Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6672

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
C/05/322643 / HZ ZA 17-330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke ontbinding, volmacht

De rechtbank bepaalde dat de tuinhuizenverkoper de ontvangen aanbetalingen voor het bouwen van een tuinhuis aan de familie moet terugbetalen. Volgens de rechtbank had de man de verplichting om het tuinhuis te bouwen. Nu hij dit niet heeft gedaan, heeft de familie recht op terugbetaling van het betaalde geld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/322643 / HZ ZA 17-330

Vonnis van 20 december 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in conventie,

verweerders in (deels voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. M.A. Schuring te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser is (deels voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. P.A. de Lange te Barendrecht.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 augustus 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] wilde voor hun zoon, die een ontwikkelingsstoornis in het autismespectrum heeft, een tuinhuis/mantelzorgwoning, hierna te noemen het tuinhuis, laten bouwen in de tuin. Via de website www.tuinhuizengroep.nl kwam [eisers] in contact met [gedaagde] .

2.2.

[gedaagde] heeft, na [eisers] te hebben bezocht, op 13 oktober 2016 per e-mail aan [eisers] een offerte uitgebracht voor een studio annex mantelzorgwoning.

Die e-mail is verzonden vanaf het e-mailadres [e-mailadres] onder vermelding van het telefoonnummer van [gedaagde] . De offerte, die sluit op een bedrag van € 49.242,--, behelst materialen, installatiekosten en onder meer isolatie van het dak en de vloer. Onder aan de offerte staat: “Betalingsvoorwaarden: 50% aanbetaling bij orderbevestiging, restantbetaling bij levering.”

2.3.

Op 22 december 2016 is een factuur gestuurd vanuit Tuinhuizengroep ter grootte van € 24.620,48 waarop een bankrekeningnummer bij de ING Bank staat vermeld. Op diezelfde dag heeft [eisers] dit bedrag overgemaakt op vermeld bankrekeningnummer ten name van Tuinhuizengroep.

2.4.

De fundering voor het tuinhuis is door [eisers] aangebracht. Op 13 april en op 15 april 2017 zijn materialen geleverd.

2.5.

Op 13 april 2017 is een tweede factuur gestuurd vanuit Tuinhuizengroep ter grootte van € 24.60,48 waarop een bankrekeningnummer bij de Rabobank staat vermeld. [eisers] heeft op deze factuur een bedrag van € 12.000,-- overgemaakt op vermeld bankrekeningnummer ten name van Tuinhuizengroep.

2.6.

Op 18 april 2017 heeft [eiser sub 1] via whatsapp aan [gedaagde] gevraagd waarom [gedaagde] er niet was om te gaan beginnen. [gedaagde] heeft daarop als volgt gereageerd: “Beste [eiser sub 1] , kennelijk is er sprake van een misverstand, wij plannen een opbouw altijd in na ontvangst van de slotfactuur. Wij hadden nog niets ontvangen dus hebben net nogmaals deze factuur doorgestuurd. (…)” Vervolgens heeft [eiser sub 1] laten weten: “Betaal 12.000 rest als alles klaar is en niet eerder.” Daarop laat [gedaagde] weten: “Prima beste man… wij gaan snel u opbouw inplannen en aan de slag ermee…”

2.7.

Op 20 april en 21 april 2017 zijn twee werknemers gekomen om te starten met de opbouw. Op 21 april 2017 constateerden de werknemers dat een buis in de fundering verkeerd was aangebracht. Op enig moment die dag hebben de werknemers de bouw verlaten. Opbouw van het tuinhuis heeft niet plaatsgevonden.

2.8.

Op 24 april 2017 heeft [gedaagde] per e-mail aan mevrouw [eiser sub 1] geschreven, voor zover hier van belang: “Uw man heeft mij onplezierig bejegend, o.a. door mij per mobiel te bedreigen. Ik neem hier geen genoegen mee, zoals reeds per mobiel aangegeven. Niet in de laatste plaats door tot aan dit moment niet zijn verontschuldigingen aan te bieden. Zoals eveneens aangegeven verwachtten wij daarom een volledige betaling van de slotfactuur, na ontvangst waarvan wij de assemblage van uw bestelling zouden hebben voortgezet. Helaas is hierin door u evenmin voorzien. (…)”

2.9.

De raadsman van [gedaagde] heeft per e-mail van 16 mei 2017 aan de rechtsbijstandverzekeraar van [eisers] geschreven, voor zover hier relevant: “Graag reageer ik namens de heer [gedaagde] van de Tuinhuizengroep op uw correspondentie namens uw cliënt [eiser sub 1] .

