Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6817

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
05/720275-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt twee verdachten voor het medeplegen van een poging tot woningoverval met geweld op een alleenwonende op leeftijd zijnde man tot een gevangenisstraf van twee jaar waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720275-17

Datum uitspraak : 28 december 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht,

raadsman mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 december 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2017 te Apeldoorn

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (grote)

hoeveelheid geld (uit een kluis in de woning, gelegen aan de [adres 2]

te Apeldoorn), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te

plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

immers heeft/hebben of is/zijn verdachte en/of zijn mededader

-met (veel) kracht de voordeur (verder) open geduwd/gedrukt (nadat die [slachtoffer] de

voordeur had opengemaakt en zich aldus vlak achter/bij die voordeur in de

hal/gang bevond) en/of

-voornoemde woning binnengedrongen en/of

-die [slachtoffer] met kracht bij de keel vastgepakt of vastgegrepen (gehouden) en/of

-die [slachtoffer] geduwd en/of aan die [slachtoffer] getrokken en/of met die [slachtoffer] in een

worsteling geraakt en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen (met kracht) in/op/tegen het gezicht althans op/tegen

het hoofd gestompt/geslagen en/of

-de mond van die [slachtoffer] dichtgetaped(met ducttape) en/of de handen/polsen van

die [slachtoffer] geboeid/bij/aan elkaar vastgemaakt met tiewraps en/of

-in de woning gezocht naar de kluis en/of kluissleutel (terwijl die [slachtoffer]

getaped en geboeid achterbleef in de hal/gang van die woning),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 31 augustus 2017 komt er bij het operationeel centrum van de politie een telefonische melding binnen van een verdachte situatie aan de [straatnaam 1] ter hoogte van perceel [huisnummer] te Apeldoorn naast [bedrijf] . Meldster ziet een manspersoon met een pakketje in zijn handen voor de deur van de woning staan, terwijl een andere manspersoon kennelijk om de hoek op de uitkijk staat. Beide manspersonen dragen zwart gekleurde kleding.

Naar aanleiding van deze melding begeven meerdere politiemensen zich naar de opgegeven

locatie. Eén van de politiemensen ziet dat aan de achterzijde van de woning twee personen op het platte dak van de woning staan en dat deze twee personen naar beneden springen. Deze personen worden vervolgens - nadat ondersteuning is gearriveerd – aangehouden. Dit blijken verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) te zijn.2

Door de politie wordt vervolgens de voordeur van de woning [adres 2] te Apeldoorn geforceerd. Achter de deur wordt een man, naar later blijkt aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), aangetroffen. Deze man ligt op de grond en heeft zichtbaar letsel aan zijn neus en linker oog, terwijl de polsen van de man met tiewraps aan elkaar zijn vastgebonden.

In de directe omgeving van de plaats delict wordt op de [straatnaam 2] te Apeldoorn een Peugeot, type Expert, voorzien van het kenteken [kenteken] , aangetroffen. Deze auto wordt in beslag genomen. In de auto worden diverse spullen, waaronder trainingspakken, aangetroffen en in beslag genomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht aan de hand van haar schriftelijk requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring van de poging woningoverval kan worden gekomen, behoudens de gedachtestreepjes die zien op het bij de keel pakken/vastgrijpen (houden) en het in of op het gezicht/hoofd slaan/stompen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het geweld. De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij niet wist dat medeverdachte [medeverdachte] een overval zou plegen en dat hij enkel met de medeverdachte had afgesproken dat hij aan de deur zou bellen en zou zeggen dat hij een pakketje kwam brengen. De raadsman heeft het standpunt van de verdediging ter zitting verder toegelicht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het tenlastegelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van een overval in zijn woning aan de [adres 2] in Apeldoorn op donderdag 31 augustus 2017. Hij verklaart als volgt. Tussen 22.00 en 22.15 uur hoort hij dat de deurbel gaat. Hij kijkt via het scherm van de camera wie er voor de deur staat. Hij ziet dat er in zwart gekleed persoon voor de deur staat. Via de intercom hoort hij een mannenstem zeggen: “Ik kom een pakketje brengen”. Aangever loopt via de trap naar beneden en opent de voordeur. Hij voelt dat de voordeur met veel kracht wordt geopend vanaf de buitenzijde. Hij ziet twee onbekende in zwart geklede personen. Hij ziet dat de twee mannen naar binnen komen en dat één van de twee mannen hem bij de keel grijpt en ook vast houdt. Er ontstaat een worsteling met de twee mannen. Hij schreeuwt hard dat iemand 112 moet bellen. Op dat moment raakt hij buiten westen. Als hij wakker wordt ziet hij dat er tie-wraps om zijn polsen zitten.3

