Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6724

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6206
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:10578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Correcties naar aanleiding van boekenonderzoeken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/0207 met annotatie van Nikolajev Ligthart
V-N Vandaag 2018/12
V-N 2018/13.2.1
Viditax (FutD), 02-01-2018
FutD 2018-0122
NTFR 2018/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/6206

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 december 2017

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.87.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 100.004. Tevens is bij beschikking € 2.916 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 juli 2014 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 augustus 2014, ontvangen door de rechtbank op 25 augustus 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op de conclusie van dupliek en nadere stukken ingediend. Ook verweerder heeft nog nadere stukken ingediend. Alle stukken zijn in afschrift aan de wederpartij verstrekt.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde en diens kantoorgenoot [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [C] , mr. [D] , [E] en [F] .

De zaken met nummers 14/33, 14/35, 14/6181, 14/6182, 14/6206, 14/6229, 14/6234, 14/6235, 14/6918, 14/6919, 14/6921, 14/8172, 14/8173 en 14/8975 zijn ter zitting gelijktijdig behandeld. De zaken met nummers 14/8172 en 14/8173 zijn ter zitting ingetrokken.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een compromis te beproeven.

Op 27 februari 2017 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank geïnformeerd dat geen minnelijk overleg heeft kunnen plaatsvinden.

Op 17 maart 2017 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over het verdere verloop van de procedures en heeft de rechtbank eiseres op haar verzoek in de gelegenheid gesteld aanvullend te mogen reageren.

Op 18 april 2017 en 29 september 2017 heeft de gemachtigde van eiseres aanvullend gereageerd. Afschriften van deze aanvullende reacties zijn aan verweerder gezonden.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 en 13 oktober 2017. Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde en diens kantoorgenoot [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , [E] en [F] .

De zaken met nummers 14/33, 14/35, 14/6181, 14/6182, 14/6206, 14/6229, 14/6234, 14/6235, 14/6918, 14/6919, 14/6921 en 14/8975 zijn ter zitting gelijktijdig behandeld.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Verweerder heeft ter zitting een overzicht van de lopende beroepszaken met omschrijving van onder meer het geschil en het financiële belang per zaak overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Daarbij zijn partijen op hun verzoek nog wel in de gelegenheid gesteld (alsnog) een compromissoire oplossing te beproeven, ook voor toekomstige, niet in geschil zijnde jaren. Op 20 november 2017 heeft verweerder de rechtbank bericht dat partijen definitief niet tot overeenstemming zullen komen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op [2002] opgericht.

2. De aandelen in eiseres worden voor 99% gehouden door Stichting [G] . Mevrouw [H] (hierna: [H] ), de partner van [A] (hierna: [A] ), is enig bestuurder van deze stichting en tevens certificaathouder van 99% van de aandelen in eiseres.

3. De resterende 1% van de aandelen in eiseres wordt gehouden door [I] C.V. Van deze commanditaire vennootschap is [L] B.V. de beherend vennoot en [J] B.V. de commanditaire vennoot.

4. [J] B.V. is tevens voor 50% aandeelhouder van [L] B.V. De aandelen in [J] B.V. worden voor 100% gehouden door Stichting [K] . [A] is de enige bestuurder van deze stichting en tevens de certificaathouder van alle aandelen in [J] B.V.

5. De overige 50% van de aandelen in [L] B.V. worden gehouden door [M] B.V. Mevrouw [N] , de echtgenote van voormalig gemachtigde [O] , is enig aandeelhouder en bestuurder van [M] B.V. [M] B.V. is tevens bestuurder van eiseres.

6. Eiseres is enig aandeelhouder van [P] B.V. (hierna: [P] ). Beide vennootschappen vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

7. In 2008 heeft [P] voor een bedrag van € 578.931 grondstoffen geleverd aan [a] B.V. (hierna: [a] ). Deze leveringen zijn door [a] volledig onbetaald gelaten. Eind 2008 bedroeg de vordering van eiseres op [a] vanwege de levering van grondstoffen € 1.002.638. [a] verhuurt haar onderneming (een betoncentrale) per [2008] aan een derde.

8. Alle aandelen in [a] worden gehouden door [b] C.V. Van deze commanditaire vennootschap is [c] B.V. de beherend vennoot en [d] B.V. de commanditaire vennoot. [d] B.V. is (indirect) houder van alle aandelen in [c] B.V.

9. Stichting [K] is houder van 99% van de aandelen in [d] B.V. De resterende 1% van de aandelen in [d] B.V. wordt gehouden door Stichting [G] .

10. In 2006 heeft eiseres voor haar vordering op [a] uit hoofde van de levering van grondstoffen een voorziening dubieuze debiteuren gevormd van € 100.000. Deze voorziening is door eiseres in 2008 verhoogd met € 200.000.