Op 13 oktober 2016 is uw cliënt offerte gedaan voor een maatwerk studio annex mantelzorgwoning. Als onderdeel van de offerte en na aanvaarding de overeenkomst is bedongen dat betaling bij helfte plaatsvindt bij orderbevestiging en het restant bij levering. Aangezien opdracht is verstrekt en levering heeft plaatsgevonden, had uw cliënt het volledige bedrag ad € 49.242,-- dienen te betalen. Dat is niet gebeurd. (…)

Het steekt cliënt dan ook bepaald dat u herhaald de kwalificatie ‘opgelicht’ in de mond neemt. Niet uw cliënt is immer crediteur. Dat is slechts de mijne. Het feit dat derden trachten cliënt in een kwaad daglicht te stellen maakt dat uiteraard niet anders.

Na betaling van het openstaand bedrag zal cliënt de resterende werkzaamheden inplannen en hervatten.” [eisers] wordt bij die brief gesommeerd het resterende bedrag te voldoen.

2.10.

Bij brief van 2 juni 2017 van de raadsman van [eisers] is de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. In die brief staat, voor zover hier van belang: “(…) Cliënten hebben met u een overeenkomst gesloten op grond waarvan u een tuinhuis/mantelzorgwoning voor hen, ten behoeve van hun zoon, zou leveren en monteren. Nadat u kritisch bent benaderd door cliënten omdat uw werknemers het bouwen hebben gestaakt en u hierover met cliënten van mening bent gaan verschillen, heeft u het opbouwen (en het leveren van het restant van het tuinhuis) gestaakt en heeft u aangegeven hiermee niet door te zullen gaan. Op grond van art. 6:83 BW bent u dientengevolge van rechtswege in verzuim. (…)”

2.11.

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft [eisers] conservatoir beslag doen leggen ten laste van [gedaagde] op de in de facturen genoemde bankrekeningen. Dit beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekeningen niet op naam van [gedaagde] staan.

2.12.

Op enig moment in 2017 is een artikel in De Gelderlander verschenen over de situatie bij [eisers] In dat artikel staat, voor zover hier van belang: “(…) Vol vertrouwen gaan ze in zee met [gedaagde] van de Tuinhuizengroep in Dordrecht, voor de levering van een mantelzorgwoning in de tuin van 10 bij 9 meter.

De woning is grotendeels geleverd, maar gebouwd wordt er niet, hoewel er twee aanbetalingen (24.000 en 12.000 euro) zijn overgemaakt. Klassiek gevalletje van oplichting? “De man is niet traceerbaar. Ook de deurwaarder krijgt hem niet te pakken”, reageert [eiser sub 1] . (…) Opeens bleek hij een ander rekeningnummer te hebben.”(…) “De offerte is ontbonden door de rechtbank in Amsterdam en er beslag gelegd op de bezittingen van [gedaagde] .”(…)”

3 De vordering in conventie

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht zal verklaren dat de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] op 2 juni 2017 rechtsgeldig door [eisers] is ontbonden;

  2. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 36.620,48, te vermeerderen met de wettelijke consumentenrente over dit bedrag vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 1.380,86, ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

  4. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eisers] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen ten grondslag aan zijn vorderingen.

[eisers] heeft aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst voldaan nu het restant van de overeengekomen aanneemsom bij oplevering mocht worden voldaan. Niet alle bouwmaterialen zijn geleverd door [gedaagde] . Uit de mededelingen van [gedaagde] heeft [eisers] mogen afleiden dat [gedaagde] niet zal nakomen, zodat [gedaagde] van rechtswege in verzuim is.

4 Het verweer in conventie

4.1.

[gedaagde] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eisers] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] , des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure.

4.2.

[gedaagde] voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende verweren aan. [eisers] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen omdat hij niet met [gedaagde] maar met Huysvanhout B.V., handelend onder de naam Tuinhuizengroep, heeft gecontracteerd. De door [eisers] gedane betalingen zijn niet aan [gedaagde] gedaan. Op 13 en 15 april 2017 is het volledig geprefabriceerde tuinhuis aan [eisers] geleverd. Om beschadigingen aan het keukenblokje, de toiletpot, de stopcontacten en de bedrading te voorkomen, werden deze in de vrachtwagen bewaard. Er is geen afspraak gemaakt de tweede factuur in twee termijnen te mogen betalen. Er is louter uit coulance een aanvang met de werkzaamheden gemaakt. [eisers] is in gebreke gebleven tijdig aan de betalingsverplichtingen te voldoen en is in verzuim. Hij kon dan ook niet buitengerechtelijk ontbinden.

