Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6673

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
05/881633-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 11a Opiumwet omdat niet bewezen is dat verdachte wist of moest vermoeden dat de materialen bedoeld waren voor grootschalige of professionele hennepteelt. Veroordeling tot een geldboete ter hoogte van € 15.000,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, voor het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid aan hennep en het voorhanden hebben van een wapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881633-16

Datum uitspraak : 22 december 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. A. Beckers, advocaat te Sittard.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 december 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 september 2016, te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (in/bij een pand aan de [adres] ) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten:

een of meer koppelstuk(ken) en/of een of meer koolstoffilter(s) en/of een of meer luchtafzuiger(s) en/of althans een of meer ventilator(en) en/of een of meer groeimiddel(en) en/of een of meer knipbenodigdheden en/of een of meer weegscha(a)l(en) en/of een of meer droogrek(ken) bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan de [adres] , een (grote) hoeveelheid hennep (ongeveer 5 kilogram), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 5000 gram hennep, althans meer dan 500 gram hennep);

3.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met anderen of een ander of alleen, één of meerdere geldbedrag(en) (totaal 6925,00 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemd(e) geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, een of meer wapens van categorie III, te weten een alarmpistool ( [naam 1] ), en/of munitie van categorie III, te weten meerdere patronen, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, (een) wapen(s) van categorie I onder 7, te weten een alarmpistool ( [naam 1] alarmpistool 8mm knal), zijnde (een) voorwerp(en) dat /die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) (te weten een pistool van het merk Glock, model 17) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 21 september 2016 is op het adres [adres] een loods en aansluitend het woonhuis binnengetreden. In de loods is 5 kilogram aan henneptoppen aangetroffen.2 In de woning is 5 kilogram hennep aangetroffen, 140 gram hennep, 80 gram hasj, een vuurwapen en meerdere stuks munitie.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, 2, 4 en 5. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie ontslag van alle rechtsvervolging verzocht, omdat sprake is van een kwalificatie uitsluitingsgrond. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat in de loods diverse groeimiddelen zijn aangetroffen en in de ruimte boven zijn goederen aangetroffen voor het opzetten van een kwekerij. Het onderzoek van de administratie richt zich op de periode na 1 maart 2015, de inwerkingtreding van 11a Opiumwet. De ingekochte goederen zijn te relateren aan hennepkweek. Een bedrag ter hoogte van € 295.000 is contant betaald aan leveranciers. Ook is de verkoopadministratie bekeken, waaruit volgt dat telkens contante verkopen zijn gedaan. Er zijn geen bankafschriften die zijn te koppelen aan verkoopfacturen. Uit de administratie blijkt dat [naam 2] ook na 1 maart 2015 nog actief is als growshop. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat er meer dan 5 kilogram is aangetroffen bij de doorzoeking. De officier van justitie verzoekt dan ook niet 5 kilogram bewezen te verklaren maar “een grote hoeveelheid”. Ten aanzien van feit 4 en 5 is de officier van justitie van mening dat sprake is van samenloop.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat voor het binnentreden van de loods een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering ontbrak. Hiertoe is aangevoerd dat de informatie uit het vooronderzoek niet concreet en niet gedetailleerd was. Er is een belangrijk rechtsstatelijk principe geschonden, namelijk dat willekeurig politieoptreden dient te worden voorkomen. De inbreuk die het verzuim op dit belang heeft gemaakt is bijzonder ernstig. De inbreuk biedt ruimte voor bewijsuitsluiting en dat is volgens de verdediging ook nodig als signaal richting de politie, omdat in hennepzaken te vaak lichtvaardig wordt gedacht over het toepassen van dwangmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging voor vrijspraak gepleit, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging vermelde voorwerpen en stoffen bestemd waren voor de beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging gesteld dat verdachte de aangetroffen hennep niet voorhanden heeft gehad en dat verdachte geen beschikkingsmacht had over de hennep in de loods. Verdachte heeft de sleutel van de ruimte waarin de hennep is aangetroffen moeten afstaan aan een groepering die hem heeft bedreigd. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging primair eveneens vrijspraak gepleit, omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit misdrijf. Ten aanzien van feit 4 en 5 heeft de verdediging geen verweer gevoerd, maar enkel opgemerkt dat de feiten betrekking hebben op één alarmpistool.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsuitsluitingsverweer

