Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6744

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
c/05/290788 HA ZA 15-575
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over exploitatiekosten van een jachtgebied in Duitsland. Exploitatieovereenkomst voor de duur van tien jaar? vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/290788 / HA ZA 15-575 / 167

Vonnis van 20 december 2017

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.J. Douwes te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P. Willems te Loenen (Gld.)

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2017 en de daarin genoemde processtukken

  • -

    de akte uitlating na eiswijziging van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 26 juli 2017 is overwogen en beslist.

2.2.

Kern van het geschil in deze procedure is of partijen met betrekking tot het jachtrevier Niederscheidweiler te Manderscheid in Duitsland (hierna: het jachtgebied) op/omstreeks 4 maart 2013 een overeenkomst hebben gesloten voor de duur van tien jaar om de jacht en het beheer in het jachtgebied uit te oefenen, waarbij de exploitatiekosten van het jachtgebied door partijen bij helfte zouden worden gedragen, zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist.

2.3.

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat [eiser] en [gedaagde] van plan waren het jachtgebied samen te gaan pachten en daar – door inschakeling van [Pachter A] als formele pachter – (een begin van) uitvoering aan hebben gegeven, niet zonder meer met zich brengt dat dat tevens inhield dat de exploitatiekosten voor jachtgebied door partijen bij helfte zouden worden gedragen. Ingevolge artikel 150 Rv. rust op [eiser] de bewijslast van zijn stellingen dienaangaande. De gestelde overeenkomst dient volgens [eiser] te worden afgeleid uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het kader van het voorlopig getuigenverhoor, ondersteund door de e-mailcorrespondentie tussen partijen voorafgaand aan en ten tijde van het sluiten van de jachtovereenkomst van 12 februari 2013, alsmede de inhoud van die jachtovereenkomst.

2.4.

Bij beschikking van 16 februari 2015 heeft de rechtbank op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Op 13 juli 2015 zijn als getuigen gehoord: [eiser] , [gedaagde] , [bosbeheerder B] (bosbeheerder te Niederscheidweiler), [ambtenaar C] (ambtenaar te Niederscheidweiler) en de heer [Pachter A] .

2.5.

De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van [eiser] een partijgetuigenverklaring is en dat volgens artikel 164 lid 2 Rv die verklaring omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Volgens vaste jurisprudentie is hiervan alleen sprake indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592). Het voorgaande geldt niet voor de verklaring van [gedaagde] , omdat die beperking slechts geldt voor de partij op wie de bewijslast en het bewijsrisico rusten (HR 7 april 2000, NJ 2001, 32).

2.6.

[eiser] verklaart in het voorlopig getuigenverhoor dat het de bedoeling van partijen was om het jachtgebied te gaan exploiteren op 50/50 basis en dat zij hebben afgesproken dat zij ieder de helft van de exploitatiekosten zouden dragen, maar de getuigen [bosbeheerder B] , [ambtenaar C] en [Pachter A] kunnen dat niet bevestigen. Zij verklaren dat [Pachter A] de officiële pachter van het jachtgebied was en dat [eiser] en [gedaagde] zich feitelijk bemoeiden met het jachtgebied en daar de jacht zouden uitoefenen, maar geen van deze getuigen kan iets verklaren over de door [eiser] gestelde financiële afspraken met [gedaagde] met betrekking tot de exploitatiekosten van het jachtgebied. [bosbeheerder B] heeft slechts verklaard dat hij de indruk had dat [eiser] en [gedaagde] beiden dezelfde rechten hadden. [Pachter A] heeft alleen verklaard dat afgesproken is dat hij het jachtgebied zou pachten, dat [eiser] en [gedaagde] feitelijk de jacht zouden gaan uitoefenen en dat alle financiële risico’s en kosten voor rekening van [eiser] en [gedaagde] zouden komen.

2.7.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [eiser] onder verwijzing naar artikel 4 van de jachtovereenkomst van 12 februari 2013 gesteld dat [gedaagde] na ondertekening van het jachtpachtcontract niet heeft meegewerkt aan het maken van afspraken over hun onderlinge taakverdeling en communicatie, maar dat dat niet afdeed aan de geldigheid van de eerder gemaakte afspraken. Daarmee lijkt [eiser] te impliceren dat partijen al vóór de ondertekening van de jachtovereenkomst afspraken zouden hebben gemaakt met betrekking tot de exploitatie, maar dat staat haaks op zijn stelling dat de overeenkomst met betrekking tot de exploitatiekosten op of omstreeks 4 maart 2013 is gesloten, dus ná de ondertekening van de jachtovereenkomst.