11. Eiseres heeft voor het jaar 2008 aangifte Vpb gedaan naar een verlies van € 99.996. Hierin is de dotatie aan de voorziening dubieuze debiteuren ten bedrage van € 200.000 ten laste van het resultaat gebracht. De aanslag is op 20 maart 2010 vastgesteld conform de ingediende aangifte.

12. Verweerder heeft onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb 2006, 2007 en 2008 onderzocht. Het onderzoek is aangevangen op 25 januari 2011. Hiervan is op 22 februari 2013 een rapport opgesteld, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“3.1 Debiteuren

In 2006 is een voorziening dubieuze debiteuren gevormd ten bedrage van € 100.000. Deze voorziening heeft betrekking op de vordering op [a] B.V..

In 2008 is de voorziening verhoogd tot € 301.019,45. Hiervan heeft € 1.019,45 betrekking op [e] en € 300.000 op [a] B.V..

Zowel de aandelen van [P] B.V. als [a] B.V. zijn indirect in eigendom bij de heer [A] of bij zijn partner.

Er zijn geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de voorziening.

Per 31-12 2008 bedraagt de debiteurenvordering op [a] B.V. € 1.002.638. In het jaar 2008 is voor een bedrag van € 578.931 aan [a] B.V. geleverd.

De debiteurenvordering op [a] B.V. is extreem hoog. Het is niet zakelijk bij een zo een hoge debiteurenschuld door te leveren en de schuld op te laten lopen. Er zijn geen zekerheden gesteld. Ook zijn er geen stukken overgelegd dat er sprake is van invorderingsmaatregelen. [a] is een gelieerde onderneming. Ik ga ervan uit dat vanwege deze gelieerdheid is doorgeleverd. Dat de vordering zo op heeft kunnen lopen is alleen maar te wijten aan de gelieerdheid. Hiervoor kan geen voorziening gevormd worden.

Gezien het geringe bedrag van de voorziening voor [f] is daar verder niet om een onderbouwing gevraagd.

Correctie winst 2006 € 100.000

Correctie winst 2008 € 200.000”

13. Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Verweerder heeft de winst gecorrigeerd met € 200.000. De belastbare winst en het belastbare bedrag zijn vastgesteld op € 100.004.

14. [a] heeft in 2016 de betoncentrale verkocht. Uit de verkoopopbrengst heeft zij haar schuld aan eiseres afgelost.

Geschil

15. Tussen partijen is in geschil:

  • -

    of sprake is van een nieuw feit;

  • -

    of de toevoeging aan de voorziening dubieuze debiteuren in 2008 fiscaal ten laste van het resultaat kan worden gebracht.

16. Ter zitting van 12 en 13 oktober 2017 heeft eiseres het door haar gedane bewijsaanbod (het horen van getuigen) en haar verzoek om een integrale (proces)kostenvergoeding ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

Vooraf: smaad en laster

17. Voor zover eiseres zich beroept op smaad of laster jegens haar voormalig gemachtigde is de fiscale bestuursrechter onbevoegd om daar een oordeel over te geven. Voor wat de onderhavige navorderingsaanslag betreft, heeft eiseres hieraan verder geen conclusies verbonden.

Nieuw feit

18. Verweerder stelt dat hij beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit, omdat hij niet eerder dan tijdens het gehouden boekenonderzoek - dat is aangevangen nadat de definitieve aanslag is opgelegd - op de hoogte is geraakt van de feiten en omstandigheden rond (de toevoeging aan) de voorziening dubieuze debiteuren in de aangifte voor het jaar 2008. Eiseres heeft die stelling onvoldoende weersproken. De blote stelling dat verweerder geen informatie is onthouden, is daarvoor niet afdoende. Verweerder mocht daarom de onderhavige navorderingsaanslag opleggen.


Toevoeging aan de voorziening dubieuze debiteuren

19. Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat voor een toevoeging aan de voorziening dubieuze debiteuren in 2008 geen aanleiding bestaat, gezien de (gehele) aflossing van de debiteurenvordering door [a] in 2016.

20. Volgens eiseres was een toevoeging aan de voorziening dubieuze debiteuren toegestaan in het licht van de financiële situatie van [a] destijds. De opbrengst die [a] met de verkoop de betoncentrale in 2016 heeft behaald en waaruit de aflossing van de debiteurenvordering heeft plaatsgevonden, was volgens eiseres in 2008 nog allerminst zeker.

21. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat de voorgenomen verkoop van de onderneming door [a] en de (gehele) aflossing van de debiteurenvordering ten gevolge daarvan, in 2008 nog omgeven was door onzekerheden. Aflossing van de debiteurenvordering uit de verkoopopbrengst viel in dat jaar niet met voldoende zekerheid te voorzien. Gezien de slechte financiële situatie waarin [a] verkeerde, bestond voor eiseres voldoende aanleiding om haar debiteurenvordering (deels) te voorzien.

