gemiddeld. Geadviseerd wordt om het volwassenstrafrecht toe te passen en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden. Deze bestaan uit opname in een zorginstelling voor klinische behandeling, een meldplicht, een ambulante behandelverplichting (na klinische opname) en tot slot opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang. De gemiddelde duur van de klinische opname bedraagt tussen de negen en twaalf maanden. Verdachte is inmiddels aangemeld voor FPA De Boog in Warnsveld, waar hij vanaf 15 januari 2018 kan worden opgenomen. Er zijn binnen de klinische opname doorstroommogelijkheden naar een forensische bungalow op het terrein van De Boog, waarin een lager beveiligingsniveau geldt en waarin kan worden toegewerkt naar meer zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

Bij het oordeel over de strafbaarheid van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte, zoals hierboven reeds uiteen is gezet, als gevolg van zijn psychische problematiek ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar was. Ook betrekt de rechtbank ten gunste van verdachte bij de strafmaat dat hij geen relevant strafblad heeft. Gelet op bovenstaand reclasseringsadvies en ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht zodat zij het volwassenstrafrecht zal toepassen. Wel zal de rechtbank rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Alles afwegend, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 198 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Het onvoorwaardelijk deel is gelijk aan de tijd die verdachte op 15 januari 2018 in voorarrest zal hebben verbleven. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te koppelen. Deze bestaan aldus uit een klinische behandeling, gevolgd door een ambulante behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang en tot slot een meldplicht. Indien en voor zover de klinische behandeling is aan te merken als vrijheidsontnemend, zal de rechtbank bepalen dat dit vrijheidsontnemend deel van de behandeling maximaal twaalf maanden bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de relatief korte duur van het voorwaardelijk strafdeel zich niet goed met een proeftijd van drie jaren, zoals geëist door de officier van justitie, zodat zij de proeftijd op twee jaren zal stellen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 198 (honderdachtennegentig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 70 (zeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene en bijzondere voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zal laten opnemen in GGNet/FPA De Boog of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven;

- waarbij de rechtbank bepaalt dat voor zover de klinische behandeling is aan te merken als vrijheidsontnemend, dit vrijheidsontnemend deel van de behandeling maximaal twaalf maanden bedraagt;

- zich binnen vijf dagen na dit vonnis zal melden bij het Leger des Heils Reclassering op het adres aan de Utrechtsestraat 47, 6811 LT Arnhem of hiertoe via telefoonnummer 026-4430146 een afspraak maakt. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Ook moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen, die hem door de reclassering worden gegeven;

- zich na de klinische opname laat behandelen voor zijn autisme spectrum stoornis en bipolaire stemmingsstoornis bij de forensische polikliniek van Kairos of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- na de klinische opname zal verblijven binnen een begeleid zelfstandige of beschermende woonvorm, zulks ter beoordeling van de kliniek en/of de reclassering en zich te houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten 15 januari 2018).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. M.P. Bos en mr. B.F.M. Klappe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 december 2017.

mr. B.F.M. Klappe en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant Nieboer van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017416484, gesloten op 10 september 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.