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat geen sprake zou zijn van het vereiste redelijk vermoeden van schuld zodat niet had mogen binnengetreden, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen (procesdossier p. 5-6) en het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming (procesdossier p. 321-322) volgt de aanleiding voor het onderzoek en het binnentreden in de loods van verdachte. Uit het onderzoek volgt onder meer dat verdachte sinds 16 oktober 2013 het woonhuis met loods op dit adres huurt en aldaar ingeschreven staat in de Gemeentelijke basis administratie. Voorts is ‘ [naam 2] ’ gevestigd op het adres [adres] . Uit de justitiële documentatie van verdachte is gebleken van Opiumwet gerelateerde antecedenten. Op 3 september 2014 is er een melding in de politiesystemen gedaan dat er bij de loods van verdachte wietlucht werd geroken. Op 13 mei 2015 is een auto met kenteken [kenteken 1] bij een groothandel voor growshops gecontroleerd, waarin materialen werden aangetroffen die gebruikt worden voor hennepteelt. Bij deze materialen zat een verkoopfactuur gericht aan [naam 2] . Op 24 augustus 2016 is door een wijkagent een melding gedaan in het politiesysteem dat de woningstichting het vermoeden heeft dat op het adres een wietkwekerij aanwezig is. De politie heeft voorts met een warmtebeeldcamera een warmtebron waargenomen aan de bovenzijde van de loods.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft de melding uit 2014 en uit 2016 van de woningstichting, over geroken wietlucht en het vermoeden van een hennepkwekerij, een concrete melding. Dit in samenhang bezien met de warmtemeting en de aankoop van goederen die gebruikt worden voor een hennepkwekerij, levert volgens de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld op in de zin van artikel 27 lid 1 Wetboek van Strafvordering voor binnentreding in de loods. Er is volgens de rechtbank dan ook geen sprake van onrechtmatige bewijsvergaring.

De verdediging heeft ten aanzien van de gedane warmtemeting verwezen naar een uitspraak van de Ombudsman waarin is vermeld dat het vaker voorkomt dat er ondanks positieve warmtemetingen toch geen hennepkwekerijen worden aangetroffen. Volgens de verdediging zouden er ook in deze zaak onjuiste conclusies worden verbonden aan de warmtebeeldmeting. De rechtbank stelt voorop dat wat er ook zij van de uitspraak van de Ombudsman, in de onderhavige zaak er meerdere aanwijzingen waren voor de gerezen verdenking. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om de warmtemeting niet mee te nemen voor de bepaling dat een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering is ontstaan voor binnentreding.

Het bewijsuitsluitingsverweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Feit 1

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de in de loods van verdachte aangetroffen goederen en stoffen een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11 derde lid en/of vijfde lid, van de Opiumwet, alsmede of verdachte hiervan wetenschap heeft gehad, dan wel ernstige redenen had om dat te vermoeden, en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3) blijkt dat het op 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet tot doel heeft om de bestrijding van de illegale hennepteelt te intensiveren en optimaliseren.

In artikel 11a van de Opiumwet is strafbaar gesteld het verrichten van bepaalde handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt. Dat is slechts strafbaar, indien de verdachte weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de stoffen of voorwerpen, waar hij die handelingen mee pleegt, zijn bestemd tot het plegen van een van de in artikel 11, derde of vijfde lid van de Opiumwet, strafbaar gestelde feiten. Artikel 11, derde lid van de Opiumwet ziet op het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet heeft betrekking op het telen van een grote hoeveelheid hennep. In artikel 2 van het Opiumwetbesluit is bepaald dat een grote hoeveelheid in de zin van artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II. Aldus richt artikel 11a van de Opiumwet zich niet op de bestrijding van alle hennepteelt, maar nadrukkelijk op de bestrijding van professionele/bedrijfsmatige teelt (artikel 11, derde lid van de Opiumwet) of grootschalige teelt) artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet).