22. Voor dat geval heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de leveringen aan [a] , de toevoeging aan die voorziening ten bedrage van € 200.000 in 2008 niet ten laste van het resultaat kan worden gebracht. Volgens verweerder is de debiteurenvordering op [a] in 2008 tot een onzakelijk hoog niveau gestegen. Een onafhankelijke derde zou nimmer een debiteurenvordering met € 578.931 hebben laten oplopen zonder het treffen van aanvullende maatregelen om zijn rechten voortvloeiende uit die vordering veilig te stellen. Verweerder gaat ervan uit dat de handelwijze van eiseres zijn oorzaak vindt in het feit dat eiseres en [a] via (uiteindelijk) [A] en diens partner aan elkaar gelieerd zijn en dat eiseres het debiteurenrisico heeft aanvaard om aandeelhoudersbelangen te dienen. De hieruit voortvloeiende lasten raken de kapitaalsfeer en zijn voor eiseres niet aftrekbaar van de fiscale winst, aldus nog steeds verweerder.

23. Eiseres betwist dat onzakelijk is gehandeld met [a] . Vanwege de onzekerheid over de betaling van de leveranties is de voorziening dubieuze debiteuren in 2008 met € 200.000 verhoogd. Net als de andere afnemers van [P] , mocht [a] wachten met betalen totdat zij op haar beurt werd betaald door haar afnemers. Eiseres, althans [P] , heeft haar eigen belang gediend door te blijven leveren aan [a] en geen incassomaatregelen te treffen. Daardoor is het bestaansrecht van [a] behouden gebleven. [a] was een belangrijk afnemer van de producten van [P] . Wanneer [P] was gestopt met leveren of incassomaatregelen had getroffen, dan had dat volgens eiseres geleid tot een spoedig faillissement van [a] . Door niet in te grijpen heeft eiseres bereikt dat een afzetkanaal behouden bleef. Bovendien was zo de kans meer dan aanwezig dat de vordering voor een groot deel zou kunnen worden geïnd, zoals uiteindelijk ook is gebeurd na verkoop van de betoncentrale door [a] in 2016. Bekend was dat deze betoncentrale een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde, aldus nog steeds eiseres.

24. De rechtbank overweegt als volgt. Of sprake is van een onzakelijke debiteurenvordering dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de vordering, met dien verstande dat een zakelijke vordering gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke vordering kan worden (vgl. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Voor het niet in aanmerking nemen van een debiteurenverlies op een vordering die bij het aangaan zakelijk was, zal de inspecteur feiten (en omstandigheden) aannemelijk moeten maken waaruit volgt op welk moment een zakelijk handelende derde in soortgelijke omstandigheden als eiseres (waaronder de kennis die eiseres heeft van de debiteur), welke maatregel zou hebben genomen om zijn rechten voortvloeiende uit de desbetreffende vordering veilig te stellen, en in hoeverre deze daarin dan zou zijn geslaagd. Indien deze analyse ertoe leidt dat en in hoeverre ook een derde verlies zou hebben geleden, is het door eiseres geleden verlies in zoverre aftrekbaar (vgl. Hoge Raad 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735).

25. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de debiteurenvordering in 2008 onzakelijk is geworden, door het verder laten oplopen van de vordering in dat jaar met € 578.931 zonder het stellen van aanvullende eisen aan de debiteur. Het is aan verweerder om hieromtrent het nodige te stellen en – bij betwisting – aannemelijk te maken.

26. Volgens verweerder zou een derde nooit zijn doorgegaan met het leveren van grondstoffen zonder enige betaling door de debiteur, het bedingen van zekerheden en het treffen van invorderingsmaatregelen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat een derde die deze maatregelen zou hebben genomen om zijn rechten voortvloeiende uit de debiteurenvordering veilig te stellen, hierin ook zou zijn geslaagd. Eiseres heeft dat laatste gemotiveerd betwist door te stellen dat het treffen van dergelijke maatregelen een faillissement van [a] tot gevolg zou hebben, in welk geval de debiteurenvordering oninbaar zou worden geleden. Tegenover die betwisting heeft verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat een derde door het treffen van de genoemde maatregelen zijn rechten uit hoofde van de debiteurenvordering zou hebben veiliggesteld. Dat heeft verweerder naar eigen zeggen niet onderzocht. Verweerder is aldus niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de (zakelijke) debiteurenvordering op [a] in 2008 onzakelijk is geworden. Dit betekent dat het verlies op de debiteurenvordering (de toevoeging aan de voorziening dubieuze debiteuren) fiscaal ten laste van het resultaat kan worden gebracht. De door verweerder aangebrachte correctie moet komen te vervallen. Het beroep slaagt derhalve.

27. De vraag of in dit geval sprake is van een ‘bijzondere omstandigheid’, in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2340, behoeft gezien het voorgaande verder geen behandeling.

Slotsom

28. Het beroep moet gegrond worden verklaard. De uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente moeten worden vernietigd.

29. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.234,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het beroepschrift en de conclusie van repliek door eiseres zelf zijn ingediend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag Vpb 2008;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.234,50;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. drs. M.J.C. Pieterse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 december 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.