5 De vordering in (deels voorwaardelijke) reconventie

5.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eisers] hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander bevrijd zal zijn, zal veroordelen tot rectificatie van het artikel in “De Gelderlander” en ongedaanmaking van de onjuist verstrekte informatie aan SBS 6, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag of deel daarvan zolang [eisers] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, alsmede – indien en voor zover moet worden aangenomen dat [gedaagde] in privé onder de naam Tuinhuizengroep heeft gehandeld – [eisers] hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen tot betaling van € 12.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de overeenkomst, althans vanaf 20 juni 2017, althans vanaf 16 augustus 2017, tot aan de dag der algehele voldoening.

5.2.

[gedaagde] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen ten grondslag aan zijn vorderingen. De uitlatingen van [eisers] in De Gelderlander jegens [gedaagde] zijn onjuist en onrechtmatig. De goede naam en faam van [gedaagde] wordt als rechtstreeks en voorzienbaar gevolg daarvan willens en wetens door [eisers] aangetast en geschaad. [gedaagde] wenst ook ongedaanmaking van de onjuist verstrekte informatie aan SBS 6. Slechts indien en voor zover moet worden aangenomen dat [gedaagde] in privé onder de naam Tuinhuizengroep heeft gehandeld, komt hem een vorderingsrecht toe voor het nog verschuldigde bedrag van € 12.000,--.

6 Het verweer in (deels voorwaardelijke) reconventie

6.1.

[eisers] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te bepalen vonnis [gedaagde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn (deels voorwaardelijke) reconventionele vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen als ongegrond, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure in reconventie.

6.2.

[eisers] voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende verweren aan. [eisers] heeft wel degelijk gecontracteerd met [gedaagde] , handelend onder de naam Tuinhuizengroep. Nu [gedaagde] niet aangeeft op welk punt [eisers] onjuistheden heeft verteld aan De Gelderlander en SBS 6, dient de vordering te worden afgewezen. Er is bovendien geen sprake van onjuistheden. [eisers] heeft het feitelijke relaas geschetst aan De Gelderlander. Een complete levering heeft niet plaatsgevonden, zodat de vordering van [gedaagde] niet opeisbaar is.

7 De beoordeling

in conventie

7.1.

[gedaagde] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [eisers] geen overeenkomst met hem in privé heeft gesloten maar met Huysvanhout B.V., handelend onder de naam Tuinhuizengroep. [gedaagde] heeft overigens niet gesteld dat hij gevolmachtigd is om overeenkomsten namens Huysvanhout B.V. aan te gaan en heeft ook niet een daartoe strekkende volmacht overgelegd, zodat het verweer daarop al zou stranden. De rechtbank ziet evenwel aanleiding, gelet op de uitgebreide discussie tussen partijen, om de vraag te beantwoorden met welke partij [eisers] heeft gecontracteerd.

7.2.

[gedaagde] heeft niet betwist dat [eisers] bij hem is gekomen via een website van de Tuinhuizengroep. Op die website staat geen verwijzing naar Huysvanhout B.V. Evenmin is betwist dat [eisers] en [gedaagde] met elkaar hebben gesproken over de bouw van een maatwerk tuinhuis, waarna [gedaagde] een offerte heeft gestuurd aan [eisers] Noch op de offerte noch op de nadien gevolgde facturen is aangegeven dat [gedaagde] zou handelen namens Huysvanhout B.V. Het op de offerte en de facturen vermelde e-mailadres en het telefoonnummer zijn, zo staat tussen partijen vast, van [gedaagde] zelf. Door [gedaagde] is niet gesteld dat hij op enig moment aan [eisers] heeft laten weten dat hij handelde namens een besloten vennootschap. De raadsman van [gedaagde] heeft dat standpunt aanvankelijk evenmin ingenomen; integendeel, hij presenteert zich als raadsman van [gedaagde] (zie r.o. 2.9.) en niet van Huysvanhout B.V. of – nadien kennelijk – ZNAS B.V. Deze feiten en omstandigheden leiden tot de slotsom dat [eisers] erop mocht vertrouwen dat hij contracteerde met [gedaagde] , handelend onder de naam Tuinhuizengroep. Dat de betalingen eerst bij Huysvanhout B.V. en daarna bij ZNAS B.V. terecht zijn gekomen, doet daar niet aan af. Afgesproken kan immers worden dat betaling aan een derde wordt gedaan. Het primaire verweer wordt derhalve gepasseerd.

