Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6741

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
323978 HA ZA 17-385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Incidentele vordering ex. art. 223 Rv tot betaling voorschot schadevergoeding. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/323978 / HA ZA 17-385 / 167 / 876

Vonnis in incident van 11 oktober 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] gemeente [gemeente] ,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaten mr. J.M.H.W. Bindels en mr. J.W. Silvius te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Op 13 december 2004 is [eiser] , geboren op 22 augustus 1949, betrokken geweest bij een verkeersongeval. Daarbij werd de door haar bestuurde personenauto links middenachter ter hoogte van het achterportier aangereden door een andere personenauto. De auto van [eiser] raakte hierdoor total loss. De bestuurder van de andere personenauto was ten tijde van het ongeval tegen de risico’s van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het ongeval erkend.

2.2.

[eiser] is architect van beroep alsmede illustrator en meercamera-regisseur. Ten tijde van het ongeval was [eiser] op contractbasis werkzaam bij de publieke omroep, maar zij was vanwege een burn out arbeidsongeschikt. Zij ontving een ziektewetuitkering van het UWV.

2.3.

Na het ongeval heeft [eiser] op 23 december 2004 haar huisarts bezocht met klachten bestaande uit pijn in de nek en in de rug. De huisarts heeft haar in eerste instantie rust, pijnstilling en spierontspanners voorgeschreven. Nadat de klachten aanhielden, heeft de huisarts [eiser] begin februari 2005 verwezen naar fysiotherapie. Tevens heeft de huisarts röntgenfoto’s laten maken van de nek van [eiser] . [eiser] heeft vervolgens een neuroloog en een orthopedisch chirurg bezocht. De behandelingen fysiotherapie zijn begin 2006 gestopt.

2.4.

Ter afwikkeling van de schade hebben [eiser] en [gedaagde] in gezamenlijk overleg als deskundige benoemd professor [dr. A] (hierna: [dr. A] ) voor een neurologische expertise. [dr. A] heeft op 21 november 2007 gerapporteerd. In zijn rapport is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Haar huidige klachten zijn:

- steeds aanwezige nekpijn, waarom ze om de pijn te beïnvloeden met opgetrokken schouders zit en loopt, waarbij de pijn ook over het hoofd naar de ogen uitstraalt, met een drukkend karakter;

- pijn uitstralend naar de rechterschouder, de rechterbovenarm en vaak naar de rechterhand, via de strekzijde van de onderarm;

- de rechterarm wil bij bewegen niet goed mee en gaat trillen bij inspanning, bijvoorbeeld na tien minuten tekenen;

- de lage rugklachten, die ze al had ten tijde van het ongeval, zijn daarna toegenomen;

- haar stemming heeft onder haar klachten geleden.

(…)

Samenvatting, beschouwing en conclusie

(…)

Geconcludeerd moet worden tot een status na acceleratie-deceleratie trauma van de halswervelkolom met pijn en bewegingsbeperking van de halswervelkolom alsmede aanwijzingen voor een plexopathie van de rechter plexus brachialis, met een door elektromyografisch onderzoek geobjectiveerde stoornis in de musculus deltoïdus rechts (radiculaire stoornis C5). In verband met de door betrokkene aangegeven activering van de preëxistente psychiatrische problematiek moet een psychiatrische expertise worden aanbevolen.

Beantwoording van de gestelde vragen

1. De situatie na ongeval

(…)

e. Wat is de diagnose op uw vakgebied?

Antwoord: status na acceleratie-deceleratie trauma van de halswervelkolom met cervicobrachialgie rechts, met name in het wortelgebied C5 rechts (er is door middel van elektromyografisch onderzoek elders een denervatie gevonden van de musculus deltoïdeus rechts).

f. Indien sprake is van klachten, waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal-diagnostische overwegingen zijn?

Antwoord: de bewegingsbeperking van de halswervelkolom is grotendeels te verklaren vanuit het relevante ongeval met de opmerking, dat er twee maanden na dit ongeval op een röntgenfoto van de halswervelkolom reeds verouderingsverschijnselen aan de halswervelkolom zichtbaar zijn in de zin van discusdegeneratie, met name op het niveau C5-C6 en daaronder in de zin van spondylarthrose. Betrokkene was voor het ongeval reeds bekend met lage rugklachten, waarvoor zij onder neurologische behandeling is geweest. Bij een MRI-onderzoek van de lumbale wervelkolom in 2003 werd een discusdegeneratie L5-S1 gevonden zonder herniatie. Ook thans zijn er geen aanwijzingen voor een actief lumbaal radiculair syndroom. De lage rugklachten van betrokkene kunnen worden verklaard vanuit de preëxistente veroudering van de lumbale wervelkolom in de zin van discusdegeneratie L5-S1 met de opmerking dat er ook thans geen aanwijzingen zijn voor een lumbaal radiculair syndroom.

