Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6832

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7864
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Woning met recreatieplaatsen. Recreatieplaatsen na huisnummerbesluiten op grond van de Wet Basisregistraties adressen en gebouwen na afloop van de respectievelijke belastingjaren in de heffing betrokken. Eiser voert onder meer schending van diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/25
Belastingblad 2018/77 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2018/13.26.3
Viditax (FutD), 04-01-2018
FutD 2018-0196
NTFR 2018/265 met annotatie van A. Oosters
NLF 2018/0131 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/7864 en AWB 16/7865

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 december 2017

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag rioolheffing (aanslagnummer [000] ) opgelegd ten bedrage van € 224,55. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag rioolheffing (aanslagnummer [001] ) opgelegd ten bedrage van € 231,44.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 6 december 2016 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij faxbericht van 23 december 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [Y] en de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Eiser heeft ter zitting twee foto’s overgelegd. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging hiervan. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Ter zitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Op 7 december 2017 heeft het tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [Y] en de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. De woning van eiser is gelegen aan de [A-straat 1] te [Z] . Eiser exploiteert een achter en naast die woning gelegen recreatieterrein met 29 recreatieplaatsen. Op die recreatieplaatsen staan chalets, stacaravans en caravans (hierna samen: chalets). Bij huisnummerbesluiten van 16 oktober 2014 en 21 oktober 2014 zijn op grond van de Wet Basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: Wet BAG) aan genoemde recreatieplaatsen huisnummers toegekend, te weten [A-straat 2] .

2. Met dagtekening 28 februari 2015 heeft verweerder ten name van eiser onder meer een aanslag rioolheffing voor het jaar 2015 vastgesteld ten aanzien van [A-straat 1] te [Z] van € 224,55 en met dagtekening 31 mei 2016 onder meer een aanslag rioolheffing ten aanzien van datzelfde adres voor het jaar 2016 van € 231,44.

3. Met dagtekening 30 september 2016 heeft verweerder ten name van eiser aanslagen rioolheffing voor de jaren 2015 en 2016 vastgesteld ten aanzien van [A-straat 3] te [Z] van respectievelijk € 224,55 en € 231,44 (hierna samen ook: de aanslagen).

4. Ter zitting is komen vast te staan dat de voor voorgaande jaren bij aanslag vastgestelde bedragen rioolheffing in lijn liggen met de onder 2. hiervoor genoemde bedragen.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 3. hiervoor genoemde aanslagen, welke bezwaren door verweerder ongegrond zijn verklaard.

Geschil

6. In geschil is of de aanslagen terecht zijn opgelegd.

7. Eiser heeft acht gronden geformuleerd, waarvan de eerste grond strijd met het verbod van willekeur en het motiveringsbeginsel inhoudt, omdat onduidelijk is waarom juist [A-straat 3] is aangemerkt als apart perceel en de andere recreatieplaatsen niet. Daarnaast is al rioolheffing ter zake van het gehele recreatieterrein geheven. Ten derde heeft eiser de toepassing van de definitie van een perceel in de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2015 van de gemeente Wijk bij Duurstede en de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2016 van de gemeente Wijk bij Duurstede (hierna samen: de Verordening), bestreden. Naar zijn mening is het gehele recreatieterrein aan te merken als één perceel in de zin van de Verordening. Ten vierde heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet Woz) sprake is van één terrein en dat het onredelijk is om eiser ter zake van elk van de recreatieplaatsen in de heffing te betrekken. Subsidiair heeft hij gesteld dat elke recreatieplaats weliswaar apart in de heffing zou mogen worden betrokken, maar dan tegen een verlaagd recreatietarief en na een overgangstermijn. In de vijfde plaats heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat sprake is van dubbele heffing aangezien hij al rioolheffing voor het gehele perceel heeft betaald. In het nader stuk van 10 april 2017 heeft eiser aangevoerd dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel dan wel zorgvuldigheidsbeginsel omdat eiser in de jaren 2012 en 2013 niet voor afzonderlijke percelen is aangeslagen en subsidiair dat hij door het met terugwerkende kracht opleggen van de aanslagen de in rekening gebrachte bedragen niet meer kan doorbelasten. Daarnaast kan de Wet BAG geen reden zijn om (met terugwerkende kracht) tot belastingheffing over te gaan, aldus eiser. Ten slotte heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het chalet dat geplaatst is op [A-straat 3] roerend is en op grond daarvan niet in de heffing kan worden betrokken.

8. Verweerder is van mening dat de aanslagen terecht zijn opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Regelgeving

9. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

10. Op grond van artikel 2 van de Verordening wordt onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, evenals de zuivering van huishoudelijk afvalwater, alsmede de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, evenals het treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

11. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt de belasting geheven van de degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Onder een perceel wordt verstaan: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan (artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening).

12. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening wordt met betrekking tot de belasting, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat degene op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

13. Op grond van artikel 4 van de Verordening wordt, indien gedeelten van een in artikel 3 van de Verordening bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Dubbele heffing en vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel

14. Gelet op het feit dat in voorgaande jaren nimmer per recreatieplaats rioolheffing in rekening is gebracht, deze heffing bij eiser ook niet op voorhand is aangekondigd en eiser ter zake van [A-straat 1] in de heffing is betrokken, mocht hij er naar het oordeel van de rechtbank van uitgaan dat hij niet nogmaals in de rioolheffing zou worden betrokken. De bij hem in rekening gebrachte rioolheffing is in vergelijking met voorgaande jaren ook niet dusdanig laag dat het op zijn weg had gelegen om hierover in overleg te treden met verweerder. Als verweerder aanslagen rioolheffing had willen opleggen ter zake van de afzonderlijke recreatieplaatsen had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen dat deze heffing zou zijn aangekondigd en daarmee slechts naar de toekomst toe zou werken. Ook had het in dat geval voor de hand gelegen dat in de al aan eiser opgelegde aanslagen ter zake van [A-straat 1] duidelijk was gemaakt dat dit slechts het perceel betrof dat zijn eigen woning omvatte. De beroepen zijn daarom gegrond.

15. Aangezien verweerder heeft aangekondigd ook de overige recreatieplaatsen in de heffing te zullen betrekken, zal de rechtbank, ondanks dat dat strikt genomen niet noodzakelijk om het onderhavige geschil te beslechten, ook de overige beroepsgronden van eiser beoordelen om zo bij te dragen aan een zo definitief mogelijke afdoening van het geschil. Daarbij merkt de rechtbank op dat hetgeen onder 14. hiervoor is overwogen eveneens geldt ten aanzien van de overige recreatieplaatsen.

Strijd met het verbod van willekeur en het motiveringsbeginsel

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door tot op dit moment slechts [A-straat 3] in de heffing te betrekken niet gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en ook niet in strijd met het motiveringsbeginsel. Ter zitting is immers komen vast te staan dat verweerder voornemens is ook de andere recreatieplaatsen in de heffing te betrekken. Verweerder mag mede gelet daarop de keuze maken om eerst [A-straat 3] in de heffing te betrekken aangezien hij op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang gelezen met artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen drie jaar de tijd heeft om een aanslag rioolheffing op te leggen en die termijn nog niet is verstreken.

Perceel en artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet Woz

17. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op hetgeen is bepaald in artikel 4 van de Verordening het gehele recreatieterrein niet aan te merken als één perceel. [A-straat 3] voldoet immers aan de voorwaarden voor een perceel, een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. Niet in geschil is dat [A-straat 3] direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

18. Het staat de gemeentelijke regelgever vrij in haar belastingverordeningen de heffingsmaatstaven te bepalen, zolang een gemeentelijke belasting niet afhankelijk wordt gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.(artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet). De gemeente Wijk bij Duurstede hoeft geen aansluiting te zoeken bij het bepaalde in artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet Woz. Van onredelijke belastingheffing is in zoverre dus geen sprake. Ook het in zoverre verdedigde subsidiaire standpunt van eiser stuit hierop af. Eiser dient zich met deze klachten te richten tot de gemeentelijke regelgever, aangezien de rechtbank geen uitgebreidere toets mag aanleggen dan hiervoor is gedaan.

Wet BAG

19. De rechtbank is van oordeel dat in de Wet BAG geen reden tot heffing is gelegen. Hooguit zijn die wet en de daaruit voortvloeiende besluiten voor verweerder een aanleiding geweest om te bezien of de afzonderlijke recreatieplaatsen in de rioolheffing zouden kunnen worden betrokken.

Roerend of onroerend

20. De rechtbank stelt voorop dat zij in de onderhavige zaak slechts kan beoordelen of het chalet dat staat op het perceel aan de [A-straat 3] als roerend dan wel onroerend dient te worden aangemerkt. Ter zake van de overige percelen zal dat een beoordeling vergen van de relevante feiten en omstandigheden. Voor het in de heffing betrekken van een object is – gelet op de definitie van een perceel in de Verordening – in dit geval niet relevant of het roerend dan wel onroerend is. Dat is slechts relevant voor het antwoord op de vraag aan wie een aanslag rioolheffing kan worden opgelegd.

21. In het geval van [A-straat 3] is de rechtbank van oordeel dat het chalet bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Bij deze beoordeling dient te worden gelet op de bedoeling van de bouwer of degene in wiens opdracht het bouwwerk is aangebracht voor zover deze naar buiten kenbaar is. Tot de gedingstukken behoort een foto, waarop onder meer een voor het chalet opgerichte schutting zichtbaar is en een terras van tegels en een veranda, die aansluiten op het chalet. Gelet op die foto en dat niet in geschil is dat het chalet is aangesloten op het water- en elektriciteitsnet en op de riolering, is de rechtbank van oordeel dat het chalet naar aard en uiterlijk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.

22. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de aanslagen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.237,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 28 december 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.