Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6749

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
C/05/240787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2015:3454 en ECLI:NL:RBGLD:2016:3694

Vrijwaringszaak. Bewijsopdracht in reconventie of de biggen ten tijde van de levering besmet waren met Pm+. Gedaagde in het bewijs geslaagd. Eindvonnis. Vordering in conventie afgewezen. Vordering in reconventie tot betaling schadevergoeding en verrekening met openstaand factuurbedrag toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/240787 / HA ZA 13-168 / 167

Vonnis in vrijwaring van 15 november 2017

in de zaak van

JOZEF ANTONIUS [eiser],

wonende te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

tegen

1. de maatschap

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , [woonplaats] ,

2. [gedaagde]

wonende te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , [woonplaats]

3. [gedaagde]

wonende te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] ,

4. [gedaagde],

wonende te [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , [woonplaats]

gedaagden in conventie,

eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

voorheen advocaat mr. S.J.G.A. van Pelt, thans mr. D.D. Dielissen-Breukers te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 juni 2016

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 oktober 2016

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor en van contra-enquête van 18 mei 2017

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagde]

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

2.1.

De rechtbank volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in het vonnis van 22 juni 2016.

2.2.

In voormeld vonnis heeft de rechtbank in de hoofdzaak tussen [Partij A] en [eiser] eindvonnis gewezen (zaak- en rolnummer C/05/235692 / HA ZA 12-769) en in de onderhavige vrijwaringszaak is aan [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat de door [eiser] aan haar geleverde biggen afkomstig van het bedrijf van [Partij A] ten tijde van de levering besmet waren met Pm+.

2.3.

[gedaagde] heeft als getuigen doen horen: [gedaagde] (gedaagde sub 2, hierna: [gedaagde] sr.), [gedaagde] (gedaagde sub 3, hierna: [gedaagde] jr.), [getuige A] , voormalig dierenarts van [gedaagde] , [getuige B] , varkensspecialist, en [deskundige C] , de door de rechtbank benoemde deskundige in deze zaak (hierna: de deskundige).

2.4.

[eiser] heeft in contra-enquête zichzelf als getuige doen horen.

2.5.

De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van [gedaagde] sr. en [gedaagde] jr. partijgetuigenverklaringen zijn en dat volgens art. 164 lid 2 Rv die verklaringen omtrent door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel kunnen opleveren, tenzij de verklaringen strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs. Volgens vaste jurisprudentie is hiervan alleen sprake indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken (Hoge Raad 31 maart 1995, NJ 1997, 592). Een verklaring van een partijgetuige kan geen begin van bewijs opleveren dat als aanvullend bewijsmiddel kan dienen bij de verklaring van een andere partijgetuige (Hoge Raad 15 april 2005, NJ 2005, 272). Het voorgaande geldt niet voor de verklaring van [eiser] , omdat die beperking slechts geldt voor de partij op wie de bewijslast en het bewijsrisico rusten (Hoge Raad 7 april 2000, NJ 2001, 32). Aangezien op [eiser] niet de bewijslast rust, is zijn verklaring niet onderworpen aan de beperking van art. 164 lid 2 Rv.

2.6.