7.3.

Vervolgens houdt partijen verdeeld de vraag of [gedaagde] aanspraak kon maken op betaling van de volledige aanneemsom bij levering van (een groot deel van de) materialen. Het gaat dan om uitleg van een deel van de bepaling in de aannemingsovereenkomst “restantbetaling bij levering”.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

7.4.

[gedaagde] heeft gesteld dat met “levering” is bedoeld de levering van de materialen. Hoewel [eisers] daar ook van uit lijkt te gaan, is de rechtbank van oordeel dat het woord “levering” enkel kan duiden op oplevering. [eisers] heeft immers niet slechts materialen gekocht, waarmee de overeenkomst een koopovereenkomst zou zijn, maar heeft een aannemingsovereenkomst gesloten tot levering van een maatwerk tuinhuis. Hij mocht er dan ook van uitgaan dat hij eerst volledig zou betalen bij oplevering van het maatwerk tuinhuis. [gedaagde] heeft erkend dat het tuinhuis door hem nog geassembleerd moest worden, terwijl ook in de offerte een bedrag voor installatiekosten is opgenomen. Betaling van het restantbedrag zou derhalve betekenen dat aan [gedaagde] reeds 100% is betaald terwijl hij het tuinhuis nog moest assembleren en opleveren. Het was voor partijen glashelder dat niet enkel materialen dienden te worden geleverd maar dat door [gedaagde] een maatwerk tuinhuis moest worden gebouwd. De systematiek van de wet ten aanzien van de aannemingsovereenkomst gaat er ook van uit dat de slotbetaling volgt bij of na oplevering van het werk en niet reeds bij levering van de materialen (zie onder meer artikel 7:758 BW). [eisers] was derhalve niet gehouden de restantbetaling op 15 april 2017 te voldoen, nog daargelaten dat op die datum, zoals door [gedaagde] is erkend, niet alle materialen zijn geleverd. Immers tussen partijen staat vast dat het isolatiemateriaal, het keukenblokje, de toiletpot, de stopcontacten en de bedrading niet door [gedaagde] aan [eisers] zijn afgegeven. Dit had in de rede gelegen als overeengekomen zou zijn, zoals [gedaagde] heeft gesteld, dat [gedaagde] aanspraak kon maken op volledige betaling indien en zodra de materialen volledig zouden zijn geleverd. Indien en voor zover er in rechte echter van uit zou moeten worden gegaan dat partijen de bedoeling hadden dat volledig betaald moest worden bij levering van de materialen, baat dat [gedaagde] niet. Immers, uit de whatsapp berichtgeving, als weergegeven onder rechtsoverweging 2.6., blijkt dat [gedaagde] akkoord is gegaan met het voorstel van [eisers] om alsnog € 12.000,-- te betalen waarna het restant zou volgen bij oplevering. Daarmee is een van de oorspronkelijke overeenkomst afwijkende overeenkomst gesloten die door [eisers] is nagekomen.

7.5.

Een en ander brengt met zich dat [gedaagde] geen opschortingsrecht toekwam uit hoofde van niet volledige betaling van de tweede factuur door [eisers] Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt heeft willen stellen dat hij de overeenkomst kon opschorten omdat zijn werknemers of hijzelf werden bedreigd, heeft het volgende te gelden. De partij die zich op opschorting van zijn verplichtingen jegens de andere partij beroept, dient te stellen dat hij gerechtigd was zijn verplichtingen op te schorten omdat de andere partij zijn verplichtingen niet na komt. In dit geval gaat het echter niet om een verplichting die [eisers] (uit hoofde van de aannemingsovereenkomst) jegens [gedaagde] niet is nagekomen. Nog afgezien van het feit dat niet is gebleken van enige bedreiging door [eisers] jegens [gedaagde] of zijn werknemers – [eisers] was immers niet gehouden bij levering van de materialen reeds de tweede factuur volledig te voldoen – vormt een eventuele bedreiging geen grond voor opschorting.

7.6.