2.8.

[gedaagde] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat er nooit afspraken over de exploitatie van het jachtgebied zijn gemaakt. Hij heeft verklaard dat naar Duits recht alleen de pachter afspraken kan maken over het jachtgebied en dat [eiser] en hij geen pachters waren, maar de rechtbank volgt hem niet in die redenering. Ook als alleen de formele pachter met het Jagdgenossenschaft afspraken kan maken over (de exploitatie van) het jachtgebied, dan staat dat er nog niet aan in de weg dat [eiser] en [gedaagde] onderling afspraken kunnen hebben gemaakt over feitelijke jacht binnen het jachtgebied, over de werkzaamheden die verband hielden met de jacht, alsmede over de kosten die daarmee gemoeid waren. Uit artikel 2 van de jachtovereenkomst van 12 februari 2013, waarbij [Pachter A] door [eiser] en [gedaagde] wordt gevrijwaard voor alle financiële risico’s en aansprakelijkheden die voortvloeien uit het jachtpachtcontract, blijkt ook dat [eiser] en [gedaagde] de financiële aspecten met betrekking tot het jachtgebied voor hun rekening zouden nemen. In welke verhouding dat zou zijn blijkt uit deze jachtovereenkomst echter niet.

2.9.

Uit de door [eiser] overgelegde e-mailcorrespondentie (productie 6 bij dagvaarding) blijkt dat partijen, voorafgaand aan het sluiten van de jachtovereenkomst, met elkaar besproken hebben dat er afspraken moesten worden gemaakt over “de opstart, onderhoud, financiële afwikkeling, benutting van in te zetten middelen, criterium waaraan partner jagers moeten voldoen. Wie er mag schieten. Wat doen we met het geschoten wild. Hoe gaan we om met mensen die werkzaamheden uitvoeren. Vastlegging wanneer een van beide er uit wil stappen.” (zie het e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde] van 21 januari 2013).

Partijen hebben gesproken over allerlei aspecten die verband hielden met de exploitatie van het jachtgebied en de vraag hoe een en ander vorm zou moeten worden gegeven. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt ook dat [gedaagde] een zeker voorbehoud lijkt te maken ten aanzien van de financiën. [gedaagde] stuurt op 24 januari 2013 aan [eiser] een e-mailbericht, waarin hij zijn commentaar tussen haakjes invoegt in de tekst van het eerdere e-mailbericht van [eiser] van 21 januari 2013. [gedaagde] schrijft onder meer: “Laat ik beginnen met je te zeggen dat ik dezelfde mening ben toegedaan als jij; het is een mooi veld en zeker de moeite waard om te bemachtigen. Een ander aspect is dat ik gewoon netjes vooraf wil zeggen dat ik bij lange na niet zo kapitaalkrachtig ben als jij en daar moeten we in de constructie rekening mee houden.

Ten aanzien van de (jacht)woning schrijft hij: “Lijkt mij goed plan maar let op; ik kan niet op voorhand zeggen dat ik dat kan meebetalen.

Naar aanleiding van de opmerking van [eiser] dat partijen een exploitatiebegroting moeten maken en zijn GmbH de ‘handel wil laten financieren’, antwoordt [gedaagde] : “Dit is inderdaad punt van aandacht. Ik kan niet zomaar even 100K neertikken voor de investering (School, Tractor, Defender, Kansels). Hoever ik kan komen moet ik de komende tijd even gaan bekijken. Stel dat jouw GMBH financiert dan moeten er overeenkomsten komen voor het gebruik. Dus bijvoorbeeld de Defender wordt door GMBH gekocht dan wordt hij gebruik door jou en mij daarop betaald (los van jouw vestzak/broekzak situatie). Uiteindelijke invulling later.