[gedaagde] sr., [gedaagde] jr., dierenarts [getuige A] en varkensspecialist [getuige B] hebben allen verklaard dat de biggen op het bedrijf van [gedaagde] in afzonderlijke afdelingen worden ondergebracht, die gescheiden zijn van elkaar. De varkens van de verschillende afdelingen komen onderling niet met elkaar in contact. Op iedere afdeling (met uitzondering van de ziekenafdeling) bevinden zich slechts varkens van één herkomst. [gedaagde] jr. en [getuige A] hebben verklaard dat elke afdeling een eigen ventilatiesysteem heeft en [getuige A] en [getuige B] hebben verder verklaard dat er geen contact is tussen de afdelingen qua lucht, voer, water en mest. [eiser] zelf heeft verklaard dat er in de varkenshandel streng op wordt toegezien dat er geen contact is tussen biggen van verschillende fokkers of mesters. [gedaagde] sr. en [gedaagde] jr. hebben voorts verklaard over de wijze van schoonmaken en het ontsmetten van de afdelingen alvorens er nieuwe biggen worden gestald. [getuige A] en [getuige B] hebben verklaard dat zij voor het betreden van de stal altijd moesten douchen en speciale bedrijfskleding moesten aandoen. [getuige A] heeft verklaard dat hij vervolgens met zijn laarzen door een bak met ontsmettingsmiddel ging. Ook [getuige B] heeft verklaard dat er soms een bak met desinfectiemiddelen voor de laarzen aanwezig was. Beide hebben verklaard dat zij bij het doorlopen van de stallen altijd van de jongste naar de oudste dieren lopen. Dat is om besmetting van oude dieren naar jonge dieren te voorkomen, aldus [getuige A] .

2.7.

[gedaagde] sr. heeft verder verklaard:

“(…) Toen de varkens werden gelost, zijn ze door de gang naar de stal gelopen. Toen hoorde ik gelijk dat er iets niet goed was, want de biggen niesten. (…) Als varkens liggen en slapen is het niezen minder dan wanneer ze in beweging zijn. Het niezen werd in de loop van de tijd erger en de varkens gingen ook hoesten en de groei liep terug. (…) Na de eerste levering hebben wij nog twee leveringen van [eiser] ontvangen. Ook die waren niet goed, ook die varkens niesten. (…)”

2.8.

[gedaagde] jr. heeft verder verklaard:

“(…) Toen de varkens gelost werden, liepen zij over de centrale gang en viel ons direct het afwijkende gedrag van deze varkens op, zij niesten en proestten. Dit heb ik direct kenbaar gemaakt aan de chauffeur van [eiser] . Ik weet niet of deze opmerking op de afleverbon is vermeld. Het niezen van varkens kan ook veroorzaakt zijn doordat er in de veewagen zaagsel ligt en er daardoor irritatie optreedt bij de varkens, maar in dit geval was het anders. (…) Na de eerste levering door [eiser] is dhr. [getuige B] bij ons op het bedrijf gekomen. [getuige B] was de eerste die openlijk zei: “Nou, dit neigt wel heel erg naar snuffel-ART.” (…) Toen de biggen binnenkwamen op de afdeling waren ze onrustig, niesten zij en hadden zij een beetje longslag. Daarop heb ik de dierenarts erbij gehaald, dat is dhr. [getuige A] . Het vermoeden was dat de varkens griep hadden, daarvoor hebben wij een kuur opgezet met aspirine. Hiervoor hebben wij gekozen om de opstart van de varkens behaaglijker te maken. In de loop van de dagen c.q. week werd duidelijk dat de kuur niet het gewenste effect had. Daarop hebben wij besloten zwaardere medicatie toe te dienen, doxycycline. Dit om ervoor te zorgen dat de longschade niet groter zou worden. Mede gelet op de opmerking van dhr. [getuige B] en de verdenkingen is hiervoor gekozen. Toxines breken de schelpen in de neus af, waardoor alle virussen en bacteriën rechtstreeks door de neus naar binnen gaan en de varkens zieker worden. Bij mijn beste weten verklaar ik dat de dierenarts er in de eerste week na de eerste levering door [eiser] , bij de varkens is komen kijken. (…) De tweede levering varkens had dezelfde symptomen als de eerste levering. Op dat moment had de eerste levering ook met de tweede kuur nog niet het gewenste resultaat. Daarop zijn wij vervolgonderzoek opgestart naar de ziekte van de dieren. (…) Ik heb op enig moment contact opgenomen met [eiser] en hem uitgenodigd om te komen kijken. Ik denk tussen de tweede en derde levering, maar ik weet het niet zeker, zijn [eiser] en zijn oom op een avond gekomen. Wij hebben toen rondgelopen op het bedrijf en de dieren uitgebreid bekeken. [getuige B] was hierbij ook aanwezig. We hebben samen geconstateerd dat de dieren niet in orde waren, zij waren niet gezond. We hebben gezamenlijk een aantal dieren aangewezen om deze nader te laten onderzoeken bij de gezondheidsdienst. Dit onderzoek was ook gericht op ART. De dieren hadden meerdere kuren doxycycline gehad, dit maakt normaal toxines kapot, maar deze bleken toch aanwezig te zijn in de dieren. De dieren die we samen hadden geselecteerd voor dit onderzoek hadden kromme neuzen en waren vermagerd. Dit waren dieren uit de eerste levering van [eiser] . (…)