Verdachte verklaarde ter zitting dat hij de goederen die hij in de groothandel kocht, mogelijk verkocht aan mensen die het gebruikten voor kleinschalige hennepteelt. Of de goederen daadwerkelijk voor de hennepteelt werden gebruikt wist verdachte niet, omdat zijn klanten dat niet aan hem vertelden. De combinaties die in het verleden mochten worden verkocht, verkocht hij nu niet meer. Hij verkoopt nu alleen kleinschalig. De in de loods aangetroffen koolstoffilters, luchtafzuigers en koppelstukken waren bestemd voor het bedrijf van zijn zoon. Voorts lagen er goederen voor montage van de nog te installeren laswerkplaats van het bedrijf van zijn zoon, aldus verdachte.

Op grond van het dossier en met name uit de daarin opgenomen in- en verkoopadministratie kan niet kan worden vastgesteld dat de verkoop door verdachte is bestemd voor beroeps- of bedrijfsmatige teelt van hennep dan wel voor teelt van grote hoeveelheden hennep. Voorts is ook niet op grond van het dossier of het verhandelde ter terechtzitting komen vast te staan dat verdachte wetenschap had of ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen of voorwerpen zijn bestemd tot het plegen van dergelijke grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.

Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de goederen en stoffen die verdachte te koop heeft aangeboden of voorhanden heeft gehad, bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Feit 3:

Met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat het in de tenlastelegging onder feit 3 genoemde geldbedrag (on)middellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

In de woning van verdachte is een contant geldbedrag van € 6.925,- aantroffen. De rechtbank is van oordeel dat er op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag in de tenlastelegging onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank kan namelijk niet uitsluiten dat verdachte het contante geldbedrag heeft verworven uit legale verkopen uit eigen onderneming, zoals verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Feit 2:

Ten aanzien van feit 2 leidt de rechtbank het volgende af uit de bewijsmiddelen.

In de loods van verdachte is op 21 september 2016 op de eerste verdieping 5 kilogram hennep aangetroffen in doorzichtige plastic zakken.4 Verder is op de eerste verdieping in een inbouwkast van de woning van verdachte 5 kilogram hennep in grote sporttassen aangetroffen.5 Voorts is 140 gram hennep aangetroffen in een plastic emmer in een kledingkast in een slaapkamer en 80 gram hasj in een laptoptas onder het bureau van verdachte in het kantoorgedeelte van de woning.6 Totaal is 11,93 kilogram hennep inbeslaggenomen. Uit onderzoek is gebleken dat de hennep THC bevat, een stof opgenomen in lijst 2 van de Opiumwet.7

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat de hennep aangetroffen in de loods en de hennep aangetroffen in de zwarte sporttassen niet van hem zijn, maar van een groepering die hem bedreigde. Hij verklaart voorts dat de hennep aangetroffen in de emmer in de kledingkast van zijn woning van zijn zoon was en dat de hasj die is aangetroffen in de laptoptas van zijn vriendin was.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wetenschap had en feitelijke beschikkingsmacht over de in zijn woning aangetroffen hennep. Dat de aangetroffen hennep niet van verdachte zou zijn, doet daar niet aan af. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk een grote hoeveelheid hennep in een pand gelegen aan de [adres] op 21 september 2016 aanwezig heeft gehad.