Er is een letselrapportage opgemaakt, betreffende het door aangever opgelopen letsel, onder meer inhoudende:

Letselbeschrijving:

• Keel [foto 2989, 2990, 2991, 2995 en 2996]: Aan weerszijden van de keel was de huid donkerrood verkleurd. De verkleuring had een vlekkerig aspect en was vaag begrensd. Met name waren er geen duidelijke patronen of afdrukken in te herkennen. Dit letsel past bij drukplekken. Ter hoogte van de schuine halsspier rechts was een groepje kleine donkerrode huidverkleuringen te zien. Dit kan worden geduid als puntbloedingen.

Met betrekking tot de vraag of het letsel bij de toedracht zoals deze uit het procesdossier blijkt:

(…)

Ten aanzien van de geconstateerde rode verkleuring op de keel constateert de rapporteur dat dit zou kunnen passen bij de verklaring van betrokkene dat hij bij de keel gegrepen of met de handen tegen zijn keel tegen de grond gedrukt is. Er zijn echter geen duidelijke hand- of vingerafdrukken herkenbaar die dit zouden kunnen onderbouwen. Dat wil geenszins zeggen dat de verklaring van betrokkene onjuist zou zijn, want als de handen tijdens het dichtdrukken van de keel, bijvoorbeeld bij een worsteling, verplaatst zijn of meerdere malen geknepen hebben, dan is er logischerwijs geen duidelijk patroon meer zichtbaar.4

Medeverdachte [medeverdachte] heeft, voor zover hier relevant, het volgende verklaard:

Zijn maat heet [verdachte] . Het was een idee van hen beiden om naar Apeldoorn te gaan. Ze zouden alles 50/50 verdelen.5

[verdachte] belde aan en hij stond om de hoek. [verdachte] zei dat er een pakketje voor hem was. Toen de deur open werd gedaan is hij naar de deur toegelopen. Hij zag dat de bewoner al op zijn rug op de grond lag. De bewoner was al redelijk buiten bewustzijn. Hij heeft zijn ogen en mond afgeplakt. [verdachte] hield de man vast. Hij heeft de man aan de voorzijde geboeid met de tie-wrap. De worsteling bestond uit het vasthouden van de man. Hij kwam luttele seconden na [verdachte] binnen. Toen hij de mond afplakte was de man rustig. Hij is vervolgens naar boven gegaan en [verdachte] bleef bij de man achter. Hij heeft eerst de kluis gevonden en is toen vervolgens de sleutels gaan zoeken. De kluis was in de slaapkamer. 6

Ze hadden tape, tie-wraps, een doosje, een tas meegenomen, en andere kleding voor de weg terug, om niet snel herkend te worden De handschoenen waren nodig om vingerafdrukken te voorkomen.7

Verdachte heeft tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

Hij is samen met [medeverdachte] ( [medeverdachte] , de medeverdachte, rechtbank) naar Apeldoorn gekomen.8

Hij is meegegaan als ondersteuning. Hij heeft aangebeld. Hij had een doosje bij zich. Hij heeft de doos van [medeverdachte] gekregen. Hij stond met het doosje aan de deur, zodat er dan open gedaan zou worden. Want als [medeverdachte] er zou staan, dan zou er waarschijnlijk niet worden open gedaan omdat [medeverdachte] nog geld tegoed had van de bewoner. Hij kwam er later achter dat [medeverdachte] tie-wraps en tape bij zich had. De handschoenen heeft hij tijdens het lopen naar de deur aangedaan. Ze zijn met z’n tweeën naar binnen geschoten en vielen gelijk op de grond. Hij is op de man gevallen. [medeverdachte] deed de tie-wrap om toen de man op de grond lag.9

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat hij samen met verdachte de overval heeft gepland en daarbij een afspraak heeft gemaakt over de verdeling van de buit. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] actief deelgenomen aan die overval. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen bij de politie van [medeverdachte] , met name ook omdat [medeverdachte] zichzelf in die verklaringen ook belast.