g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de AMA-guides, laatste druk, aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

Antwoord: de gevonden bewegingsbeperking van de halswervelkolom kan als volgt volgens de richtlijnen van de AMA, 5e druk, worden gewaardeerd: flexiebeperking 1%, extensiebeperking 1%, rotatiebeperking naar rechts 2%, rotatiebeperking naar links 1%, lateroflexiebeperking naar rechts 2%, lateroflexiebeperking naar links 2%, tezamen 9% met de opmerking, dat er twee maanden na het relevante ongeval aanzienlijke verouderingsverschijnselen van de halswervelkolom werden gevonden, waarom ik van dit percentage 2% wil aftrekken. Resteert als gevolg van het ongeval ten aanzien van de bewegingsbeperking van de halswervelkolom 7%. Daarnaast is er sprake van een cervicobrachialgie, met name van de wortel C5 rechts, met daardoor een motorische stoornis in de musculus deltoïdeus rechts, door mij getaxeerd op -10% van een maximale stoornis volgens de richtlijnen van de AMA-5, tabel 16.15, en de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie à 30 is 3 op de arm, dit is 2% op de gehele persoon.

Tezamen derhalve 7 + 2 = 9% functieverlies op de gehele persoon als gevolg van het relevante ongeval.

h. Welke beperkingen stelt betrokkene als gevolg van het ongeval te ondervinden voor:

- activiteiten dagelijks leven, met name zelfverzorging;

- de vrijetijdsbesteding;

- het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden;

- het verrichten van loonvormende arbeid?

Antwoord: betrokkene stelt, dat zij als gevolg van de posttraumatische nekpijn en bewegingsbeperking van de halswervelkolom en de krachtsvermindering, met name in de rechter bovenarm (…), beperkt is bij bovenhandse activiteiten, met name van de rechterarm, nekbelasting en ver reiken en bij tillen, duwen of trekken met de rechterarm, waardoor ook het tekenen en het maken van maquettes (nodig in haar beroep als binnenhuisarchitect/programmaker, ontwerper en tekenaar) beperkt zijn. Betrokkene kan daardoor geen zware huishoudelijke werkzaamheden verrichten en is beperkt in de vrijetijdsbesteding, zoals het tennissen. Ook kan zij haar huisdieren minder goed verzorgen.

i. Welke medische beperkingen stelt u vast als gevolg van het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Antwoord: betrokkene is verminderd belastbaar ten aanzien van de nekbewegingen, nodig bij bovenhandse arbeid, ver reiken en zwaarder tillen, duwen of trekken dan incidenteel 10 kg ineens. Dit geldt met name voor het gebruik van de rechterarm (betrokkene is rechtshandig).

(…)

2 De hypothetische situatie zonder ongeval

a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen, die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen?

Antwoord: dit geldt alleen voor de psychische toestand van betrokkene alsmede voor de lage rugklachten.

b. Voorzover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

Antwoord: hiervoor is nog een psychiatrische expertise nodig,

c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1g) en welke beperkingen (als bedoeld in vraag 1h) (…) uit deze klachten en afwijkingen zijn voortgevloeid?

Antwoord: zie mijn advies verwoord in mijn antwoord op de vorige vraag. Daarbij wil ik opmerken, dat betrokkene ook al voor het ongeval lage rugklachten had.

3 Overige aspecten van de hypothetische situatie zonder ongeval

a. Wilt u tegen deze achtergrond, een inventarisatie maken van de feiten en omstandigheden uit het medisch dossier van betrokkene, die naar uw mening in dit opzicht relevant zijn?

Antwoord: allereerst wil ik opmerken, dat betrokkene, zoals de huisarts verklaart, voor het ongeval geen nekklachten had, maar wel behandeld was wegens lage rugklachten alsmede voor een depressie en agorafobie.

(…)”

2.5.

De kantonrechter te Amsterdam heeft in deelgeschil bij beschikking van

21 december 2012 (zaaknummer: 1382246 EA VERZ 12-1676) voor recht verklaard dat het rapport van [dr. A] als uitgangspunt moet dienen bij de verdere onderhandeling in het kader van de schaderegeling, dat er sprake is van een causaal verband tussen de klachten die [eiser] ervaart zoals omschreven in het rapport van [dr. A] en het ongeval en dat [gedaagde] gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te voldoen.

2.6.