Nadat de dieren van [Partij A] die door [eiser] waren geleverd van het bedrijf zijn afgevoerd voor de slacht, hebben wij op ons bedrijf geen signalen of symptomen meer gehad van snuffelziekte. (…)”

2.9.

Dierenarts [getuige A] heeft verder verklaard:

“(…) Op 11 april 2012 zijn biggen aangevoerd op het bedrijf van [gedaagde] . Op 13 april 2012 heb ik op verzoek van [gedaagde] een extra bezoek gebracht aan zijn bedrijf. Dit in verband met ziekteverschijnselen van de varkens, zoals niezen en traanogen. Het was het eerste koppel varkens dat [gedaagde] van [Partij A] had ontvangen. Ik heb toen een tiental bloedmonsters afgenomen. Wij wilden kijken welke infecties en weerstanden deze biggen hadden in het bloed. Dit onderzoek was een mengvorm van monitoren en diagnostiek. (…) De biggen niesten en hadden traanogen. Dit zijn geen specifieke symptomen voor één bepaalde ziekte. Alle aandoeningen die prikkels in de neus geven, geven deze symptomen. (…) Ik heb op 13 april 2012 het beleid ingezet om schade te beperken, zonder dat ik toen al een diagnose had. Ik heb toen een antibioticakuur voorgeschreven, en op 17 april ontving ik de bloeduitslagen waarover ik zojuist al verklaarde. Hieruit bleek het PRRS-virus in het bloed aanwezig, daarvoor is geen speciale behandeling, je kunt alleen complicaties voorkomen door middel van een antibioticakuur. Daarop is de eerder voorgeschreven antibioticakuur vervolgd. Het effect van de antibioticakuur bleek onvoldoende. In de week na 17 april werden de dieren zieker en werden er in het koppel meer dieren ziek. Op 25 april heb ik monsters tonsillen genomen door middel van swabs. Deze monsters heb ik voor onderzoek naar de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) in Deventer gezonden. Uit deze swabs bleek dat de dieren de Pm+ bacterie hadden. (…)”

2.10.

Varkensspecialist [getuige B] heeft verder verklaard:

“(…) De dag na de levering van de biggen door [eiser] bij [gedaagde] stond een bezoek van mij gepland aan [gedaagde] . Ik heb bij dit bezoek de door [eiser] geleverde varkens gezien. Daarbij vielen mij twee dingen op. In de eerste plaats dat er lichte biggen bij zaten, normaal heeft een big een gewicht van 23 à 25 kilogram, deze biggen waren 15 à 18 kilogram. Verder was opvallend dat de biggen niesten. Ik heb [gedaagde] daarop het advies gegeven bloed te laten afnemen en neusswabs. (…) Op een maandagavond in mei 2012 heb ik samen met [eiser] en zijn vader een bezoek gebracht aan [gedaagde] . Dierenarts [getuige A] was daarbij ook aanwezig, evenals beide heren [gedaagde] . We hebben toen de biggen bekeken die afkomstig waren van [Partij A] en door [eiser] aan [gedaagde] waren geleverd. Er was toen een aantal varkens met scheve neuzen, ook had een aantal varkens een grauwe kleur. Er zijn toen gezamenlijk twee varkens aangewezen die voor onderzoek zouden worden opgestuurd naar de GD. (…)”

2.11.