Uit de eigen verklaring van verdachte blijkt dat was afgesproken dat hij, om te voorkomen dat [medeverdachte] door aangever zou worden herkend, met een pakketje aan de voordeur van aangever heeft gebeld zodat de deur zou worden opengedaan. De rechtbank hecht geen geloof aan de stelling van verdachte dat hij niet wist wat er zou gaan gebeuren totdat de aangever de deur opende; het feit dat hij kort daarvoor handschoenen aandeed om vingerafdrukken te voorkómen wijst op het tegendeel. Dat maakt ook de verklaring van verdachte ongeloofwaardig dat hij slechts tot doel had een onschuldige hand- en spandienst te verrichten bij het incasseren van een geldschuld van aangever aan [medeverdachte] en dat hij werd verrast door de overval. Ook acht de rechtbank de verklaring van verdachte over de in de auto aangetroffen kleding, te weten dat deze bestemd was om later op de avond nog te gaan trainen, in het licht van het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig.

Op basis van het voorgaande, in het bijzonder de verklaringen van de medeverdachte en de verklaringen van aangever, stelt de rechtbank vast dat verdacht een substantieel aandeel heeft gehad in de woningoverval en dat daarbij sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. De rechtbank merkt bij de bewezenverklaring daarom verdachte aan als medepleger.

Verder stelt de rechtbank aan de hand van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat de volgende geweldshandelingen zijn toegepast: het met kracht openduwen van de deur, het binnendringen van de woning, het met die [slachtoffer] in een worsteling geraken en het tapen van de mond van die [slachtoffer] en het vastmaken van de handen/polsen van die [slachtoffer] .

Tevens stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] bij de keel is vastgepakt of vastgegrepen. De verklaring van aangever [slachtoffer] hierover wordt in voldoende mate ondersteund door de beschrijving van het letsel in de letselrapportage.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onderdeel “het meerdere malen met kracht in/tegen het gezicht althans op/tegen het hoofd stompen” niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

Het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet had op het toepassen van geweld wordt verworpen. Het was de bedoeling van verdachte en zijn medeverdachte om de bewoner te overmeesteren en geld uit de woning mee te nemen. In dat “overmeesteren” ligt al geweldsuitoefening besloten, temeer nu verzet van de bewoner daartegen door verdachten kennelijk werd verwacht gelet op de voorbereiding van de overval en de wijze waarop zij dat verzet hebben gebroken, door het slachtoffer in bedwang te houden en de vooraf meegenomen tie-wraps en ducttape aan te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat geweld zou worden gebruikt.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2017 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (grote) hoeveelheid geld (uit een kluis in de woning, gelegen aan de [adres 2] te Apeldoorn), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

immers heeft/hebben of is/zijn verdachte en/of zijn mededader -met (veel) kracht de voordeur (verder) open geduwd/gedrukt (nadat die [slachtoffer] de voordeur had opengemaakt en zich aldus vlak achter/bij die voordeur in de hal/gang bevond) en/of -voornoemde woning binnengedrongen en/of -die [slachtoffer] met kracht bij de keel vastgepakt of vastgegrepen (gehouden) en/of

-die [slachtoffer] geduwd en/of aan die [slachtoffer] getrokken en/of met die [slachtoffer] in een

worsteling geraakt en/of

-die [slachtoffer] meerdere malen (met kracht) in/op/tegen het gezicht althans op/tegen

het hoofd gestompt/geslagen en/of

-de mond van die [slachtoffer] dichtgetaped(met ducttape) en/of de handen/polsen van die [slachtoffer] geboeid/bij/aan elkaar vastgemaakt met tiewraps en/of

-in de woning gezocht naar de kluis en/of kluissleutel (terwijl die [slachtoffer]

getaped en geboeid achterbleef in de hal/gang van die woning),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit - medeplegen van poging tot diefstal met geweld - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact gericht op het controleren en monitoren van de op te leggen voorwaarden van locatie- en contactverbod.

