Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6845

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
05/880825-14 (ontn.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het witwassen van ruim 550.000 euro. Geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/880825-14

Datum zitting : 14 december 2017

Datum uitspraak: 28 december 2017

Tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op : [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

adres : [adres 1] ,

plaats : [adres 2] ,

raadsman : mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 339.308,64.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 2 februari 2017 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. De officier van justitie heeft aangegeven dat de ontnemingsvordering, conform de inhoud van het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling’ (hierna: het rapport WVV), een bedrag van € 561.642,82 behelst.

De rechtbank heeft het onderzoek in (zowel de strafzaak als) de ontnemingszaak geschorst tot de terechtzitting van 6 april 2017 en besloten dat de verdediging uiterlijk op 23 maart 2017 een schriftelijk reactie op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te overleggen.

Ter terechtzitting van 6 april 2017 heeft de rechtbank het onderzoek in (zowel de strafzaak als) de ontnemingszaak opnieuw geschorst en is besloten dat de verdediging uiterlijk op

1 september 2017 een schriftelijk reactie op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te overleggen.

Op 4 oktober 2017 is door de verdediging een overzicht van – zo gesteld – inkomsten en uitgaven van veroordeelde overgelegd. Op 9 november 2017 heeft de verdediging een conclusie van antwoord overgelegd.

Op 27 november 2017 heeft de officier van justitie een conclusie van repliek overgelegd. De officier van justitie heeft, in reactie op het conclusie van antwoord, de ontnemingsvordering aangepast naar een bedrag van € 552.142,82.

Op 12 december 2017 heeft de verdediging een conclusie van dupliek overgelegd.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is voor het laatst op 14 december 2017 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering van € 552.142,82.

Veroordeelde en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

4 De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de onderbouwing van de ontnemingsvordering verwezen naar het rapport WVV en de conclusie van antwoord. De grondslag van de ontneming is (en was) artikel 36e, derde lid, Sr. Uit de gewijzigde kasopstelling volgt een onverklaarbaar verschil van € 552.142,82. Het opsporingsonderzoek heeft uitgesloten dat dit bedrag een legale herkomst heeft. Duidelijk en aannemelijk is dat dit aanzienlijke bedrag van misdrijf afkomstig is bij gebrek aan een concrete legale bron, zodat daarmee is gegeven dat er brondelicten zijn gepleegd waarmee geld is gegenereerd. Dat maakt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 552.142,82 moet worden geschat. Dit geld is hij daarna gaan witwassen. Tot slot wordt verzocht om aan veroordeelde een betalingsverplichting voor hetzelfde bedrag op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het witwassen, waar de kasopstelling op is gebaseerd, op zichzelf geen wederrechtelijk voordeel genereert. Het standpunt van de officier van justitie dat veroordeelde eerst wederrechtelijk verkregen voordeel (uit onbekend gebleven brondelicten) heeft verkregen en dat vervolgens heeft witgewassen, is pas in de conclusie van antwoord ingenomen en daardoor te laat naar voren gebracht. De verdediging heeft hier, met de toepassing van artikel 36e, derde lid, Sr, geen rekening mee kunnen houden. Verder is naar voren gebracht dat de kasopstelling onjuist is. Er is ten onrechte uitgegaan van een beginsaldo van nul euro. Dit had, gelet op het overgelegde overzicht van de inkomsten en uitgaven van veroordeelde, een bedrag van € 610.230,- moeten zijn. Dat geld bestond uit spaargeld en geld van de verpanding van familiegoud, waaronder een gouden broekriem bezet met diamanten. Ook is de begindatum van de kasopstelling, te weten 1 januari 2007, onjuist. Dit had 5 september 2007 moeten zijn, omdat op die dag de eerste contante betaling in de kasopstelling is verricht. Daarnaast heeft de verdediging verschillende posten betwist, waarop de rechtbank in haar beoordeling zal terugkomen.

De beoordeling van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op

28 december 2017 tegen veroordeelde gewezen vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

Grondslag van de ontneming

Onder artikel 36e, derde lid, Sr (van vóór 1 juli 2011) kon al ontnomen worden voor andere strafbare feiten dan waar veroordeelde voor is veroordeeld, maar enkel wanneer voor het feit, waarvoor is veroordeeld, een geldboete van de 5e categorie kon worden opgelegd en tegen (veroordeelde als) verdachte een strafrechtelijke financieel onderzoek was ingesteld. Onder de nieuwe bepaling van dit artikellid is het vereiste van het strafrechtelijke financieel onderzoek komen te vervallen.

Het artikellid luidt thans als volgt:

‘Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:

a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;

b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.’