[gedaagde] was gehouden om zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst na te komen. Nu hij dat niet heeft gedaan en blijkens zijn e-mail en de e-mail van zijn raadsman (zie r.o. 2.8. en 2.9.) niet van zins was alsnog na te komen, mocht [eisers] de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Buitengerechtelijke ontbinding brengt ongedaanmakingsverbintenissen mee, in die zin dat [eisers] gehouden is de door [gedaagde] geleverde materialen aan [gedaagde] terug te geven waar tegenover [gedaagde] de reeds betaalde aanneemsom van € 36.620,48, vermeerderd met rente aan [eisers] dient terug te betalen. [gedaagde] heeft ter zitting opgemerkt dat hij niet in staat is met de materialen het tuinhuis af te bouwen en dat hij overigens geen prijs stelt op die materialen. De rechtbank kan zich dan ook voorstellen dat [eisers] [gedaagde] een termijn gunt waarbinnen de materialen door [gedaagde] tegenover terugbetaling van de aanneemsom kunnen worden opgehaald.

7.7.

[eisers] heeft naast terugbetaling van de aanneemsom gevorderd een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Deze vordering zal bij gebrek aan belang worden afgewezen.

7.8.

[eisers] heeft voorts de wettelijke consumentenrente over de betaalde aanneemsom. De wettelijke consumentenrente is de wettelijke rente over niet-handelstransacties die geldt voor consumenten. Omdat [eisers] een consument is, kan die rente worden toegewezen vanaf de datum van buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst, 2 juni 2017.

7.9.

Ten slotte heeft [eisers] vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.380,86 gevorderd. [eisers] heeft echter niet gesteld, terwijl ook niet is gebleken, dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die niet behoren tot de voorbereiding van gedingstukken en de instructie van de zaak waarvoor de proceskostenveroordeling vergoeding voor pleegt in te houden. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

7.10.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,21

- griffierecht 883,00

- - salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.140,21

in (deels voorwaardelijke) reconventie

7.11.

Nu in conventie is geoordeeld dat [eisers] de aannemingsovereenkomst terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden, wordt de vordering van [gedaagde] tot betaling van de restant aanneemsom afgewezen.

7.12.

[gedaagde] heeft gevorderd de ongedaanmaking van de onjuist verstrekte informatie aan SBS 6 zonder aan te geven welke informatie door [eisers] aan SBS 6 is verstrekt. Bij gebreke van enige onderbouwing zal dit deel van de vordering dan ook worden afgewezen.

7.13.

Een rectificatie kan slechts worden toegewezen als sprake is van onrechtmatigheid in het kader van een onjuiste of misleidende publicatie.

Afgewogen moet worden aan de ene kant het in de grondwet en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en aan de andere kant het grondrecht op bescherming van de eer en goede naam, de persoonlijke levenssfeer en het recht om gevrijwaard te worden van discriminatie. Deze afweging valt in het nadeel van [gedaagde] uit.

7.14.

[gedaagde] heeft ter zitting onderbouwd op welke punten het artikel in De Gelderlander gerectificeerd zou moeten worden door [eisers] Ten eerste is volgens [gedaagde] de uitlating van [eisers] dat sprake is van oplichting onrechtmatig. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld, valt niet uit het artikel op te maken dat [eisers] het woord ‘oplichting’ in de mond heeft genomen. Het is immers een vraag van de journalist geweest waarop [eiser sub 1] enkel heeft geantwoord dat [gedaagde] niet traceerbaar is. Ook het enkele feit dat [eisers] tegenover een journalist heeft verklaard dat [gedaagde] niet traceerbaar is, ook niet voor de deurwaarder, is niet onrechtmatig. [eisers] heeft immers getracht zekerheid te verkrijgen door het leggen van conservatoir beslag ten laste van [gedaagde] , in welke poging hij niet is geslaagd. Het beslag heeft immers geen doel getroffen omdat de door [gedaagde] opgegeven bankrekeningnummers niet op zijn naam bleken te staan. Ten slotte heeft [gedaagde] gesteld dat onrechtmatig zou zijn de uitlating dat de offerte is ontbonden door de rechtbank Amsterdam en dat er beslag is gelegd op de bezittingen van [gedaagde] . [eisers] heeft erkend dat die mededeling aan de journalist van De Gelderlander onjuist is, nu de rechtbank Amsterdam enkel toestemming heeft verleend voor het doen leggen van conservatoir beslag, maar die enkele onjuiste mededeling maakt nog niet dat daarmee onrechtmatig is gehandeld jegens [gedaagde] .

7.15.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- salaris advocaat 452,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00

8 De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 36.620,48, vermeerderd met de wettelijke consumentenrente over dit bedrag met ingang van 2 juni 2017 tot de dag van volledige betaling,

8.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.140,21,

8.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in (deels voorwaardelijke) reconventie

8.5.

wijst de vorderingen af,

8.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,00,

8.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.

KH/PB