Verder schrijft [gedaagde] : “Pacht en wildschade pakken we zo op, dat kan ik handelen. Wat betreft de diepere voorinvesteringen is eea mede afhankelijk van hoever ik kan komen. Wanneer jouw GBMH in dat kader als soort van bankier optreedt dan ontstaat daardoor mijns inziens vanzelf een soort van gebruikssituatie die dan weer in maandbedragen te vertalen is.” Dat [gedaagde] aan deze laatste zin toevoegt: “Dus bijvoorbeeld inbreng Defender door GMBH kost € 300,- per maand, dan betaal ik 150,- per maand aan de GMBH, etc. etc.” kan worden gezien als een bevestiging dat de kosten van de auto door partijen bij helfte zou worden gedragen, maar dat zegt niet zonder meer dat die verdeling ook gold ten aanzien van alle andere kosten die verband hielden met de jacht en de exploitatie van het jachtgebied. Het bestaan van de door [eiser] gestelde exploitatieovereenkomst kan dan ook niet worden aangenomen op grond van voormelde

e-mailcorrespondentie.

2.10.

[eiser] heeft zich verder (subsidiair) beroepen op de inhoud van de jachtovereenkomst van 12 februari 2013, waaruit volgens hem blijkt dat [gedaagde] zich jegens [eiser] heeft verbonden om de kosten van de exploitatie van het jachtgebied te delen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

2.11.

Uit de jachtovereenkomst van 12 februari 2013 volgt dat [eiser] en [gedaagde] voornemens waren een pachtcontract te sluiten met betrekking tot het jachtgebied Niederscheidweiler in Duitsland. Omdat zij nog geen drie jaar in het bezit waren van een Duitse jachtakte, is [Pachter A] als formele pachter een jachtpachtcontract aangegaan met het ‘Jagdgenossenschaft Niederscheidweiler’. Getuige artikel 3 van de jachtovereenkomst zou zo snel als mogelijk het pachtrecht worden overgedragen aan [eiser] en/of [gedaagde] . Op grond van de inhoud van deze jachtovereenkomst, de bedoeling van [eiser] en [gedaagde] om het jachtgebied (op termijn) te gaan pachten, de inzet van [Pachter A] als (tijdelijke) pachter en de vrijwaring van [Pachter A] door [eiser] en [gedaagde] voor de kosten die voortvloeien uit het jachtpachtcontract, zolang [Pachter A] pachter was (artikel 2), gelezen in samenhang met de tussen partijen voorafgaand daaraan gevoerde e-mail-correspondentie, is wel aannemelijk dat [eiser] en [gedaagde] beiden zouden bijdragen in bepaalde kosten die daarmee gepaard gingen, maar om welke kosten het ging en hoe die kosten in de onderlinge verhouding tussen partijen zouden worden afgerekend blijkt niet uit die e-mailcorrespondentie en evenmin uit de jachtovereenkomst.

2.12.

De rechtbank constateert op grond van de voorhanden stukken alsmede de getuigenverklaringen dat er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken.

[eiser] heeft in de inleidende dagvaarding getuigenbewijs aangeboden door het (nogmaals) horen van de getuigen [eiser] , [gedaagde] , [Pachter A] , [bosbeheerder B] en [ambtenaar C] , maar heeft niet aangegeven dat, en zo ja op welke punten, deze getuigen, die reeds op zijn verzoek in het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn gehoord, meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan. Om die reden wordt aan dat bewijsaanbod voorbij gegaan. Nu [eiser] verder geen ander bewijs heeft aangeboden, is voor nadere bewijslevering geen plaats meer.

2.13.

De slotsom van het voorgaande is dat niet is komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde] een exploitatieovereenkomst voor de duur van tien jaar hebben gesloten, waarbij is overeengekomen dat partijen de exploitatiekosten, uitgaande van de in het gewijzigde petitum genoemde kostenposten, bij helfte zouden delen. Ook het subsidiaire standpunt van [eiser] dat dat volgt uit de jachtovereenkomst houdt geen stand. Zelfs als tot uitgangspunt wordt genomen dat [eiser] op grond van eerdere besprekingen over de exploitatie van het jachtgebied en/of de jachtovereenkomst er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde] financieel zou bijdragen aan de exploitatie van het jachtgebied, dan staat daarmee nog altijd niet vast om welke kosten het ging en evenmin wat de verhouding was waarin partijen in die kosten zouden bijdragen, ook niet in het licht van de eerder tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie. Tot een exploitatieovereenkomst, waarin een en ander duidelijk is vastgelegd, lijkt het eenvoudigweg niet te zijn gekomen, althans voor het bestaan van een dergelijke overeenkomst kan geen steun worden gevonden in de door [eiser] aangedragen bewijsmiddelen, te weten de getuigenverklaringen,

de overgelegde e-mailcorrespondentie en de jachtovereenkomst.