Het rapport WVV is opgemaakt op 2 juli 2015. Op pagina 4 van het rapport WVV staat als doelstelling dat het rapport WVV dient ter bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van ontneming door een berekening te maken van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr. Niet valt in te zien, zoals de verdediging heeft gesteld, dat de grondslag van de ontneming sindsdien is gewijzigd.

Verder overweegt de rechtbank nog dat tegen de veroordeelde (destijds verdachte) een strafrechtelijke financieel onderzoek is ingesteld en dat hij is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, zodat verder zowel aan de oude als huidige wettelijke eisen is voldaan.

Eenvoudige kasopstelling

De rechtbank zal de door de politie opgestelde eenvoudige kasopstelling als uitgangspunt nemen.2

Ontnemingsperiode

In de kasopstelling is uitgegaan van de periode 1 januari 2007 tot en met 14 oktober 2014. Niet valt in te zien dat van een andere begindatum uitgegaan zou moeten worden. In de kasopstelling is, naar het oordeel van de rechtbank, terecht uitgegaan van het feit dat veroordeelde vanaf 2007 contante uitgaven heeft verricht die niet uit zijn legaal verkregen inkomsten konden worden verantwoord. Zo is gebleken dat veroordeelde in juni 2007 een woonwagen heeft aangekocht, waarvoor hij in september 2007 twee betalingen van in totaal € 60.000,- heeft verricht.3 Omdat veroordeelde in die periode volgens de gegevens van de Belastingdienst geen inkomsten genoot4 en van andere legale inkomsten niet is gebleken, is de aankoop van woonwagen – zoals hierna ook zal worden overwogen – onverklaarbaar. Het is niet kennelijk onredelijk dat enkele maanden voorafgaande aan een dergelijke (onverklaarbare) aankoop naar de uitgaven en inkomsten van de veroordeelde wordt gekeken. Er zullen inkomsten gegenereerd moeten zijn om deze aankoop te kunnen doen. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de begindatum genoemd in de kasopstelling, te weten 1 januari 2007. .

Beginsaldo

Het beginsaldo is per 1 januari 2007 bepaald op nihil. Uit gegevens van de Belastingdienst noch uit andere gegevens is informatie verkregen om objectief de aanwezigheid van een positief kassaldo te kunnen vaststellen. Veroordeelde heeft hieromtrent - bij de politie - geen enkel inzicht willen geven. Verder was het saldo op zijn bankrekening [nummer 1] per 1 januari 2007 negatief.

Met verwijzing naar het op 4 oktober 2017 overgelegde overzicht heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde op 1 januari 2007 een bedrag van € 610.230,- aan beginsaldo heeft gehad. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk. Nog daargelaten dat de stelling niet strookt met de verklaring van veroordeelde in de strafzaak dat het verhaal over de verpanding van het familiegoud de enige lezing is voor de herkomst van het geld, is het gestelde beginsaldo van ongeveer € 610.230,- op geen enkele wijze onderbouwd en daarmee dus niet verifieerbaar. Verder merkt de rechtbank nog op dat het gestelde beginsaldo van € 610.230,- ook niet strookt met (de noodzaak van) het kort daarvoor belenen van familiegoud om dat als startkapitaal te gebruiken voor de handel, op welk kapitaal vervolgens vrijwel alleen maar zou zijn ingeteerd omdat veroordeelde heeft gesteld er goed van te hebben geleefd.

Omtrent de stelling van de verdediging dat veroordeelde familiegoud heeft verpand en dat hij dat geld met zijn handel zou hebben verdubbeld, wordt verwezen naar het strafvonnis. Daarin is uitgebreid gemotiveerd dat deze stelling niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is. De stelling is dus niet aannemelijk, zodat evenmin aannemelijk is dat van een ander beginsaldo dan nul euro dient te worden uitgegaan.

Legale contante ontvangsten

In genoemde periode bestonden legale contante ontvangsten uit:

  1. Contante bankopnames van veroordeelde, zijn partner [naam 1] en zijn dochter [naam 2] ter hoogte van respectievelijk € 32.229,-, € 11.700,- en € 310,-;

  2. Contante inkomsten uit bedrijfsmatige werkzaamheden van [naam 3] , de eenmanszaak van veroordeelde5. In de periode vanaf 7 december 2010 tot en met 2 juli 2014 volgt uit het kasboek een bedrag van € 234.245,- aan ingeboekte facturen;

3. Legale overige inkomsten: veroordeelde heeft op 25 september 2007 een woonwagen contant verkocht voor een bedrag van € 46.500,-.

Deze bedragen maken een totaal van € 324.984,-.

Eindsaldo contant geld

Volgens het kasboek van [naam 3] bedroeg het eindsaldo op 2 juli 2014 € 9.540,-. Het geld stond tot de beschikking van [naam 3] , en daarmee van veroordeelde. Het contante geld is niet aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van veroordeelde.

