Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6788

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit Ermelo, openstelling Prins Hendriklaan niet goed en zorgvuldig onderbouwd, besluit wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1006 en 17/1637

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers] en anderen, te [woonplaats] (zaaknummer 17/1006),

(gemachtigde: mr. S. Haak),

[eisers], te [woonplaats] (zaaknummer 17/1637),

(gemachtigde: mr. H.J. Breeman),

hierna tezamen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo te Ermelo, (gemachtigde: mr. H. Sanders),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder een verkeersbesluit genomen voor de Prins Hendriklaan, Máximalaan en Alexanderlaan in Ermelo.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 6 april 2017 (zaaknummer AWB 17/1005, niet gepubliceerd) het bestreden besluit geschorst en bepaalt dat de verwijderde obstakels teruggeplaatst moeten worden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Van eisers zijn verschenen [eisers] en [eisers] (in zaak 17/1006) en [eisers] (in zaak 17/1637), bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Verweerder heeft het bestreden besluit voorbereid conform het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreffende de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb staat op grond artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb rechtstreeks beroep open. Geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend (artikel 6:13 van de Awb). Het ontwerpbesluit heeft zes weken ter inzage gelegen. Van de eisers [eisers] en [eisers] is gebleken dat zij geen zienswijze hebben ingediend. Op de zitting is niet verklaard waarom dit hen niet kan worden verweten. Daarom zal de rechtbank het beroep van [eisers] e.a., voor zover dit is ingesteld namens [eisers] en [eisers], niet-ontvankelijk verklaren.

Verkeersbesluiten 2010 en 2014

2. Verweerder heeft in 2010, na een jarenlange discussie, in een verkeersbesluit besloten om de Prins Hendriklaan in [woonplaats] tijdelijk af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. Met dit verkeersbesluit wilde verweerder bouwverkeer van de nieuwe wijk Het Trefpunt weren en overlast voorkomen. Op 5 maart 2014 heeft verweerder wederom een verkeersbesluit genomen en hierin besloten om de Prins Hendriklaan ter hoogte van de Oranjelaan, Regentesselaan en Alexanderlaan definitief af te sluiten voor doorgaand gemotoriseerd verkeerd door middel van het plaatsen van blokkades.

Verkeersbesluit 2017

3. In het bestreden besluit heeft verweerder besloten tot het openstellen voor gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van vrachtauto’s, van de Prins Hendriklaan, Máximalaan en Alexanderlaan door middel van het verwijderen van de aanwezige blokkades en het plaatsen van bord C7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Bord C7 is een bord ‘gesloten voor vrachtauto’s’. Hieraan ligt het waarborgen van de doorstroming van het verkeersnetwerk van [woonplaats] en de bruikbaarheid daarvan en het waarborgen van de vrijheid van het verkeer ten grondslag.

Standpunten eisers

4. Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij hebben – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Volgens eisers is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen en is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De noodzaak voor een dergelijk besluit is niet aangetoond door middel van bijvoorbeeld onderzoeken. De onderbouwing en onderzoeken die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, alsmede de uitvoerbaarheid, worden door eisers in twijfel getrokken. Tot slot doen eisers een beroep op het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft schriftelijke toezeggingen gedaan waaruit blijkt dat de Prins Hendriklaan afgesloten blijft voor gemotoriseerd verkeer, deze toezeggingen zijn ook vastgelegd in het verkeersbesluit uit 2014 en in de koopovereenkomsten van de kavels aan de Prins Hendriklaan in de nieuwe wijk Het Trefpunt.

Toetsingskader rechtbank

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1647), komt een college van burgemeester en wethouders bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994. Verder is het aan dat college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient te toetsen of de uitleg die het college aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Het college hoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Beoordeling van de rechtbank

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder na een jarenlange discussie in 2010 heeft besloten om de Prins Hendriklaan tijdelijk af te sluiten voor doorgaand verkeer vanwege het bouwverkeer van en naar Het Trefpunt. Na deze tijdelijke periode heeft verweerder bij het verkeersbesluit van 5 maart 2014 gekozen voor een permanente oplossing en besloten om de Prins Hendriklaan definitief af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. Het bestreden besluit voorziet in het terugdraaien van die situatie, en dus in het geheel verwijderen van de afsluitingen.

7. Over de stelling van eisers dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen omdat door verweerder diverse toezeggingen zijn gedaan die haaks op de uitkomst van het bestreden besluit staan, overweegt de rechtbank dat de door eisers genoemde toezeggingen hun weerslag hebben gevonden in het verkeersbesluit 2014, en daarmee op zichzelf zijn uitgewerkt. Niet is gebleken dat verweerder zou hebben toegezegd dat de afsluitingen in de Prins Hendriklaan daarna nooit meer ongedaan zouden worden gemaakt. Op zichzelf heeft verweerder dan ook de bevoegdheid om terug te komen op het eerder genomen besluit, bijvoorbeeld als de omstandigheden sinds het nemen van het verkeersbesluit 2014 in relevante mate zijn gewijzigd. Daarom faalt het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel.

8. Bij de beoordeling van de vraag of de omstandigheden sinds 2014 in relevante mate zijn gewijzigd, stelt de rechtbank vast dat in het bestreden besluit berust op in hoofdzaak drie argumenten:

a. het verkeersbesluit uit 2014 is achterhaald omdat Het Trefpunt inmiddels is ontwikkeld en overlast van bouwverkeer niet meer aan de orde is;

b. de aanrijtijden van de hulpdiensten worden verkort;

c. met de openstelling wordt gehoor gegeven aan de wens van de burgers.

Ter zitting heeft verweerder daar nog aan toegevoegd dat met het openstellen van de Prins Hendriklaan de druk op de doorgaande wegen in [woonplaats] kan worden verminderd en op die wijze een bijdrage kan worden geleverd aan de doorstroming van het verkeersnetwerk van [woonplaats].