Op 22 maart 2014 heeft orthopedisch chirurg [dr. B] (hierna: [dr. B] ) [eiser] onderzocht in het kader van een orthopedische expertise. Op 23 maart 2015 heeft [dr. B] zijn bevindingen op schrift gesteld. In zijn rapport is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

VIII. Beantwoording van de vragen

1. De situatie met ongeval

(…)

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven?

Beantwoording f:

Status na derangement van cervicale wervelkolom en schoudergordel ten gevolge van een auto-ongeval d.d. 13.12.2004. Bij röntgenonderzoek van de cervicale wervelkolom worden preëxistente laag cervicale degeneratieve afwijkingen gevonden. Voor het overige geen posttraumatische afwijkingen.

Betrokkene wordt behandeld middels medicatie en fysiotherapie voor het derangement van de nek. Voor de uitstralende klachten naar schouder en arm wordt orthopaedisch onderzoek verricht ruim 1 jaar na het onderhavige ongeval, waarbij op dat moment geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen aan de schouders worden gevonden.

Begin 2010 ontstaat bij betrokkene spontaan een bicepspeesruptuur rechts waarna foto’s en echo-onderzoek wordt verricht waarbij ook cufflaesies worden gezien welke van degeneratieve aard zijn. In het dossier heb ik geen aanwijzingen kunnen vinden dat hier sprake is geweest van een posttraumatische cufflaesie dan wel een posttraumatische frozen schoulder, dit mede gelet ook op de bevindingen van de orthopaedisch chirurg, ongeveer 1 ½ jaar na het ongeval.

Beperkingen

(…)

h. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA Guides, zesde druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

Beantwoording h:

De afschatting van de mate van impairment volgens AMA 6 levert de volgende problemen op. Als ik haar af moet schatten voor een cufflaesie met normale range of motion kom ik niet goed uit omdat ze toch wel enige bewegingsbeperking aangeeft (pijn). Anderzijds om het via het range of motion model af te schatten krijg ik te maken met een inconsistente bewegingsbeperking waardoor ik hierbij ook niet een betrouwbaar percentage impairment kan afschatten.

Voor het derangement van de cervicale wervelkolom kan ik volgens de NOV richtlijnen geen % vaststellen.

Medische eindsituatie

i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

Beantwoording i:

Mijns inziens is de beoordeling van blijvende gevolgen van het ongeval thans mogelijk omdat er op mijn gebied geen directe gevolgen van het ongeval vaststelbaar zijn. Opmerking van expert: Het plan is de degeneratieve cuff laesie te opereren, maar dit betekent niet dat de laesie ongevalsgevolg is. In het boek van Foy and Fagg (Medicolegal reporting in orthopaedic trauma) wordt het % degeneratieve cuff rupturen rond de leeftijd van 60 rond de 20% aangegeven. Ze kunnen lange tijd symptoomloos zijn. Willems heeft tegen betrokkene gezegd en geschreven dat het waarschijnlijk ongevalsgevolg is, maar uit de brief blijkt niet de langdurige voorgeschiedenis en eerdere orthopaedische bevindingen.

(…)

2. De situatie zonder ongeval

(…)

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

Beantwoording c:

Zoals reeds vermeld is betrokkene bekend met rugklachten op basis van degeneratieve afwijkingen laag lumbaal. De schouderklachten / cuff problemen hadden ook zonder ongeval kunnen ontstaan.

(…)”.

2.7.

[eiser] heeft naar aanleiding van het rapport van [dr. B] een klacht tegen [dr. B] ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle.

2.8.

In een brief van 27 mei 2015 van [gedaagde] aan [eiser] staat, voor zover hier van belang:

“(…)

Nu u niet bereid bent op het voorstel ter finale regeling in te gaan noch een constructief en adequaat traject voorstaat, ziet [gedaagde] af van een mediation-traject en zal zij deze schade eenzijdig regelen.

Bovenstaande houdt in dat [gedaagde] van mening is dat een meer dan redelijke schadevergoeding voor onderhavig ongeval in totaal en maximaal € 50.000,00 bedraagt. Onderstaand aanvullend bedrag zal rechtstreeks worden overgemaakt.

(…)”.

2.9.

[eiser] heeft vanaf 2004 tot aan de datum waarop zij in aanmerking kwam voor AOW (1 november 2014) een WAO-uitkering ontvangen.

2.10.

[gedaagde] heeft tot nu toe aan [eiser] een bedrag van in totaal € 47.500,00 betaald (volgens [eiser] ), dan wel € 50.000,00 (volgens [gedaagde] ). De laatste betaling van € 23.500,00 dateert van mei 2015.