2.14.

Voor zover [eiser] met zijn subsidiaire standpunt bedoelt te betogen dat [gedaagde] ook zonder een daartoe strekkende (afzonderlijke) overeenkomst hoe dan ook op grond van de jachtovereenkomst diende bij te dragen in de exploitatiekosten van het jachtgebied voor een periode van tien jaar, overweegt de rechtbank als volgt.

2.15.

Vaststaat dat [Pachter A] bij brief van 21 augustus 2013 aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat zijn ‘Jagderlaubnisschein’ (jachtvergunning) is ingetrokken. Dit heeft tot gevolg gehad dat het [gedaagde] niet meer was toegestaan om in het jachtgebied te jagen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt (zie ook zijn brief aan [Pachter A] van 21 november 2013; rov. 2.3. van het vonnis van 26 juli 2017) dat daarmee niet alleen zijn rechten maar ook zijn verplichtingen uit hoofde van de jachtovereenkomst zijn komen te vervallen, zowel ten aanzien van [Pachter A] als ten aanzien van [eiser] , zodat hij niet langer gehouden kan worden om bij te dragen aan de kosten van de jacht in het jachtgebied. [eiser] stelt dat de intrekking van de jachtvergunning van [gedaagde] hem niet ontslaat van zijn financiële verplichtingen om bij te dragen in de exploitatiekosten van het jachtgebied.

2.16.

Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie in de periode voorafgaand aan het sluiten van de jachtovereenkomst blijkt dat partijen beoogden een regeling vast te leggen voor het geval een van beiden ‘eruit wilde stappen’.

In een e-mailbericht van [eiser] van 21 januari 2013 schrijft [eiser] : “We zullen een duidelijke afspraken moeten maken waarin ook staat als een van beide er mee wil stoppen, hoe we dit regelen.

[gedaagde] reageert daarop in zijn e-mailbericht aan [eiser] van 24 januari 2013, waarin hij zijn commentaar invoegt in de tekst van het eerdere e-mailbericht van [eiser] : “Leggen we net zoals alle andere afspraken notarieel vast wat mij betreft. Welke formule we kiezen gaan we samen nader bestuderen, ok?”.

Vaststaat dat die notariële vastlegging niet heeft plaatsgevonden en dat ook overigens geen afspraken zijn vastgelegd over de wijze van afrekening indien een van partijen tussentijds eruit zou willen stappen. Met de mogelijkheid dat de jachtvergunning van een van hen zou (kunnen) worden ingetrokken, hebben partijen kennelijk nooit rekening gehouden. In de jachtovereenkomst is opgenomen dat de pachter [Pachter A] zijn rechtsverhouding tot het Jagdgenossenschaft met betrekking het jachtpachtcontract zodra mogelijk zou overdragen aan [eiser] en/of [gedaagde] . Vaststaat dat [eiser] per 1 april 2016 formeel de (enige) pachter van het jachtgebied is en met het Jagdgenossenschaft Niederscheidweiler een jachtpachtcontract voor de duur van tien jaar heeft gesloten. Ook als tot uitgangspunt zou worden genomen dat [gedaagde] na de intrekking van zijn jachtvergunning nog enige tijd een bijdrage in de exploitatiekosten aan [eiser] verschuldigd was, dan valt niet in te zien op welke grond [gedaagde] vanaf 1 april 2016 nog gehouden zou kunnen zijn om bij te dragen aan de exploitatiekosten voor een jachtgebied, waarvan hij geen (mede)pachter is en waarover hij dus ook geen enkele zeggenschap heeft.

Vaststaat dat [gedaagde] in totaal € 12.000,00 aan [eiser] heeft betaald (punt 5 van de inleidende dagvaarding). De rechtbank is van oordeel dat, er vanuit gaande dat [gedaagde] gehouden was nog enige tijd een bijdrage te betalen in de exploitatiekosten van het jachtgebied, hij met de betaling van dat bedrag heeft voldaan aan zijn verplichtingen op dat punt. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

2.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, inclusief de getuigentaxe in het voorlopig getuigenverhoor. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat 2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.319,00

2.18.

De rechter, ten overstaan van wie het voorlopig getuigenverhoor is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.319,00,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.