Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6758

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
C/05/327658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Niet-nakomen vonnis. Beroep op betalingsonmacht. Uitgangspunt HR 20-09-1991, NJ 1992, 552. In dit geval heeft eiseres terechte vragen over de verhaalsmogelijkheden van gedaagden. Van gedaagden mag actieve houding worden verwacht. Vordering tot verstrekken van onderbouwd overzicht van inkomsten en uitgaven toewijsbaar. Dwangsom zal geen effect sorteren. Omdat oplegging van dwangmiddel wel is aangewezen is vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/327658 / KG ZA 17-504

Vonnis in kort geding van 29 november 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTHI B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COVOIP INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eisers,

advocaat mr. B. Molenaar te Wijchen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARTEP BEHEER B.V.,

gevestigd te Maurik,

2. [gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.C.H. Schrömbges te Lent, Nijmegen.

Partijen zullen hierna respectievelijk Althi, [eiser] en coVoIP, tezamen Althi c.s., Artep en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de producties van Artep en [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Althi c.s.

  • -

    de pleitnota van Artep en [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 31 mei 2017 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna ook: het vonnis), zijn Artep en [gedaagde] hoofdelijk veroordeeld om:

- aan Althi en [eiser] te betalen een bedrag van € 616.490,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 29 juni 2016 tot de dag van volledige betaling,

- aan coVoIP te betalen een bedrag van € 10.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 29 juni 2016 tot de dag van volledige betaling,

- aan Althi c.s. te betalen de beslagkosten, tot aan het vonnis begroot op € 3.709,75.

2.2.

Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.3.

Op 12 juni 2017 heeft de deurwaarder op verzoek van Althi c.s. de grosse van het vonnis aan Artep en [gedaagde] betekend, met het bevel om binnen twee dagen over te gaan tot betaling van een bedrag van € 643.149,79. Artep en [gedaagde] hebben niet aan dit bevel voldaan.

2.4.

Vervolgens is er tussen de toenmalige advocaat van Althi c.s. enerzijds en de toenmalige advocaat van Artep en [gedaagde] , danwel de door hen ingeschakelde juridisch adviseur [A] , anderzijds meerdere malen contact geweest. Daarbij zijn Artep en [gedaagde] verschillende keren schriftelijk gesommeerd om tot betaling over te gaan. Aan deze sommaties hebben zij geen gevolg gegeven. Wel heeft [A] namens Artep en [gedaagde] ter finale kwijting een bedrag van € 5.000,00 aangeboden ter ‘juridische compensatie’. Enkele weken later heeft hij dit aanbod verhoogd naar

€ 25.000,00.

2.5.

Op 19 juni 2017 heeft Althi c.s. executoriaal beslag doen leggen:

- op alle op naam van [gedaagde] staande aandelen in Artep,

- op de onverdeelde helft van de onroerende zaak (woonhuis) staande en gelegen aan de

[adres]

- onder Volksbank N.V., ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V., BenDuc Holding B.V.,

Beezz B.V., Mobile Force B.V., NuCall B.V. en ASK Consult B.V.

2.6.

Geen van deze beslagen heeft doel getroffen. Slechts een eerder gelegd conservatoir derdenbeslag onder Coöperatieve Rabobank U.A., dat na het vonnis is omgezet in een executoriaal derdenbeslag, heeft beperkt (voor ongeveer drieduizend euro) doel getroffen.

2.7.

Artep en [gedaagde] beroepen zich telkens op betalingsonmacht. Zo schrijft

[A] op 11 juli 2017 onder meer aan de advocaat van Althi c.s.:

Resumerend moet worden geconcludeerd dat cliënten geen inkomsten hebben en hier ook geen vooruitzicht op is, cliënten bezitten geen (noemenswaardige) activa en cliënt heeft ruim EUR. 1.000.000,00 aan schuld. Cliënt is derhalve pertinent in een situatie terechtgekomen dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Er zijn ook geen aanknopingspunten die zouden kunnen leiden tot zodanige verbetering van de situatie dat hij de komende jaren zijn schulden zou kunnen voldoen.