3 De vordering in de hoofdzaak en in het incident

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening:

I. [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] ten titel van voorschot op al hetgeen zij in de hoofdzaak nog aan [eiser] verschuldigd zal blijken te zijn behoudens de belastingschade, te voldoen een bedrag van € 50.000,00,

in de hoofdzaak:

primair

II. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] ten titel van schadevergoeding behoudens de belastingschade als gevolg van het aan [eiser] op 13 december 2004 overkomen ongeval te betalen een bedrag van € 453.605,05,

subsidiair

III. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] ten titel van schadevergoeding als gevolg van het aan [eiser] op 13 december 2004 overkomen ongeval te betalen een bedrag van € 407.733,68,

meer subsidiair

IV. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] ten titel van schadevergoeding als gevolg van het aan [eiser] op 13 december 2004 overkomen ongeval te betalen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

V. [gedaagde] te veroordelen om over de door haar te betalen schadevergoeding aan [eiser] de wettelijke rente te betalen, te berekenen vanaf 14 december 2004, althans voor iedere schadepost vanaf de datum waarop deze opeisbaar is geworden,

VI. [gedaagde] te veroordelen in de reële kosten van deze procedure, te begroten op

€ 7.500,00, exclusief 6 % kantoorkosten en 21 % BTW, subsidiair een door de rechtbank conform een van de onder punt VII.4 van de dagvaarding genoemde varianten, meer subsidiair conform het gebruikelijke liquidatietarief, ‘kosten rechtens’.

3.2.

Aan haar incidentele vordering legt [eiser] de navolgende stellingen ten grondslag. Als gevolg van het ongeval in 2004 heeft zij schade geleden, door haar begroot op een bedrag van in totaal € 453.605,05. Het gevorderde schadebedrag bestaat uit verlies aan verdienvermogen, misgelopen pensioenopbouw, kosten huishoudelijke hulp/verzorging, medische kosten, reiskosten, verlies aan zelfwerkzaamheid, overige kosten en smartengeld. Afgezien van een ontvangen voorschot en een slotbetaling van in totaal € 47.500,00 heeft [gedaagde] niets aan schade uitgekeerd, ondanks het feit dat de aansprakelijkheid voor het ongeval door [gedaagde] is erkend. [eiser] stelt dat zij in ernstige financiële problemen verkeert. Haar inkomen bestaat slechts uit een AOW-uitkering, waarmee zij, gelet op de uit haar beperkingen voortvloeiende kosten, niet kan rondkomen. Indien er op korte termijn geen verandering in haar financiële situatie zal ontstaan, zal zij genoodzaakt zijn om haar woning te verkopen. Deze omstandigheden rechtvaardigen een nader door [gedaagde] te betalen voorschot van € 50.000,00, aldus [eiser] .

3.3.

[gedaagde] betwist dat er spoedeisend belang is aan de zijde van [eiser] waardoor van haar niet gevergd zou kunnen worden dat zij de uitkomst van de lopende bodemprocedure afwacht. [eiser] heeft jaren stilgezeten nadat [gedaagde] in mei 2015 heeft laten weten dat zij de zaak als afgedaan beschouwde en een slotbetaling heeft gedaan van € 23.500,00. Daarnaast bestaat er een restitutierisico indien er daadwerkelijk sprake is van een financiële noodsituatie. Indien [gedaagde] toch een nader voorschot beschikbaar zou moeten stellen, dan kan dit maximaal een voorziening betreffen voor de duur van de bodemprocedure. Voorts betwist [gedaagde] dat de door [eiser] geleden schade de hoogte van de reeds voldane schadevergoeding overstijgt. Op basis van de beschikbare medische informatie moet worden geconcludeerd dat het letsel niet volledig in verband staat met het ongeval. Wat betreft de gestelde schadepost verlies aan verdienvermogen heeft te gelden dat het inkomen van [eiser] na het ongeval niet minder is geworden, aangezien [eiser] ten tijde van het ongeval al vier jaar volledig arbeidsongeschikt was en niet heeft onderbouwd waarom er voor haar, gelet op haar eerdere arbeidsongeschiktheid en de oorzaken daarvan, weer perspectief zou zijn op de arbeidsmarkt. [gedaagde] concludeert dan ook tot weigering van de verzochte voorziening.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

[eiser] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering ex artikel 223 Rv. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde maatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.

4.2.

