Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:666

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3764 en 16_3767
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Winst uit onderneming. De rechtbank is van oordeel dat eiser, met hetgeen hij heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ondernemerschap ondanks dat eiser met twee opdrachtgevers in twee jaar tijd slechts in beperkte mate heeft voldaan aan de vereisten van zelfstandigheid en duurzaamheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/21.2.2
V-N Vandaag 2017/356
Vp-bulletin 2017/29
FutD 2017-0430
NTFR 2017/960 met annotatie van Daal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/3764 en 16/3767

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2017

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.36.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.302. Tevens is bij beschikking € 171 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.46.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 116.836. Tevens is bij beschikking € 499 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 27 mei 2016 de aanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft bij brief van 25 juni 2016, ontvangen door de rechtbank op 28 juni 2016, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en één verweerschrift voor beide zaken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2016.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [A] .

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is vanaf [2013] onder de naam [B] (hierna: [B] ) ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als organisatieadviesbureau. De activiteiten van eiser bestaan uit het verlenen van diensten op het gebied van interim management en advies.

2. Vanaf oktober 2013 was eiser werkzaam voor twee opdrachtgevers, namelijk [C] en [D] GmbH (hierna: [D] ). Eiser heeft blijkens de urenregistratie in 2013 in totaal 116 declarabele uren voor [C] gewerkt en 168 declarabele uren voor [D] .

3. Bij beschikking van 9 oktober 2013 is aan eiser een Verklaring arbeidsrelatie (hierna: VAR) resultaat uit overige werkzaamheden afgegeven. Hiertegen heeft eiser bij brief van 12 oktober 2013 bezwaar gemaakt. Eiser heeft verweerder verzocht een VAR winst uit onderneming af te geven. Verweerder heeft op 23 oktober 2013 het bezwaar van eiser gegrond verklaard en bij beschikking van 24 oktober 2013 een VAR winst uit onderneming afgegeven.

4. Verweerder heeft bij beschikking van 19 november 2013 eveneens een VAR winst uit onderneming voor het jaar 2014 afgegeven.

5. In het jaar 2014 was eiser alleen werkzaam voor [D] . Uit de urenregistratie blijkt dat eiser 1.768 declarabele uren voor [D] heeft gewerkt.

6. Uit e-mailcorrespondentie met potentiële opdrachtgever [E] blijkt dat eiser in mei 2014 een opdracht als relatiemanager bij [F] heeft afgezegd in verband met zijn ernstig zieke echtgenote.

7. Eiser heeft bij het sluiten van overeenkomsten met [C] en [D] gebruik gemaakt van de modelovereenkomsten van de Belastingdienst.

8. Eiser had in het jaar 2015 vier opdrachtgevers.

9. Per 15 oktober 2015 is eiser bij [D] in dienst getreden.

10. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV 2013 en 2014 de inkomsten van [C] en [D] verantwoord als winst uit onderneming. De belastbare winst bedraagt € 25.254 respectievelijk € 101.080.

11. Verweerder is op 27 augustus 2015 een boekenonderzoek gestart naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2013 en 2014. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de vraag of eiser als ondernemer is aan te merken in de zin van de Wet IB 2001. Op 8 oktober 2015 is het rapport van het boekenonderzoek verschenen. Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn aan eiser de onderhavige aanslagen opgelegd.

Geschil

12. In geschil is of de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser ter zake van zijn werkzaamheden voor [B] – op basis van de wetstoepassing dan wel op basis van het vertrouwensbeginsel – als ondernemer dient te worden aangemerkt.

Beoordeling van het geschil

13. Ingevolge artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) is belastbare winst uit onderneming het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen verminderd met de ondernemersaftrek.

14. Op grond van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Ingevolge artikel 3.8 van de Wet IB 2001 wordt onder winst uit onderneming verstaan het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.

15. Een belastingplichtige geniet winst uit onderneming indien hij zijn activiteiten zelfstandig uitoefent. Daarvan is sprake indien hij de werkzaamheden zelfstandig verricht ten opzichte van zijn opdrachtgever(s), hij niet slechts incidenteel opdrachten aanvaardt maar streeft naar continuïteit door het verkrijgen van verschillende opdrachten (duurzaamheid), en daarbij ondernemersrisico loopt. Voor het antwoord op de vraag of zodanig risico zich voordoet, is van belang of de belastingplichtige voor de verwerving van opbrengsten afhankelijk is van het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten en of in het kader van de beroepsuitoefening risico's van enige betekenis worden gelopen ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen of ter zake van debiteuren (vgl. HR 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085 en HR 21 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5331).