2.8.

In reactie hierop heeft de toenmalige advocaat van Althi c.s. bij e-mailbericht van 25 juli 2017 Artep en [gedaagde] gesommeerd binnen tien dagen volledige en onvoorwaardelijke inzage te geven in hun inkomsten en uitgaven.

2.9.

Artep en [gedaagde] hebben vervolgens een aantal stukken overgelegd.

3 Het geschil

3.1.

Althi c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Artep en [gedaagde] veroordeelt om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis primair aan Althi c.s., subsidiair aan registeraccountant Dick van der Meer van Accountable B.V. te Woerden, dan wel een andere door de voorzieningenrechter te benoemen registeraccountant, te verstrekken een gedetailleerd overzicht, gestaafd met schriftelijke bewijsstukken van:

a. hun binnen- en buitenlandse bronnen van inkomen,

b. hun binnen- en buitenlandse vermogen,

c. hun belastingaangiften en belastingaanslagen, zowel de definitieve aanslagen als de

eventuele voorlopige, over de jaren 2015, 2016 en 2017,

d. hun integrale boekhouding van de jaren 2015, 2016 en 2017,

e. het huidige saldo van alle op hun naam gestelde bankrekeningen,

f. alle bankafschriften van de op hun naam gestelde hier ten lande en eventueel in het

buitenland aangehouden bankrekeningen over de jaren 2015, 2016 en 2017,

g. alle transacties, waaronder – maar niet beperkt tot – schenkingen, met rechtstreekse

bloed- of aanverwanten in de periode 2015, 2016 en 2017, althans tussen 2015 en de

datum waarop dit vonnis wordt gewezen,

h. al hetgeen de voorzieningenrechter in goede justitie meent te bepalen,

ieder van voornoemde veroordelingen onder a tot en met h in geval van Artep op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet of niet geheel aan deze veroordelingen is voldaan en zulks in geval van [gedaagde] op straffe van lijfsdwang,

met de bepaling, in geval van de subsidiaire vordering, dat de registeraccountant binnen vier weken na verkrijging van de door Artep en [gedaagde] te verstrekken informatie aan

Althi c.s. inzicht dient te verschaffen over de mogelijkheden van Althi c.s. om het vonnis in de bodemprocedure van 31 mei 2017 ten uitvoer te leggen.

Voorts vordert Althi c.s. dat Artep en [gedaagde] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding.

3.2.

Artep en [gedaagde] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Anders dan Artep en [gedaagde] betogen, vloeit het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate voort uit de stellingen van Althi c.s.

4.2.

In de kern genomen gaat het in deze zaak om het volgende. Artep en [gedaagde] zijn bij inmiddels in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 31 mei 2017 veroordeeld tot betaling aan Althi c.s. van een bedrag van ruim € 650.000,00. Ondanks diverse verzoeken en sommaties hebben Artep en [gedaagde] tot op heden nagenoeg niets betaald. Artep en [gedaagde] stellen dat er geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Er is volgens hen geen inkomen en geen vermogen om de vorderingen van Althi c.s. te voldoen. Dit hebben zij naar Althi c.s. toe ook met stukken onderbouwd. Althi c.s. stelt hiertegenover dat er voldoende indicatoren zijn die doen vermoeden dat Artep en [gedaagde] een inkomstenbron en/of enig vermogen hebben. Om Althi c.s. in staat te stellen een goed oordeel te vormen over het verweer van Artep en [gedaagde] dat er niets is, dienen zij een onderbouwd overzicht aan Althi c.s. te verstrekken van al hun inkomsten en uitgaven. Daarop ziet de onderhavige vordering van Althi c.s.

4.3.