Feit 4 en 5:

In het kantoorgedeelte van de woning van verdachte is op 21 september 2016 een wapen met munitie aangetroffen.8 Uit onderzoek is vastgesteld dat dit een alarm- c.q. startpistool van het merk [naam 1] is, dat wordt aangemerkt als een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie III onder 4 Wet Wapens en Munitie.9 Uit onderzoek is voorts vastgesteld dat ditzelfde wapen een imitatiewapen merk Glock, model 17, generatie 4 is, dat wordt aangemerkt als een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 Wet Wapens en Munitie.10 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit zijn wapen was en dat hij het gasalarm pistool gebruikte om honden te trainen bij de [naam 3] .11

Verder is uit onderzoek gebleken dat de aangetroffen munitie betreft: 4 stuks munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet artikel 2 lid 2 categorie III Wet Wapens en Munitie12; 2 stuks munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III Wet Wapens en Munitie13 en 12 stuks munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III Wet Wapens en Munitie.14

De rechtbank is op basis van vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 4 en feit 5 ten laste is gelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan de [adres] , een (grote) hoeveelheid hennep (ongeveer 5 kilogram), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 5000 gram hennep, althans meer dan 500 gram hennep);

4.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, een of meer wapens van categorie III, te weten een alarmpistool ( [naam 1] ), en/of munitie van categorie III, te weten meerdere patronen, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 21 september 2016 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, (een) wapen(s) van categorie I onder 7, te weten een alarmpistool ( [naam 1] alarmpistool 8mm knal), zijnde (een) voorwerp(en) dat /die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) (te weten een pistool van het merk Glock, model 17) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 4

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 gevaren met zich mee brengen, te weten gevaren voor de volksgezondheid en ook gevaar voor eigen leven. In de ogen van verdachte blijkt van het laatste ook sprake te zijn. De officier van justitie houdt bij de eis rekening met het feit dat verdachte antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. Hij heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder feit 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Ten aanzien van het beslag is geëist dat het inbeslaggenomen geldbedrag van

€ 6.925,- verbeurd dient te worden verklaard. Met betrekking tot het overige beslag heeft de officier van justitie geëist dat dit conform dossierpagina 366a e.v. wordt afgedaan. De wapens, hennep en hasj en de goederen uit de loods moeten worden onttrokken aan het verkeer. De telefoon, de laptop en de administratie kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte actief is bij de [naam 3] , genaamd [naam 3] . Als lid van deze club gebruikte hij het gasalarmpistool om honden te trainen. Het pistool was volgens de verdediging niet bedoeld voor afdreiging of bedreiging. De verdediging verzoekt hier in strafmatigende zin rekening mee te houden. Voorts is verzocht rekening te houden bij de strafmaat met het feit dat verdachte een half jaar geleden betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en daarbij gewond is geraakt aan zijn nekwervels. Verdachte is door het ongeval in de ziektewet geraakt en ontvangt op dit moment een uitkering van € 537,- per maand. Verdachte heeft voorts een hypotheekschuld. De verdediging heeft ten slotte verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de sluiting van zijn woning, waardoor zijn gezinssituatie is ontwricht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 oktober 2017.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en hasj. Verdovende middelen vormen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van zowel een vuurwapen als munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en kan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij daaraan bijgedragen.

Uit de Justitiële Documentatie van verdachte volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Deze eerdere veroordelingen waren ten tijde van het bewezen verklaarde onherroepelijk. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Nu rechtbank verdachte is vrijgesproken van twee feiten zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht een geldboete ter hoogte van € 15.000,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Ten aanzien van het beslag:

Teruggave aan eigenaar

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast aan de veroordeelde van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: verlichting 24 stuks, kluis, sealbag-apparaat, computer, telefoon, tablet, hennep, drie mappen administratie, 3 boekjes afbeeldingen, drie kladblokjes, tweemappen Bio Bio, groeimiddelen in vele soorten merken/verpakkingen en inhoud, aluminium buizen, (dompel) pompen, elektriciteitskabels, schakelborden, ventilatieapparaten, thermometers, hotboxen, schakelmateriaal, TL-verlichting kasten/buizen, koolstoffilters, kweektenten, aluminium koppelstukken, armaturen, assimilatielampen, plantenbakken, transformators, diverse soorten folie, kachels, slakkenhuizen, flexibele buis, stekblokken, rol inspectorhor, brandblussers, geldbedrag ad € 6.925,-, potje met zaadjes met beslagnummer 1245503, 1245514, 1245524, 1245528, zakje met zaadjes met beslagnummer 1245521, 1245547, doosje met zaadjes met beslagnummer 1245588, doosje samples met beslagnummer 1245598, doosje seeds met beslagnummer 1245602, doosje/zakje zaadjes met beslagnummer 1245604, aanhanger, motorboot, personenauto met kenteken [kenteken 2] en personenauto met kenteken [kenteken 3] . De rechtbank zal dan ook bevelen dat de genoemde voorwerpen worden teruggegeven aan de veroordeelde.

Onttrekking aan het verkeer

Nu de in beslag genomen middelen, te weten hennep met beslagnummer 1244485, hennep met beslagnummer 1244828, hasjiesj met beslagnummer 1244831, hennep met beslagnummer 1244491, potje met hennep met beslagnummer 1245498, potje met hennep met beslagnummer 1245530 en potje met hennep met beslagnummer 1245536, middelen zijn als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, dienen deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank zal dan ook bevelen dat de genoemde middelen worden onttrokken aan het verkeer.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven wapenstok, alarmpistool, vuurwapenhouder en munitie 6 stuks en munitie 12 stuks dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De rechtbank zal dan ook bevelen dat genoemde goederen worden onttrokken aan het verkeer.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36b, 36c, 36d, 55 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikel 3, 11,13, en 13a van de Opiumwet en de artikelen 2, 13, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en Munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt, dat deze gevangenisstaf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die op twee jaren wordt bepaald, zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

een geldboete van € 15.000,- (vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 dagen hechtenis;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven wapenstok, alarmpistool, vuurwapenhouder en munitie 6 stuks en munitie 12 stuks, hennep met beslagnummer 1244485, hennep met beslagnummer 1244828, hasjiesj met beslagnummer 1244831, hennep met beslagnummer 1244491, potje met hennep met beslagnummer 1245498, potje met hennep met beslagnummer 1245530 en potje met hennep met beslagnummer 1245536.

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de veroordeelde, te weten: (jacht)geweer, verlichting 24 stuks, kluis, sealbag-apparaat, computer, telefoon, tablet, hennep, drie mappen administratie, 3 boekjes afbeeldingen, drie kladblokjes, tweemappen Bio Bio, groeimiddelen in vele soorten merken/verpakkingen en inhoud, aluminium buizen, (dompel) pompen, elektriciteitskabels, schakelborden, ventilatieapparaten, thermometers, hotboxen, schakelmateriaal, TL-verlichting kasten/buizen, koolstoffilters, kweektenten, aluminium koppelstukken, armaturen, assimilatielampen, plantenbakken, transformators, diverse soorten folie, kachels, slakkenhuizen, flexibele buis, stekblokken, rol inspectorhor, brandblussers, geldbedrag ad € 6.925,-, potje met zaadjes met beslagnummer 1245503, 1245514, 1245524, 1245528, zakje met zaadjes met beslagnummer 1245521, 1245547, doosje met zaadjes met beslagnummer 1245588, doosje samples met beslagnummer 1245598, doosje seeds met beslagnummer 1245602, doosje/zakje zaadjes met beslagnummer 1245604, aanhanger, motorboot, personenauto met kenteken [kenteken 2] en personenauto met kenteken [kenteken 3] .

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. Y.H.M. Marijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen en mr. M.M.J.A. Peters, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2017.

mr. J.M.P. van der Meulen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017017181, gesloten op 2 februari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 en 7.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 en 9.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 7.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 8.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 9.

7 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 315 en 316; Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 317 – 319.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 9.

9 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 304.

10 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 304

11 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 8 december 2017.

12 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 305.

13 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 306.

14 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 307.