Bij het bepalen van haar eis heeft de officier onder meer laten wegen de impact die deze overval op het slachtoffer heeft gehad en nog steeds heeft, alsmede de grote onveiligheidsgevoelens die de overval in de nabije omgeving heeft opgeroepen. Als strafverzwarende omstandigheid heeft de officier in haar eis meegenomen dat het slachtoffer - een man op leeftijd - bewust is geselecteerd omdat verdachte en zijn medeverdachte in de veronderstelling verkeerden dat er de kluis van aangever veel geld zou liggen, de misleidende wijze waarop de daders zich de toegang tot de woning hebben verschaft, het knevelen en tapen van het slachtoffer, waarbij het slachtoffer bewusteloos is geraakt. Voorts heeft de officier rekening gehouden met de richtlijn van het OM inzake woningovervallen en de daarin gehanteerde uitgangspunten voor strafverzwarende omstandigheden als medeplegen en vastbinden. De proceshouding van verdachte – die doet voorkomen dat hij erbij was, maar dat dit alles hem min of meer is overkomen – weegt niet in zijn voordeel mee.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte wel een medeplegersrol heeft vervuld, maar dat hij in het geheel slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld. De medeverdachte was in alles de initiatiefnemer en heeft de overval voorbereid en gepland. In het voordeel van verdachte dient ook mee te wegen dat verdachte ter zitting oprecht spijt heeft betoond over wat het slachtoffer is aangedaan. Een gevangenisstraf van hooguit 2 jaar waarvan een gedeelte voorwaardelijk is meer op zijn plaats dan de door de officier geformuleerde straf. Een contact- en locatieverbod heeft geen toegevoegde waarde, nu verdachte anders dan de mededader het slachtoffer helemaal niet kent, hij niet bij het slachtoffer in de buurt woont en hij derhalve sowieso geen contact met het slachtoffer heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd op 6 november 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd op 15 november 2017;

- een (weiger)rapportage psychologisch onderzoek van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, gedateerd op 21 november 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan een poging tot een overval op een alleenwonende op leeftijd zijnde man in zijn eigen woning. Het slachtoffer is bewust geselecteerd, omdat de medeverdachte op de hoogte was van de woonsituatie van het slachtoffer en in de verwachting was dat er veel geld in de woning voorhanden zou zijn. Verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer bij de voordeur van het pand overrompeld, waarna van het slachtoffer de polsen zijn vastgebonden met tie-wraps en de mond is getaped. Het slachtoffer is op een gegeven moment buiten bewustzijn geraakt. Uit de bevindingen van de verbalisanten over de staat waarin het slachtoffer ter plekke is aangetroffen, waaronder ook dat zijn onderbroek nat was, blijkt wel dat hij doodsangsten heeft uitgestaan. De impact van deze gebeurtenis is voor het slachtoffer onuitwisbaar, zoals ook blijkt uit zijn slachtofferverklaring, en het psychisch leed is groot. Verdachte heeft geprobeerd de rechtbank te laten geloven dat hij er enkel bij was en dat deze ernstige gebeurtenis hem min of meer is overkomen. Dat verdachte zijn aandeel zo bewust probeert te bagatelliseren en er op geen enkele (doorleefde) wijze blijk van geeft zich de gevolgen voor het slachtoffer aan te trekken, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte onttrekt zich zo aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd en vergroot daarmee het leed van het slachtoffer.

Dit soort gewelddadige overvallen, op de eigen woning waar men zich geborgen en veilig moet voelen, heeft ook een grote impact op de directe woonomgeving. Bij burgers in het algemeen wekken dit soort delicten angstgevoelens en gevoelens van grote onveiligheid op.

Op dit soort feiten kan enkel worden gereageerd met het opleggen van een langdurige vrijheidsstraf.

Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken is het uitgangspunt dat voor een overval op een woning, waarbij licht geweld wordt toegepast, drie jaar gevangenisstraf wordt opgelegd. Nu het een poging betreft is het uitgangspunt een gevangenisstraf van twee jaar.

De rechtbank ziet aanleiding om daarvan in het onderhavige geval ten voordele van verdachte af te wijken en een gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm op te leggen. De rechtbank houdt daarbij rekening met het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zoals omschreven in het door de reclassering uitgebrachte rapport. Ook wil de rechtbank verdachte ervan weerhouden in de toekomst nogmaals een delict te plegen.

De reclassering heeft geadviseerd in het geval van een veroordeling geen bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank ziet net als de officier van justitie aanleiding hiervan af te wijken, en aan verdachte reclasseringscontact gericht op het controleren en monitoren van de op te leggen voorwaarden van locatie- en contactverbod op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met aan het voorwaardelijke strafdeel verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en aangewezen.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.642,62 aan materiële schade en een bedrag aan immateriële schade van € 2.000,00, in totaal een bedrag van € 4.642,62, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde immateriële schadevergoeding alleszins gerechtvaardigd en voor toewijzing vatbaar is. Zij heeft daarbij gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, de ernst van het letsel, de ziekenhuis opname en de daarop volgende poliklinische behandeling, de ondervonden angst, alsmede de psychische gevolgen die dit voor het slachtoffer heeft teweeggebracht. Wat de materiële schade betreft heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat alle posten kunnen worden toegewezen.

De officier heeft tevens om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade. Ten aanzien van de materiele schade heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde, behoudens de ziekenhuisdagvergoeding,

niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vordering bij gebrek aan een rechtstreeks verband.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Aan materiële schade zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 28,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gestelde overige materiële schade (in verband met een groot gevoel van onveiligheid aangebracht extra slot op deur (dievenketting), alarmsysteem en (aangepaste) camerabewaking) zal de rechtbank evenwel niet toewijzen, omdat deze posten (hoewel de rechtbank de achterliggende redenen voor het opvoeren van deze posten goed begrijpt) in een te ver verwijderd verband staan tot het hier bewezen verklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van immateriële schade, gelet op de aard en ernst van het feit en de impact die dit op het slachtoffer heeft gehad, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag van volledige betaling..

In totaal zal dan ook een bedrag aan schadevergoeding worden toegewezen van € 2.028,00. Benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Voor zover de benadeelde partij meent dat de schade een grotere omvang heeft, rest de mogelijkheid van een civiele procedure.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

De verdachte is niet meer tot schadevergoeding aan de benadeelde partij gehouden indien en voor zover het toe te wijzen bedrag door hem en/of door zijn medeverdachte is of wordt voldaan.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Meldplicht

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na zijn detentieperiode, tussen 09:00 uur en 11:00 uur zal melden bij Reclassering Nederland, en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

Contactverbod

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Locatieverbod (met EC)

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op het adres aan de [adres 2] te Apeldoorn binnen straal van 5000 meter met uitzondering van de autosnelweg A1 voor zover deze binnen voormeld gebied valt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 2.028,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot aan de dag der algemene voldoening, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, een bedrag te betalen van € 2.028,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 38 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is

betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, mr. A. Tegelaar en mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van L.E.M. van Bun, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2017.

Mr. Tegelaar en de griffier zijn buiten staat om het vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant hoofdagent [verbalisant] van de Politie Eenheid Oost Nederland, District recherche Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte (stam)proces-verbaal nummer 201709260746.RLS, onderzoek Scorpius, gesloten op 12 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Daarnaast is er nog een afzonderlijk proces-verbaal Forensisch onderzoek woning/bedrijf van de politie Eenheid Oost-Nederland, nummer PL0600-2017407026-32, gedateerd 3 december 2017.

2 Stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 7, en de processen-verbaal van aanhouding, pp. 33/34 en 121.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , pp. 189/190.

4 Letselrapportage d.d. 12 oktober 2017 van de forensisch arts KNMG E. Wannee, pp. 411-413.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , pp. 78 en 85.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , pp. 63-66.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , pp. 54-59.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pp. 144-145.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 155-160.