Tussen partijen is in dat verband in geschil of Artep en [gedaagde] zijn gehouden de door Althi c.s. verlangde informatie te verstrekken.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van

20 september 1991 (NJ 1992, 552, Tripels/Masson) heeft bepaald dat een schuldenaar in beginsel verplicht is een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem heeft verkregen, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Deze informatieplicht kent ten opzichte van individuele schuldeisers wel een grens. Voorbij die grens moet het worden overgelaten aan de curator, nadat de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard, om desgewenst ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers afgifte van justificatoire bescheiden en/of het afleggen van rekening en verantwoording te bewerkstelligen. Waar de grens precies ligt wordt door de Hoge Raad niet nader omschreven. Het ligt echter in de lijn van het arrest dat de rechter steeds de belangen van schuldeiser en schuldenaar tegen elkaar zal moeten afwegen en dat de vrijheid van de rechter om de vordering van de schuldeiser toe te wijzen groter is naarmate de verzochte inlichtingen respectievelijk opgevraagde justificatoire bescheiden nauwkeuriger zijn gespecificeerd.

4.5.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat Artep en [gedaagde] geen verhaal bieden, kan dit niet met zekerheid worden afgeleid uit de tot op heden door hen verstrekte informatie. Uit het vonnis van 31 mei 2017, en meer nog uit het tussenvonnis van 8 maart 2017, volgt dat er verschillende verbanden (hebben) bestaan tussen [gedaagde] en Artep, dan wel tussen [gedaagde] via Artep enerzijds en allerlei vennootschappen anderzijds. De voorzieningenrechter wijst bijvoorbeeld op rechtsoverweging 4.13 van het tussenvonnis van 8 maart 2017 waarin is overwogen:

In het navolgende is sprake van een aantal vennootschappen waarin [gedaagde] direct of indirect een

bestuurdersrol vervult. Zo is Artep bestuurder geweest van Mobile Force en BenDuc Holding, terwijl

[gedaagde] bestuurder is van Artep. Dit roept de vraag op of [gedaagde] in de hierna te behandelen

situaties op de door Althi c.s. gestelde wijze als feitelijk leidinggevende kan worden gezien. De

rechtbank beantwoordt deze vraag in beginsel bevestigend omdat Benschops betrokkenheid uit de

stukken blijkt en hij – behoudens hierna te noemen afwijkingen – ter comparitie steeds in de ik-vorm

heeft gesproken over Artep en de onder 2.1 hierboven genoemde vennootschappen (dat zijn: Mobile

Force B.V., BenDuc Holding B.V., NuCall B.V. en Artep, de voorzieningenrechter).

Deze verbanden duiden op bedrijfsmatige activiteiten, waaruit inkomsten voor Artep en/of [gedaagde] moeten zijn voortgevloeid. Thans stellen Artep en [gedaagde] zich op het standpunt dat alle inkomsten zijn opgedroogd en de banden met die vennootschappen zijn beëindigd. Dat vraagt om uitleg, die tot op heden echter niet of nauwelijks is gegeven en in ieder geval slechts in beperkte mate is onderbouwd.

4.6.

Andere indicatoren, die doen vermoeden dat Artep en/of [gedaagde] een inkomstenbron en/of enig vermogen moeten hebben, zijn volgens Althi c.s. onder meer het feit dat [gedaagde] kennelijk gewoon kan voorzien in zijn primaire levensbehoeften, dat hij gewoon in een auto rijdt en dat hij kennelijk in staat is om zijn hypothecaire verplichtingen jegens Rabobank te voldoen.

4.7.

Artep en [gedaagde] stellen hiertegenover dat de hypotheek van de gezamenlijke woning door de ex-partner van [gedaagde] wordt voldaan, dat de auto in eigendom toebehoort aan derden en dat die derden ook de daarmee gepaard gaande kosten betalen. Voorts is het zo dat [gedaagde] kleine schenkingen ontvangt om in zijn directe levensonderhoud te voorzien. Ter zitting heeft [gedaagde] dit geconcretiseerd door te stellen dat hij bijvoorbeeld € 50,00 per week krijgt van zijn moeder en dat hij soms ook wat geld krijgt van zijn ex-schoonouders.