De deskundige heeft in aanvulling op zijn deskundigenbericht en het aanvullende deskundigenbericht het volgende verklaard:

“(…) Pm+ is een kiem die niet snel spreidt. Als je een dier met een Pm+ besmetting in een groep gezonde dieren plaatst, dan duurt het zeker 5 à 6 weken voordat de besmettingsgraad bij die dieren zodanig is dat er ook verschijnselen zijn van PAR. De incubatietijd van een besmetting met Pm+ is korter bij jonge biggen (een aantal weken) dan bij volwassen varkens.”

Op de vraag naar het onderzoek verricht door de Gezondheidsdienst voor Dieren op 27 april 2012 (van een monstername op 25 april 2012, toevoeging rb):

“Uit dat onderzoek volgt dat het DNT-gen is aangetoond en dat sprake is van een besmetting met Pm+. Omdat bij dit onderzoek monsters zijn gepooled, kun je geen conclusies trekken ten aanzien van het moment waarop de besmetting is geïntroduceerd. Wanneer je tien monsters neemt van tien individuele dieren en alle dieren besmet zijn met Pm+, dan zou je wél kunnen concluderen dat die besmetting al langer (veel langer dan twee weken) aanwezig is. Bij deze gepoolede monsters kun je alleen de conclusie trekken dat er een besmetting is, maar niet vanaf welk moment.”

Op de vraag of het niezen van de biggen bij aankomst in het bedrijf van [gedaagde] een aanleiding was om onderzoek te doen naar Pm+ besmetting:

“Mijn antwoord is: nee, niet zonder meer. Als biggen niezen kan dat diverse oorzaken hebben. Dat is anders wanneer het niezen gepaard gaat met bloedverlies uit de neus. Dat is een kenmerk dat sterk doet vermoeden dat sprake is van PAR.

Het allervroegste signaal is de aantasting van de neusschelp, die wat gaat bloeden. Daarna treden verschijnselen op aan het benige gedeelte en zijn zogenaamde traanstrepen zichtbaar. Dat laatste gaat ook vaak gepaard met verkromming van de neus.”

Op de vraag, als de mate van infectie van een koppel op twee weken na opleg als hoog wordt beoordeeld, wat dat betekent voor het tijdstip van de eerste infectie van biggen van de koppel, er van uitgaande dat er op het bedrijf van [gedaagde] geen contact is tussen verschillende koppels:

“Dit is voor mij een hypothetische vraag. Als het koppel een hoge mate van infectie vertoonde, betekent dat dat veel dieren besmet waren. In dat geval ligt het voor de hand dat de dieren al veel eerder dan twee weken daarvoor geïnfecteerd waren.”

2.12.

[eiser] heeft verder verklaard:

“(…) Ik koop biggen aan van ongeveer 25 kilo per stuk en kan in totaal plm. 900 biggen vervoeren in een vrachtwagen met aanhanger. De procedure is als volgt. Voordat we gaan laden wordt de vrachtwagen gewogen. Als we op een bedrijf komen worden de biggen geladen. Wij komen zelf niet in het bedrijf. Als wordt geladen, is de vrachtwagen leeg en schoon. Daarmee bedoel ik dat er geen andere dieren op de vrachtwagen staan en op elk losadres wordt de vrachtwagen schoongemaakt. Het zaagsel gaat eruit en de vrachtwagen wordt met water gereinigd. Nadat vier transporten van biggen hebben plaatsgevonden moet de vrachtwagen worden gereinigd op een officieel erkende reinigings- en ontsmettingsplaats (R&O-plaats). (…)

In de periode dat ik biggen transporteerde van het bedrijf van [Partij A] naar het bedrijf van [gedaagde] heb ik ook andere transporten gedaan van biggen, varkens en zeugen. (…)