Werkelijke contanten uitgaven

In genoemde periode bestonden de contante uitgaven uit:

1. Contante stortingen op bankrekeningen:

- Op bankrekening [nummer 1] (t.n.v. veroordeelde) een bedrag van € 149.985,-;

- Op bankrekening [nummer 2] (t.n.v. [naam 2] ) een bedrag van € 438,-

Deze bedragen maken een totaalbedrag van € 150.423,-.

2. Contante uitgaven uit bedrijfsmatige werkzaamheden van [naam 3] : in het kasboek betroffen de uitgaven, als zijnde bedrijfsmatige inkopen, vanaf 7 december 2010 tot en met 2 juli 2014, in totaal € 193.300,-.

3. Contante uitgaven overig.

Veroordeelde heeft verklaard dat hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 oktober 2014 in Nederland met (eigen) contant geld de tenlastegelegde goederen, behoudens de casco woonwagen en de Kia Rio met kenteken [kenteken 1] , heeft gekocht. De gebitsrenovatie kostte hem € 20.000,- (in plaats van € 24.000,-). De Kia Rio met kenteken [kenteken 1] heeft hij niet gekocht met eigen geld, maar met spaargeld van zijn dochter [naam 2] .6 Het dossier bevat voor alle tenlastegelegde goederen de aankoopbewijzen. De verwijzingen daarvoor staan in het proces-verbaal AH073 (zie voetnoot 2).

De beide Kia Rio’s zijn met inruil van twee keer een Fiat gekocht, waarbij € 12.500,- aan contant geld is betaald door veroordeelde aan de verkoper [naam 4] . Voor de Kia Rio met kenteken [kenteken 1] is € 5.500,- (p. 1457) bijbetaald, en voor de andere Kia Rio € 7.000,- (p.1458). De rechtbank vindt het niet op voorhand onaannemelijk dat de Kia Rio met kenteken [kenteken 1] is betaald met het spaargeld van dochter [naam 2] . Verdacht heeft op zitting verklaard waarom hij kon beschikken over dit geld. Dat betekent dat er € 5.500,- aan beginsaldo moet worden gecorrigeerd ten voordele van veroordeelde. Dit is – net als bij de kosten voor de gebitsrenovatie – verwerkt in het onderstaande overzicht van de contante uitgaven.

Wat betreft de woonwagen het volgende. De verdediging heeft gesteld dat het bedrag van

€ 45.000,- zou zijn voldaan als onderdeel van de aanschaf van de woonwagen aan de [adres 1] van € 96.000,-. Die stelling volgt de rechtbank niet. De termijnen voor de woonwagen aan de [adres 1] zijn contant per kas voldaan op 7 september 2007 (€ 15.000,-), 25 september 2007 (€ 45.000) en 22 mei 2008 (€ 10.000,-).7 Daarnaast zijn op 9 januari 2008 en 13 maart 2008 nog eens € 30.000,- respectievelijk € 15.000,- per kas betaald voor een casco woonwagen.8 Niet valt in te zien dat deze termijnen zien op dezelfde woonwagen, omdat deze tezamen anders de overeengekomen € 96.000,- ver zouden overstijgen. De rechtbank concludeert dat veroordeelde kennelijk twee woonwagens heeft aangekocht.

Daar waar door de verdediging in de conclusie van antwoord nog werd betwist dat veroordeelde degene is geweest die € 12.000,- heeft betaald voor het recht van opstal (als onderdeel van het hieronder in het overzicht staande bedrag van € 108.000,-), dat hij de Seadoo Doo RXT RS 260 en trailer heeft aangekocht en deze voorwerpen hem toebehoorden en dat hij betalingen heeft verricht voor de Mercedes Benz CLS 350 met kenteken [kenteken 2] , heeft veroordeelde ter terechtzitting van 14 december 2017 verklaard dat hij deze betalingen wel degelijk (contant) heeft verricht.9

Het vorenstaande leidt tot het volgende overzicht van overige contante uitgaven:

- woonwagen [adres 1] € 108.000,00

- keuken woonwagen € 27.000,00

- Jets tbv badkamer € 7.500,00

- aankoop casco woonwagen € 45.000,00

- aankoop Sea Doo RXT RS 260 + trailer € 17.500,00

- aankoop Camper Fiat Rapido € 51.500,00

- aankoop Seadoo GTX 260 IS € 13.500,00

- Kia Rio ( [kenteken 1] ) (minus € 5.500,-) € 30.672,00

- aankoop waterscooter € 4.500,00

- vakanties familie Keiman € 16.780,00

- gebitsrenovatie (minus € 4.000,-) € 20.000,00

- aankoop Chalet Willerby € 19.250,00

- lease auto ( [kenteken 2] ) € 15.208,00

- opleidingskosten € 2.930,00

- huur auto ( [kenteken 3] ) € 10.005,00

- horloge (Hublot) € 27.000,00

- Bergman Clinic € 4.150,00

- Harley-Davidson met kenteken [kenteken 4] € 17.133,23

- diverse contante uitgaven € 8.405,01

-------------------

Totaal aan contante overige uitgaven € 446.033,24

4. Overige contante uitgaven (gezamenlijk huishouden) van veroordeelde volgens het NIBUD: over de onderzoeksperiode bedroegen de totale genormeerde (basis)
NIBUD-uitgaven voor het huishouden van veroordeelde € 221.098,-. Via geanalyseerde bankmutaties en contante facturen zijn NIBUD-gerelateerde uitgaven waargenomen die door veroordeelde, zijn partner [naam 1] en zijn dochter [naam 2] zijn verricht. Dit betrof een totaalbedrag van € 143.267,25. Zodoende is in de kasopstelling een bedrag van € 77.830,58 aan (onverklaarbare) uitgaven meegenomen.

Het totaalbedrag aan contante uitgaven in de onderzoeksperiode betrof aldus € 867.586,82

Samenvatting kasopstelling

Beginsaldo contant geld per 1 januari 2007 € 0,00 +

Legale contanten ontvangsten (incl. bankopnames) € 324.984,00 +

Eindsaldo contant geld per 7 oktober 2014 € 9.540,00 _

-------------------

Beschikbaar voor het doen van contante uitgaven € 315.444,00

Werkelijke contante uitgaven (incl. bankstortingen) € 867.586,82 –

-------------------

Onverklaarbaar verschil € 552.142,82 –

Conclusie rechtbank

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde, gelet op de kasopstelling, meer contant geld heeft uitgegeven dan dat er is binnengekomen. Dit betreft meer dan een half miljoen euro. Voor de herkomst daarvan heeft hij geen aannemelijke verklaring gegeven.

Voor ontneming is, zoals volgt uit de hierboven aangehaalde tekst van artikel 36e, derde lid, Sr, niet noodzakelijk dat exacte brondelicten zijn vastgesteld. Aannemelijk is dat het bedrag van € 552.142,82 van misdrijf afkomstig is bij gebrek aan een concrete legale bron, zodat daarmee is gegeven dat er één of meer brondelicten zijn gepleegd, waarmee geld is gegenereerd. Het moment van verkrijgen van het geld uit onbekende brondelicten is het moment dat het vermogen van veroordeelde is toegenomen en hij wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Totale voordeel / betalingsverplichting

Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel schat de rechtbank, conform de vordering van de officier van justitie, op € 552.142,82. Gesteld noch gebleken is een aanleiding om de betalingsverplichting van veroordeelde te matigen. Daarvoor ziet de rechtbank dan ook geen reden.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 552.142,82 (zegge: vijfhonderdtweeënvijftig duizend honderdtweeënveertig euro en tweeëntachtig cent);

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 552.142,82 (zegge: vijfhonderdtweeënvijftig duizend honderdtweeënveertig euro en tweeëntachtig cent).

Aldus gegeven door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. R.G.J. Welbergen en

mr. G.J.M. van Wijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2017.

mr. de Munnik en mr. van Wijk zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant(en) van de politie Oost Nederland, opgemaakte proces-verbaal, projectnaam 07DFR14002 KANARIE, gesloten op 4 augustus 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Voor deze hele paragraaf (op onderdelen met aanvullingen van andere voetnoten): AH073: rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, proces-verbaalnummer 2014106.1100, p. 2 t/m 34, en de daarin genoemde bijlagen.

3 A.05.01.002.001 (2 pagina’s), bijlage bij het ongenummerde proces-verbaal AH073 rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, proces-verbaalnummer 2014106.1100.

4 AH002: proces-verbaal van verstrekking en informatie van belastingdienst, p. 171 t/m 173. Zie pagina 8 van het relaas-pv voor een schematisch overzicht.

5 AH001-019, online inzag uittreksel van Kamer van Koophandel, p. 123 en 124.

6 Verklaring van (destijds) verdachte ter terechtzitting van 14 december 2017.

7 A.05.01.002.001 (2 pagina’s), bijlage bij het ongenummerde proces-verbaal AH073 rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, proces-verbaalnummer 2014106.1100.

8 A.06.02.010.002 en A.06.02.010.003, nota’s op naam van veroordeelde, bijlage bij voornoemd
proces-verbaal AH073.

9 Verklaring van (destijds) verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 december 2017