9. Over het onder a. genoemde argument stelt de rechtbank vast dat weliswaar het tijdelijke verkeersbesluit 2010 was ingegeven door de mogelijke overlast van het bouwverkeer maar dat in 2014 verweerder bewust heeft besloten tot het definitief afsluiten van de Prins Hendriklaan. Als reden is hiervoor in het besluit van 5 maart 2014 opgenomen dat Het Trefpunt goed wordt ontsloten naar nabijgelegen ontsluitingswegen en onnodig gemotoriseerd verkeer door wijk noord wordt tegengegaan. Nu de definitieve afsluiting in 2014 niet was ingegeven door het bouwverkeer van en naar Het Trefpunt, kan het feit dat er nu geen bouwverkeer meer is, dus geen gewicht in de schaal leggen.

10. Over de stelling dat met het verkeersbesluit de aanrijtijden van de hulpdiensten worden verkort, constateert de rechtbank dat het verkeersbesluit 2014 destijds is genomen na overleg met de verkeerscoördinator van de politie. Verder is niet gebleken dat nadien, voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, de politie of één van de andere betrokken hulpdiensten om verwijdering van de afsluitingen heeft verzocht. Ter zitting is verder gebleken dat wat betreft de aanrijtijden van politie en brandweer de bestaande afsluitingen geen wezenlijke invloed kunnen hebben. Wat betreft de ambulances heeft verweerder bij het verweerschrift een brief van de verkeerscoördinator van het Witte Kruis van 29 mei 2017 overgelegd waarin wordt gesteld dat de afsluiting niet wenselijk is in verband met langere aanrijtijden in deze woonwijk, en dat het in het bijzonder voor de bewoners van de wijk ’t Trefpunt van belang is de afsluiting te verwijderen. De rechtbank stelt echter vast dat juist voor de bewoners van de wijk ’t Trefpunt de afsluitingen in de Prins Hendriklaan niet relevant zijn. De meest oostelijke afsluiting in de Prins Hendriklaan is immers pas na de toegang tot de Maximalaan gelegen, en vormt dan ook geen beletsel voor de vrije toegang tot die wijk. Voor de afsluiting aan de westzijde van de Maximalaan is, zo is ter zitting gebleken, nooit eerder een verkeersbesluit genomen, zodat het verweerder vrijstaat deze afsluiting zonder enig nieuw verkeersbesluit weer te verwijderen. Gelet daarop komt aan de brief van de ambulancedienst niet de betekenis toe, die verweerder daar gezien het verweerschrift aan toekent.

11. Met betrekking tot de stelling dat burgers de wens zouden hebben dat de afsluitingen worden verwijderd, verwijst verweerder in het bestreden besluit naar een burgerconsultatie in april 2013, waaruit is gebleken dat 63% van de stemmen een voorkeur had voor een variant waarvan openstelling van de Prins Hendriklaan deel van uitmaakte. Eisers hebben er echter terecht op gewezen dat nadien verweerder juist het verkeersbesluit 2014 heeft genomen, dat voorzag in afsluiting van de Prins Hendriklaan. Daarna heeft geen nieuwe burgerconsultatie plaatsgevonden, zodat de stelling van verweerder dat het onderhavige besluit voorziet in een behoefte van de burger niet door actuele feiten wordt ondersteund. Voor zover behoefte zou bestaan aan vrije toegang tot de wijk ’t Trefpunt heeft de rechtbank bovendien al vastgesteld dat het verkeersbesluit 2014 niet voorziet in de aanwezige afsluiting aan de westzijde van de Maximalaan, zodat voor het verwijderen daarvan ook geen verkeersbesluit nodig is.

12. Ten slotte overweegt de rechtbank over de ter zitting ingenomen stelling van verweerder - dat het verwijderen van de afsluitingen nodig zou zijn om congestie op de doorgaande wegen terug te brengen - dat in het bestreden besluit geen enkel aanknopingspunt voor die stelling te vinden is. Integendeel, uit het feit dat in het besluit is aangegeven dat het verwijderen van de afsluitingen zal leiden tot een toename van minder dan 500 motorvoertuigen per etmaal in de Prins Hendriklaan, kan worden afgeleid dat de netto afname van het verkeer op de doorgaande wegen (ook) beperkt zal zijn.

Conclusie

13. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank verweerder niet goed en zorgvuldig heeft onderbouwd waarom hij het bestreden besluit heeft genomen. Verweerder heeft de noodzaak voor het nemen van het bestreden besluit niet voldoende aannemelijk gemaakt. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van het nemen van het bestreden besluit zwaarder diende te wegen dan de belangen van de direct omwonenden (eisers) die naar het oordeel van verweerder zelf, eerder, gelet op het recente besluit van 5 maart 2014, juist bescherming behoefden.

14. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit wordt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien gelet op de vrijheid die verweerder toekomt bij het nemen van een verkeersbesluit.

15. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Ook zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in de zaak 17/1006 vast op een bedrag van € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 495 per punt met een wegingsfactor 1). De kosten stelt de rechtbank in zaak 17/1637 ook vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 495 per punt met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eisers] e.a., voor zover ingesteld door [eisers] en [eisers] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eisers] e.a., voor zover ontvankelijk, en het beroep van [eisers] gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eisers [eisers] e.a. (17/1006) betaalde griffierecht van € 168 aan hen vergoedt en veroordeelt verweerder in de proceskosten van deze eisers van € 990;

- bepaalt dat verweerder het door eiser [eisers] (17/1637) betaalde griffierecht van € 168 aan hem vergoedt en veroordeelt verweerder in de proceskosten van deze eiser van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Besselink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Nikkels, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.