Bij het lossen van de biggen op het bedrijf van [gedaagde] is mij niets bijzonders opgevallen. Er zijn altijd wel wat biggen die niezen of hoesten, maar mij is niet opgevallen dat dat meer dan normaal zou zijn geweest. [gedaagde] heeft bij het lossen wel een keer tegen mij gezegd dat hij biggen hoorde niezen, maar mij is daarbij niets bijzonders opgevallen, ook niet bij het laden van de biggen bij het bedrijf van [Partij A] . (…) Het niezen en hoesten van biggen kan meerdere oorzaken hebben, het kan een kou of griepje zijn, maar ook komen door stof in het zaagsel. (…) Ik was er niet mee bekend dat er in het verleden in het bedrijf van [Partij A] een Pm+ besmetting heeft plaatsgevonden. Als fokbedrijven ons bloeduitslagen geven, dan geven wij die door aan de mester. (…)”

2.13.

De rechtbank overweegt als volgt. De deskundige heeft verklaard dat Pm+ een contactbesmetting is, welke op twee manieren kan ontstaan: 1) van de zeug op het bedrijf van afkomst en 2) doordat de dieren met elkaar in contact komen tijdens het vervoer of op het bedrijf waar ze verblijven. De deskundige schrijft in zijn deskundigenbericht: “het uitsluiten van diercontacten met andere varkens dan die van het bedrijf van [Partij A] , is belangrijk om achteraf met enige zekerheid de bron van de infectie te kunnen duiden” en “wanneer aanwezigheid van andere varkens kan worden uitgesloten wordt het zeer aannemelijk dat de geleverde varkens besmet waren”.

De eerste biggen zijn door [eiser] op 11 april 2012 op het bedrijf van [gedaagde] afgeleverd en op 25 april 2012 zijn door [getuige A] bij een aantal biggen monsters genomen door middel van swabs. Uit onderzoek van deze swabs door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) is gebleken dat de dieren toen de Pm+ bacterie hadden.

[gedaagde] heeft reeds eerder onweersproken gesteld dat bij geen van de bedrijven waar [gedaagde] biggen heeft afgenomen ooit sprake is geweest van een Pm+ besmetting en/of PAR. Op grond van de getuigenverklaringen van [gedaagde] sr. en [gedaagde] jr., die op essentiële punten steun vinden in de verklaringen van [getuige A] en [getuige B] , over de inrichting van het bedrijf van [gedaagde] , de wijze waarop de biggen daar worden gehouden, verdeeld naar herkomst in gescheiden afdelingen, zonder enig onderling contact via lucht, voer, water en mest, alsmede de door [gedaagde] gehanteerde hygiënemaatregelen voor het binnentreden van de stallen, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de besmetting van de biggen met Pm+ niet op het bedrijf van [gedaagde] is/kan zijn ontstaan.

De deskundige heeft verklaard dat uit dat onderzoek van de swabs van 25 april 2012 geen conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van het moment waarop de Pm+ besmetting is geïntroduceerd, omdat er bij dit onderzoek monsters zijn gepooled, maar schrijft in zijn deskundigenbericht ook: “de monstername van 25 april laat zien dat 2 van de 3 tampons waar Pasteurella multocida in is aangetoond ook positief zijn op het DNT-gen. Op basis hiervan kan men verwachten dat bij veel biggen in deze groep ook DNT-positieve Pasteurella multocida voorkomt en de besmetting op 11 april al bij de biggen aanwezig was”.

De rechtbank is op grond van al het voorgaande en gelet op de verklaring van de deskundige met betrekking tot de incubatietijd van Pm+ (5 à 6 weken en bij jonge biggen een aantal weken) en de verklaring van [getuige A] dat de op 11 april 2012 geleverde dieren in de week na 17 april steeds zieker werden en er meer dieren in het koppel ziek werden, terwijl uit onderzoek door de GD van de swabs genomen op 25 april 2012 is gebleken dat sprake was van Pm+, van oordeel dat de door [eiser] geleverde biggen afkomstig van het bedrijf van [Partij A] ten tijde van de levering aan [gedaagde] reeds besmet waren met Pm+. De rechtbank acht [gedaagde] dan ook geslaagd in het haar opgedragen bewijs.

