Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:668

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
05/740709-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is door de rechtbank schuldig bevonden aan ontucht met een meisje tussen de twaalf en zestien jaar oud. Tijdens een vakantie met hun families heeft hij verschillende seksuele handelingen met het toen 15-jarige slachtoffer verricht. De rechtbank heeft aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 179 dagen en een taakstraf van 200 uur opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat verdachte een schadevergoeding aan het slachtoffer moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740709-15

Datum uitspraak : 7 februari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. J.A.B.H.M. Willemse, advocaat te Ulft.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 24 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 18 juni 2015 tot

en met 31 augustus 2015, te Vorden en/of op een locatie in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door

- één of meer van zijn vingers in haar vagina te brengen en/of

- haar vagina met zijn vingers en/of zijn tong te betasten en/of

- haar borsten en/of haar vagina te betasten en/of

- met haar te tongzoenen

terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor aangeefster, inhoudende de op 19 oktober 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer] , p. 33-38;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 januari 2017;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, inhoudende de op 22 oktober 2015 afgelegde verklaring van verdachte, p. 46-53;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, inhoudende de op 23 oktober 2015 afgelegde verklaring van verdachte, p. 58.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 18 juli 2015 tot

en met 31 augustus 2015, te Vorden en/of op een locatie in België, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door

- één of meer van zijn vingers in haar vagina te brengen en/of

- haar vagina met zijn vingers en/of zijn tong te betasten en/of

- haar borsten en/of haar vagina te betasten en/of

- met haar te tongzoenen

terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden de meldplicht en de behandelverplichting zoals door de reclassering geformuleerd en een contactverbod met het slachtoffer en de rest van haar gezin, voorts met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf geëist voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoge werkstraf die de officier van justitie heeft geëist problematisch is voor verdachte. Hij heeft momenteel een fulltime baan en zou deze hierdoor kunnen verliezen. Hier zouden noch verdachte noch de maatschappij mee gebaat zijn. Daarnaast neemt de behandeling die verdachte nu volgt en die de reclassering adviseert veel tijd in beslag. De verdediging heeft de rechtbank verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, met eventueel de bijzondere voorwaarden zoals de officier van justitie heeft geëist. Hier zou een korte werkstraf bij opgelegd kunnen worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 12 december 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 24 mei 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een meisje van 15 jaar oud. Het slachtoffer is de dochter van toenmalige vrienden van verdachte. Verdachte heeft tijdens een gezamenlijke vakantie met het slachtoffer en hun families in België meermalen seksuele handelingen met het slachtoffer verricht en ook voorafgaand aan deze vakantie heeft hij het slachtoffer al een keer een tongzoen gegeven.

Verdachte heeft met zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte en het slachtoffer kennen elkaar al lang en zagen elkaar vaak. Op de zitting, tijdens het voorlezen van haar slachtofferverklaring, heeft het slachtoffer uitgesproken dat ze verdachte beschouwde als een tweede vader. Ze vertrouwde hem volledig. Verdachte heeft op ernstige wijze misbruik gemaakt van dit vertrouwen. Ook heeft hij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij op het slachtoffer had vanwege het grote leeftijdsverschil. Het slachtoffer heeft met verdachte, die 27 jaar ouder is dan zij, haar eerste seksuele ervaringen beleefd. Hiermee heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist. Slachtoffers van misbruik ervaren vaak nog lange tijd psychische klachten. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat dit voor dit slachtoffer niet anders is en dat het feit een enorme impact op haar heeft gehad. Zij is nu in behandeling bij een psycholoog voor onder andere haar stemmingswisselingen, angstklachten en het weer opbouwen van vertrouwen. Verdachte heeft bij het plegen van dit strafbare feit zijn eigen lustgevoelens voorop gesteld. De rechtbank neemt hem dit zeer kwalijk.

De reclassering heeft vermeld dat het onduidelijk is wat verdachte er toe heeft gebracht dit delict te plegen en dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkig inzicht in zijn delictgedrag. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting. Verdachte is al met de behandeling begonnen die de reclassering heeft geadviseerd. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij baat heeft bij deze behandeling die is gericht op impulsbeheersing. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de strafoplegging. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij - uiteindelijk- zelf naar de politie is gegaan om dit strafbare feit te melden.

Alle omstandigheden bezien zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest opleggen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 179 dagen, met als bijzondere voorwaarden de meldplicht en de behandelverplichting zoals geformuleerd door de reclassering. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte de geadviseerde behandeling blijft volgen en aldus inzicht verkrijgt in zijn beweegredenen zodat hij niet opnieuw een dergelijk strafbaar feit begaat. Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod opleggen met het slachtoffer. De rechtbank verwacht dat dit contactverbod het slachtoffer meer rust zal geven. Dit contactverbod strekt zich echter niet uit tot de rest van het gezin. Hoewel het strafbare feit, zoals blijkt uit de slachtofferverklaringen, ook impact heeft gehad en nog heeft op de overige gezinsleden, ziet de rechtbank daarvoor onvoldoende grond. De rechtbank zal ook een werkstraf opleggen van 200 uur. De rechtbank is zich er van bewust dat dit een hoge werkstraf is en dat dit moeilijk valt te combineren met de fulltime baan die verdachte heeft. Gezien de ernst van het feit vindt de rechtbank de hoogte van de straf echter wel passend. Daarnaast is deze straf er mede op gericht om verdachte ervan te doordringen wat voor een ernstige gevolgen het strafbare feit op het slachtoffer heeft gehad.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.326,30, bestaande uit € 326,30 materiële schade en € 4.000,- immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de materiële schadevergoeding in zijn geheel toe te wijzen. Wat betreft de immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag zeker op zijn plaats is, en dat hij de hoogte van het bedrag aan het oordeel van de rechtbank overlaat. De officier van justitie heeft verzocht hierbij een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadevergoeding kan worden toegewezen. Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding heeft de verdediging verzocht deze te matigen, aangezien in soortgelijke zaken een lager bedrag wordt toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 326,30, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is goed onderbouwd en niet bestreden en is daarmee voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer door het strafbare feit ook immateriële schade heeft geleden. De rechtbank zal het door de officier van justitie genoemde bedrag ter vergoeding van die schade matigen tot een bedrag van € 2.000,-, gelet op de hoogte van schadevergoedingen die worden toegekend in soortgelijke zaken. De rechtbank zal hierbij eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

 bepaalt, dat 179 (honderdnegenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

3. zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de reclassering te Zutphen, Houtwal 16d, telefoonnummer 0575-582744, en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

5. zich gedurende de proeftijd onder een zedenbehandeling zal stellen van een forensische polikliniek of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. Veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven en zal de behandeling volgen zo lang de reclassering dit nodig acht;

6. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

 Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.326,30 (tweeduizend driehonderdzesentwintig euro dertig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.326,30 (tweeduizend driehonderdzesentwintig euro dertig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 33 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015533559, gesloten op 12 november 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.