Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6722

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6918
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Correcties naar aanleiding van boekenonderzoeken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/11
V-N 2018/18.22.20
Viditax (FutD), 02-01-2018
FutD 2018-0124
NTFR 2018/59
NLF 2018/0123 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/6918 en AWB 14/6919

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 december 2017

in de zaken tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.77.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 51.633. Tevens is bij beschikking € 2.224 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Voorts heeft verweerder voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer [000] .V.86.0112) Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.283.649. Tevens is bij beschikking € 41.106 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Ten slotte heeft verweerder voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.87.0112) Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.294.731. Tevens is bij beschikking € 415 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2014 heeft verweerder de navorderingsaanslag voor het jaar 2007 verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 31.633. De beschikking heffingsrente is verminderd tot € 1.295.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2014 heeft verweerder de aanslag voor het jaar 2008 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.273.017. De beschikking heffingsrente is verminderd tot € 40.743.

Bij uitspraak op bezwaar van eveneens 27 september 2014 heeft verweerder de navorderingsaanslag voor het jaar 2008 verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar bedrag dat gelijk is aan dat van de aanslag (€ 1.273.017). Per saldo wordt hierdoor geen belasting nagevorderd. De beschikking heffingsrente is om die reden verminderd tot nihil.

Tegen voormelde uitspraken op bezwaar heeft eiseres tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op de conclusie van dupliek en nadere stukken ingediend. Ook verweerder heeft nog nadere stukken ingediend. Alle stukken zijn in afschrift aan de wederpartij verstrekt.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde en diens kantoorgenoot [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [C] , mr. [D] , [E] en [F] .

De zaken met nummers 14/33, 14/35, 14/6181, 14/6182, 14/6206, 14/6229, 14/6234, 14/6235, 14/6918, 14/6919, 14/6921, 14/8172, 14/8173 en 14/8975 zijn ter zitting gelijktijdig behandeld. De zaken met nummers 14/8172 en 14/8173 zijn ter zitting ingetrokken.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een compromis te beproeven.

Op 27 februari 2017 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank geïnformeerd dat geen minnelijk overleg heeft kunnen plaatsvinden.

Op 17 maart 2017 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over het verdere verloop van de procedures en heeft de rechtbank eiseres op haar verzoek in de gelegenheid gesteld aanvullend te mogen reageren.

Op 18 april 2017 en 29 september 2017 heeft de gemachtigde van eiseres aanvullend gereageerd. Afschriften van deze aanvullende reacties zijn aan verweerder gezonden.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 en 13 oktober 2017. Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde en diens kantoorgenoot [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , [E] en [F] .

De zaken met nummers 14/33, 14/35, 14/6181, 14/6182, 14/6206, 14/6229, 14/6234, 14/6235, 14/6918, 14/6919, 14/6921 en 14/8975 zijn ter zitting gelijktijdig behandeld.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Verweerder heeft ter zitting een overzicht van de lopende beroepszaken met omschrijving van onder meer het geschil en het financiële belang per zaak overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres.

Ter zitting heeft eiseres het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslag voor het jaar 2008 (zaaknummer 14/6921) ingetrokken.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Daarbij zijn partijen op hun verzoek nog wel in de gelegenheid gesteld (alsnog) een compromissoire oplossing te beproeven, ook voor toekomstige, niet in geschil zijnde jaren. Op 20 november 2017 heeft verweerder de rechtbank bericht dat partijen definitief niet tot overeenstemming zullen komen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is opgericht op [2003] onder de naam [G] BV. De aandelen in eiseres worden gehouden door [H] BV (hierna: [H] ).

2. Tussen eiseres en [H] bestaat een rekening-courantverhouding. Per 1 januari 2007 bedraagt de rekening-courantschuld van eiseres aan [H] € 309.229. In de jaren 2007 en 2008 is alleen de jaarlijkse rentevergoeding van € 12.369 (2007) en € 12.864 (2008) bijgeboekt. Per 31 december 2008 bedraagt de rekening‑courantschuld € 334.462.

3. Verweerder heeft bij eiseres de aftrek van rente over de rekening‑courantschuld geweigerd. Daarnaast heeft verweerder in beide jaren de aftrek van de managementvergoeding aan [I] BV geweigerd.

4. Bij uitspraken op bezwaar zijn de winstcorrecties ter zake van de managementvergoeding aan [I] BV komen te vervallen. De bezwaren zijn om die reden gegrond verklaard. Aan eiseres is een kostenvergoeding toegekend van € 235 voor zowel het jaar 2007 als het jaar 2008.

Geschil

5. In geschil is of de aftrek van rente over de rekening-courantschuld terecht is geweigerd. Wat betreft de navorderingsaanslag voor het jaar 2007 is daarbij tevens in geschil of verweerder beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Ook is in geschil of eiseres aanspraak kan maken op een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

6. Ter zitting van 12 en 13 oktober 2017 heeft eiseres het door haar gedane bewijsaanbod (het horen van getuigen) en haar verzoek om een integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

7. Voor zover eiseres zich beroept op smaad of laster jegens haar voormalig gemachtigde is de fiscale bestuursrechter onbevoegd om daar een oordeel over te geven. Voor wat de onderhavige (navorderings)aanslagen betreft heeft eiseres hieraan verder geen conclusies verbonden.

8. Ter zitting heeft verweerder de correcties ter zake van de aftrek van rente over de rekeningcourantschuld van eiseres aan [H] alsnog laten vallen. De beroepen slagen in zoverre.

9. Voor het jaar 2007 betekent dit dat de belastbare winst moet worden verminderd tot € 19.264 (€ 31.633 - € 12.369), wat gelijk is aan de belastbare winst van de aanslag. Conform de aanslag kan tot dat bedrag verliesverrekening plaatsvinden, zodat het belastbaar bedrag nihil bedraagt. De navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente moeten daarom worden vernietigd. De vraag of sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit, behoeft verder geen behandeling.

10. De aanslag voor het jaar 2008 moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.260.153 (€ 1.273.017 - € 12.864). De beschikking heffingsrente dient te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

11. Met betrekking tot het verzoek om een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale kostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden (Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

12. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Verweerder heeft niet tegen beter weten in of in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld door de correcties met betrekking tot de managementvergoeding tot in de bezwaarfase te handhaven. Pas in de bezwaarfase werd het verweerder duidelijk hoe die managementvergoeding administratief was verwerkt. Voor het toekennen van een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat daarom geen aanleiding. In zoverre slagen de beroepen niet.

13. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 742,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het beroepschrift en de conclusie van repliek door eiseres zelf zijn ingediend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens voor zover het de kostenvergoedingen betreft;

- vernietigt de navorderingsaanslag voor het jaar 2007;

- vernietigt de beschikking heffingsrente voor het jaar 2007;

- vermindert de aanslag voor het jaar 2008 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.260.153;

- vermindert de beschikking heffingsrente voor het jaar 2008 dienovereenkomstig;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 742,50;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. drs. M.J.C. Pieterse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 december 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.