Dat betekent dat de subsidiaire grondslag van het verweer van [gedaagde] doelt treft. De rechtbank heeft in rov. 3.24 van het vonnis van 22 juni 2016 reeds overwogen dat de biggen in dat geval non-conform zijn.

De vraag waar de biggen afkomstig van het bedrijf van [Partij A] besmet zijn geraakt met Pm+ behoeft in dat geval geen bespreking meer.

2.14.

De slotsom is dat [gedaagde] zich terecht beroept op non-conformiteit, zodat de vordering van [eiser] in conventie zal worden afgewezen.

2.15.

[gedaagde] stelt als gevolg van de geleverde non-conforme biggen schade te hebben geleden en beroept zich op verrekening van het door haar berekende schadebedrag van € 20.557,56 met het nog niet betaalde deel van de laatste factuur van [eiser] . In reconventie vordert [gedaagde] veroordeling van [eiser] tot betaling van het nog resterende bedrag van € 5.557,56 en een verklaring voor recht dat het ingehouden bedrag van € 15.000,00 reeds is verrekend.

2.16.

[eiser] voert aan dat hij nooit door [gedaagde] in gebreke is gesteld met de mededeling dat de geleverde biggen niet aan de verwachtingen voldeden en dat hem ook geen redelijke termijn is gegeven om dit te herstellen, zodat hij nooit in verzuim is geraakt.

2.17.

De rechtbank verwerpt dit verweer. [eiser] is daags na de eerste levering door [gedaagde] op de hoogte gesteld van de ziekteverschijnselen van de afgeleverde biggen. Nadien is hij uitgenodigd op het bedrijf van [gedaagde] en daar is wederom gesproken over de geconstateerde ziekteverschijnselen. Naar aanleiding van de uitslag van het eerste onderzoek van 9 mei 2012 (verricht door de GD op 27 april 2012 op monsters genomen op 25 april 2012) heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld niet langer biggen te willen afnemen. Nadien heeft [eiser] de beschikking gekregen over de onderzoeksresultaten van de GD. Bij brief van 1 juni 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld dat de biggen niet voldeden aan de afgesproken kwaliteitseisen, dat zij daardoor financiële schade had geleden en dat zij in afwachting van de financiële afwikkeling daarvan haar betalingsverplichting met betrekking tot de laatste factuur van [eiser] opschortte. [eiser] heeft vervolgens [Partij A] bij brief van 22 juni 2012 meegedeeld dat de biggen vanaf het begin bij de mester ( [gedaagde] , toevoeging rb) vanwege gezondheidsproblemen niet aan de verwachtingen hebben voldaan en dat door de GD is vastgesteld dat de biggen aan snuffelziekte leden.

[eiser] heeft aan [Partij A] meegedeeld dat sprake is van een verborgen gebrek, heeft haar aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade en heeft om die reden op zijn beurt een bedrag van € 15.000,00 op de factuur van [Partij A] ingehouden. [eiser] is gestopt met de afname van biggen van [Partij A] en de levering van biggen aan [gedaagde] en [eiser] is akkoord gegaan met het beroep van [gedaagde] op een opschortingsrecht met het oog op verrekening van de schade, althans heeft jegens [gedaagde] nooit aanspraak gemaakt op betaling van de factuur.

De rechtbank overweegt dat de door [eiser] geleverde biggen ten tijde van de levering aan [gedaagde] non-conform waren en dat op dat moment ook de (gevolg)schade voor [gedaagde] is ingetreden, zodat sprake was van een tekortkoming van [eiser] ten aanzien waarvan hij in verzuim was. De aansprakelijkheid van [eiser] voor de door [gedaagde] geleden schade kan dan ook niet afstuiten op het ontbreken van een ingebrekestelling. Dat [gedaagde] de biggen is gaan behandelen en kosten heeft gemaakt, zonder [eiser] in de gelegenheid te stellen dit te (laten) doen, maakt het voorgaande niet anders. [eiser] was reeds in verzuim en gelet op de – door [eiser] niet weersproken – stelling van [gedaagde] dat in het kader van haar schadebeperkingsplicht onverwijlde medische behandeling van de biggen noodzakelijk was, was ten aanzien daarvan ook geen afzonderlijke ingebrekestelling vereist.