De rechtbank overweegt dat het oordeel van de kantonrechter in de deelgeschilbeschikking van 21 december 2012, dat het rapport van [dr. A] als uitgangspunt dient bij de verdere onderhandeling in het kader van de schaderegeling en sprake is van een causaal verband tussen de klachten die [eiser] ervaart zoals omschreven in het rapport van [dr. A] en het ongeval, niet zonder meer met zich brengt dat daardoor aannemelijk is geworden dat de schade die [gedaagde] als gevolg van het ongeval moet vergoeden, uit zal komen boven het reeds door [gedaagde] aan [eiser] uitgekeerde bedrag (waarbij [eiser] uitgaat van een bedrag van € 47.500,00 en [gedaagde] van een bedrag van € 50.000,00).

4.3.

Uit het rapport van [dr. A] volgt de conclusie dat sprake is van een bewegingsbeperking van de halswervelkolom en een cervicobrachialgie met daardoor een motorische stoornis in de musculus deltoïdus rechts. Hij komt uit op een functieverlies op de gehele persoon als gevolg van het ongeval van 7 + 2 = 9%.

4.4.

In het rapport van [dr. B] staat dat voor uitstralende klachten naar schouder en arm orthopedisch onderzoek is verricht één jaar na het ongeval en dat op dat moment geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen aan de schouders worden gevonden, hetgeen anders is in 2010 aangezien op dat moment een bicepspeesruptuur wordt geconstateerd. [dr. B] komt tot de conclusie dat de schouderklachten niet als ongevalsgevolg zijn aan te merken. Hoewel [eiser] een klacht heeft ingediend tegen de werkwijze van [dr. B] bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, kan in de beoordeling van de thans gevraagde provisionele voorziening niet beoordeeld worden in hoeverre deze klacht het rapport van [dr. B] op de inhoud aantast, aangezien het eindoordeel van het Regionaal Tuchtcollege niet bij de stukken is gevoegd. Verder is de vraag of, en zo ja in hoeverre, partijen gebonden zijn aan deze rapportage tussen partijen nog in debat en gaat beantwoording van die vraag het kader van de thans gevraagde voorziening te buiten.

4.5.

Maar ook indien uitsluitend wordt uitgegaan van de conclusies in het rapport van [dr. A] , dan is daarmee naar het oordeel van de rechtbank nog niet in voldoende mate in kaart gebracht wat de precieze gevolgen zijn van de door [dr. A] vastgestelde klachten en beperkingen van [eiser] in relatie tot de door haar gestelde schadeposten, waaronder de aanzienlijke posten verlies aan verdienvermogen (€ 271.376,57, dan wel € 194.924,28) en misgelopen pensioenopbouw (€ 180.945,93). De kantonrechter heeft in zijn deelgeschilbeschikking beslist dat het rapport van [dr. A] als uitgangspunt dient bij de verdere onderhandeling in het kader van de schaderegeling en dat sprake is van een causaal verband tussen de klachten van [eiser] zoals omschreven in het rapport van [dr. A] en het ongeval, maar dat laat onverlet dat nog nader onderzoek nodig kan zijn alvorens de schade kan worden begroot. [dr. A] beschrijft in zijn antwoord op vraag 1i medische beperkingen ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige, bij vraag 2a dat sprake is van preëxistente klachten en afwijkingen, in zijn antwoord op vraag 2b dat een psychiatrische expertise nodig is en bij vraag 2c dat [eiser] ook voor het ongeval lage rugklachten had. Dat, en zo ja in hoeverre, deze preëxistente klachten en beperkingen van invloed zijn op en gevolgen hebben voor de begroting van de gestelde schadeposten, volgt niet uit het rapport. Verder is in 2010 kennelijk een bicepspeesruptuur ontstaan, waarvan niet duidelijk is wat daarvan de oorzaak is, noch tot welke beperkingen de daaruit voortkomende klachten leiden. [gedaagde] voert in haar antwoordconclusie in het incident verder aan dat [eiser] voorafgaand aan het ongeval vier jaar arbeidsongeschikt was. De reden daarvoor en het verloop daarvan kan van invloed zijn op de beoordeling van de inkomenspositie van [eiser] na het ongeval en de vraag van welke uitgangspunten bij de berekening daarvan moet worden uitgegaan. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat er nog de nodige onduidelijkheden en/of onzekerheden zijn en dat niet uitgesloten is dat nog nadere bewijslevering en/of aanvullend(e) deskundigen-onderzoek(en) nodig zal/zullen zijn. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken thans onvoldoende aannemelijk is dat de schade die [gedaagde] als gevolg van het ongeval van 13 december 2004 aan [eiser] moet vergoeden hoger zal zijn dan het reeds uitgekeerde bedrag en dat het beloop van het gevorderde voorschot binnen het kader van dit incident evenmin op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld, zodat de gevorderde provisionele voorziening zal worden afgewezen.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

in de hoofdzaak

4.7.

De zaak zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 452,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 november 2017 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.