Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6717

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6269
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening. afwijzing verzoek tot voorlopige voorziening. ordemaatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/6296

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: P. Kamman, Pasmaat advies),

en

het college van burgemeester en wethouders van Culemborg, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde-partij 1], [derde-partij 2], [derde-partij 3], allen te [woonplaats].

(gemachtigde: mr. W. van Galen)

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft verweerder verzoekers lasten onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 4 december 2017 heeft de voorzieningenrechter in verband met het verstrijken van de begunstigingstermijn een ordemaatregel genomen. De ordemaatregel houdt in dat de begunstigingstermijn is verlengd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017. Verzoekers zijn ter zitting verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van Werkhoven. Derde-partijen zijn verschenen zijn ter zitting verschenen bij hun gemachtigde

Overwegingen

Eerst drie opmerkingen vooraf. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in beroep niet. In de bijlage bij deze uitspraak is een aantal wettelijke bepalingen opgenomen. Er wordt geen toepassing gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het griffierecht in beroep tot op heden niet is betaald.

1. Verweerder heeft verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar omdat zij binnen de daarvoor gestelde termijn geen gronden hebben ingediend.

2. Bij brief van 21 augustus 2017 heeft de voorzitter van de bezwarencommissie verzoekers verzocht binnen twee weken na dagtekening van deze brief de gronden toe te sturen. Verzoekers hadden tot en met 4 september 2017 de tijd om hun gronden in te dienen. De brief van 21 augustus 2017 is aangetekend verzonden aan het juiste adres van de gemachtigde van verzoekers. Op 22 augustus 2017 is de bezorger van postnl aan de deur van geweest en heeft daarbij de melding gedaan: ‘We hebben u gemist en komen nog een keer’. Op 23 augustus 2017 heeft postnl de brief opnieuw bezorgd. Ook toen was er niemand op het adres aanwezig. Toen heeft postnl de melding gedaan: ‘Niet thuis, naar afhaalkantoor’. Op 8 september 2017 is door postnl geconstateerd dat de brief niet is afgehaald. Op 12 september 2017 heeft postnl de brief retour afzender gezonden in verband met het niet afhalen.

3. Verzoekers stellen dat door hun gemachtigde geen briefje postbezorging is ontvangen. De bezorging in de straat van de gemachtigde van verzoekers zou chaotisch zijn omdat het pand een gebouw is met meerdere bedrijven.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de brief door verweerder naar het juiste adres is verzonden en door postnl tot tweemaal toe is aangeboden op het adres van de gemachtigde van verzoekers. Als de gemachtigde van verzoekers ervaring heeft met onjuiste bezorging van post had het op zijn weg gelegen om maatregelen te treffen.

5. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder verzoekers dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. Verweerder hoefde verzoeker daarom ook niet te horen.

6. Het verzoek om voorlopige voorziening komt niet voor inwilliging in aanmerking.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.C. Knoester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, a, van de Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.