2.18.

[eiser] betwist verder de hoogte van de door [gedaagde] gestelde schadebedrag van € 20.557,56, dat is gebaseerd op een bezoekrapportage van [getuige B] , bij gebreke van onderliggende stukken waaruit de opgevoerde kosten blijken.

2.19.

[gedaagde] heeft als productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie een verslag overgelegd van [getuige B] , gedateerd 18 oktober 2012, waarin een uitgewerkte berekening van de schade van [gedaagde] is opgesteld. Onder aan dat verslag staat: “Hallo [gedaagde] ( [gedaagde] jr., toevoeging rb) en [eiser] , toevoeging rb), ik zal vrijdag 19 oktober alle bonnen waar ik gegevens van heb gehaald op kantoor inscannen aan jullie mailen”. [getuige B] heeft het verslag met de berekening bij e-mailbericht van 24 oktober 2012 toegestuurd aan [eiser] , [gedaagde] sr., [gedaagde] jr. en [getuige A] . In dat e-mailbericht staat, voor zover van belang: “Hierbij berekening koppel biggen van [Partij A] . In bijlage ook documenten / gegevens die nodig zijn om berekening te maken”. [eiser] heeft de ontvangst van deze stukken niet betwist. De rechtbank leidt daaruit af dat [eiser] de door [getuige B] opgestelde verslag met berekening heeft ontvangen, inclusief de bonnen, waarvan in het verslag van 18 oktober 2012 melding wordt gemaakt. Dat betekent dat [eiser] aldus kennis heeft kunnen nemen van de onderliggende stukken waarop de berekening van [getuige B] was. Het verweer van [eiser] dat het niet mogelijk is de correctheid van de schadeopgave te kunnen verifiëren wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Voor het overige heeft [eiser] geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [gedaagde] opgevoerde schadeposten. De rechtbank gaat dan ook uit van het door [gedaagde] gestelde schadebedrag van € 20.557,56.

2.20.

[gedaagde] heeft zich beroepen op verrekening van haar schade met het restant van de factuur van [eiser] , te weten € 15.000,00, zodat een schadebedrag van € 5.557,56 resteert. [eiser] heeft onder overlegging van de factuur van 7 mei 2012 (factuurnummer 70112) en een bankafschrift (productie 4 bij conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie) aangevoerd dat op de factuur voor een totaalbedrag van € 27.910,45 door [gedaagde] een bedrag van € 12.000,00 is betaald, zodat het openstaande bedrag € 15.901,45 is. [gedaagde] heeft dat niet weersproken, zodat de rechtbank van dat bedrag uitgaat. Aldus resteert na verrekening van het schadebedrag een bedrag van € 20.557,56 -/- € 15.901,45 = € 4.656,11. Dat bedrag zal worden toegewezen, evenals de gevorderde verklaring voor recht dat het overige deel is verrekend, op de wijze zoals hierna in het dictum te vermelden. De wettelijke rente over voormeld bedrag zal worden toegewezen met ingang van de datum waarop de reconventionele vordering is ingesteld, te weten 29 mei 2013.

in conventie

2.21.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.789,00

- getuigenkosten 592,93

- salaris advocaat 2.938,00 (6,5 punten × tarief II (€ 452,00)

Totaal € 5.319,93

in reconventie

2.22.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 x tarief III (€ 579,00).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.319,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 4.656,11, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 mei 2013 tot aan de dag van volledige betaling,

3.5.

verklaart voor recht dat het door [gedaagde] ingehouden bedrag van € 15.901,45 op de factuur van [eiser] van 7 mei 2012 (factuurnummer 70112) is verrekend,

3.6.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 579,00 aan salaris advocaat,

3.7.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.