4.8.

Hoewel Artep en [gedaagde] op deze onderdelen dus allerlei verklaringen hebben voor hun inkomsten, stelt de voorzieningenrechter vast dat zij die verklaringen op geen enkele wijze met stukken hebben onderbouwd.

4.9.

Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van de gestelde betalingsonmacht aan de zijde van Artep en [gedaagde] is het alleszins begrijpelijk dat Althi c.s. vragen heeft over de verhaalsmogelijkheden van Artep en [gedaagde] . Onder de geschetste omstandigheden kunnen Artep en [gedaagde] niet volstaan met het mondjesmaat verstrekken van niet onderbouwde informatie. Van hen mag in dit opzicht een actieve houding worden verwacht.

4.10.

Alles overziend dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het belang van Althi c.s. te prevaleren boven het belang van Artep en [gedaagde] . De primaire vordering van Althi c.s. zal dan ook worden toegewezen. Het is op zichzelf juist dat het hierbij gaat om een grote hoeveelheid stukken, maar deze stukken zijn voldoende concreet en gespecificeerd, gelet op het doel waarmee ze worden opgevraagd (zie 4.5). Artep en [gedaagde] worden door het verstrekken van de gevraagde stukken niet op onaanvaardbare wijze in hun belangen geschaad. Bovendien hebben zij geruime tijd de gelegenheid gehad om zelf relevante stukken te verstrekken, hetgeen zij hebben nagelaten.

4.11.

Oplegging van een dwangmiddel als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing is passend en geboden. Gelet op de omvang van het door Artep en [gedaagde] verschuldigde bedrag zal een dwangsom naar verwachting geen effect sorteren, zodat de ten aanzien van Artep gevorderde oplegging van een dwangsom zal worden afgewezen. Nu oplegging van een dwangmiddel echter wel is aangewezen, maar oplegging van een dwangsom niet effectief is te achten, is lijfsdwang, als ultimum remedium, aangewezen. Gelet op de ingrijpende aard van dit dwangmiddel zal de termijn waarbinnen de stukken moeten worden verstrekt worden bepaald op één maand na betekening van dit vonnis. De totale duur van de lijfsdwang zal worden beperkt tot drie maanden, derhalve 90 dagen.

4.12.

Artep en [gedaagde] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Althi c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 99,24

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.533,24

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Artep en [gedaagde] om binnen één (1) maand na betekening van dit vonnis aan Althi c.s. te verstrekken een gedetailleerd overzicht, gestaafd met schriftelijke bewijsstukken van:

a. hun binnen- en buitenlandse bronnen van inkomen,

b. hun binnen- en buitenlandse vermogen,

c. hun belastingaangiften en belastingaanslagen, zowel de definitieve aanslagen als de

eventuele voorlopige, over de jaren 2015, 2016 en 2017,

d. hun integrale boekhouding van de jaren 2015, 2016 en 2017,

e. het huidige saldo van alle op hun naam gestelde bankrekeningen,

f. alle bankafschriften van de op hun naam gestelde hier ten lande en eventueel in het

buitenland aangehouden bankrekeningen over de jaren 2015, 2016 en 2017,

g. alle transacties, waaronder – maar niet beperkt tot – schenkingen, met rechtstreekse

bloed- of aanverwanten in de periode 2015, 2016 en 2017,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij lijfsdwang voor iedere dag dat niet of niet volledig uitvoering wordt gegeven aan de hiervoor onder 5.1 uitgesproken veroordeling, en verleent Althi c.s. verlof om [gedaagde] in gijzeling te doen stellen voor de duur van vijf dagen voor iedere dag dat Artep en [gedaagde] geen volledige uitvoering geven aan de veroordeling, tot een maximum van in totaal 90 dagen,

5.3.

veroordeelt Artep en [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Althi c.s. tot op heden begroot op € 1.533,24,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

Coll.: MvG