16. Op eiser rust de last de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat sprake is van ondernemerschap in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van voldoende zelfstandigheid, omdat hij zijn werkweek en uit te voeren werkzaamheden altijd naar eigen inzicht heeft ingepland en hier de volledige verantwoordelijkheid voor heeft gedragen. Volgens eiser diende hij alleen over resultaten te overleggen met zijn opdrachtgevers. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar zijn eigen Algemene Voorwaarden die onderdeel uitmaken van de overeenkomst met [C] . Voorts stelt eiser dat sprake is van voldoende duurzaamheid. Volgens eiser blijkt dit uit het feit dat hij in 2013 direct twee opdrachtgevers heeft, dat hij in 2014 drie opdrachtgevers had kunnen hebben, maar dat hij deze derde opdracht heeft afgezegd in verband met de ernstige ziekte van zijn echtgenote, en dat hij in 2015 voor vier opdrachtgevers heeft gewerkt. Eiser heeft gesteld dat hij eind 2015 tijdelijk een dienstbetrekking heeft aanvaard vanwege de onzekerheid die de onderhavige procedure met zich meebrengt. Bovendien was volgens eiser sprake van duurzaamheid omdat hij in de Nederlandse en Duitse telecombranche een groot netwerk heeft opgebouwd. Tot slot betoogt eiser dat hij ondernemersrisico heeft gelopen. Dit onderbouwt hij door te stellen dat hij in geval van ziekte of vakantie geen inkomsten heeft c.q. zou hebben genoten, dat de contracten met [D] en [C] tussentijds opgezegd konden worden, dat hij met zijn opdrachtgevers is overeengekomen dat hij een arbeidsongeschiktheids- en wettelijke aansprakelijkheidsverzekering moest afsluiten en dat hij debiteurenrisico heeft gelopen. Dit debiteurenrisico heeft zich volgens eiser geuit in het feit dat de opdrachtgevers de gewerkte uren slechts hebben uitbetaald indien de opdrachten naar behoren waren uitgevoerd. Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat hij geen reclame heeft gemaakt maar dat hij klanten werft middels netwerken op borrels en bijeenkomsten.

17. Verweerder betwist het ondernemerschap van eiser, omdat de vereiste duurzaamheid en zelfstandigheid bij eiser ontbreken en hij geen ondernemersrisico heeft gelopen. Dit standpunt doet verweerder in de kern steunen op de stelling dat eiser slechts één grote opdrachtgever heeft gehad, namelijk [D] , en de werkzaamheden voor [C] van tijdelijke aard zijn geweest. Voorts stelt verweerder dat eiser geen debiteurenrisico heeft gelopen, omdat de van eiser afkomstige urenregistraties vrijwel direct zijn uitbetaald en de opdrachtgevers van eiser financieel gezond zijn.

18. De rechtbank is van oordeel dat eiser, met hetgeen hij heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ondernemerschap. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Eiser heeft met twee opdrachtgevers in twee jaar tijd slechts in beperkte mate voldaan aan de vereisten van zelfstandigheid en duurzaamheid. De rechtbank oordeelt evenwel dat twee opdrachtgevers in het geval van eiser voldoende is, nu zijn echtgenote in die periode ernstig ziek is geweest. Eiser was hierdoor naar het oordeel van rechtbank, tegen zijn wil, niet in staat om meerdere opdrachten te aanvaarden. Dat eiser wel meerdere opdrachten wilde aanvaarden en had kunnen verkrijgen, heeft hij aannemelijk gemaakt door de correspondentie met potentiële opdrachtgever [E] over te leggen. Uit deze correspondentie blijkt dat eiser een nagenoeg aanvaarde opdracht heeft teruggegeven in verband met de ziekte van zijn echtgenote. Dat eiser meerdere opdrachten kon en wilde aanvaarden blijkt naar het oordeel van de rechtbank eveneens uit het feit dat eiser in 2015, na de ziekte van zijn echtgenote, voor vier opdrachtgevers heeft gewerkt. anders dan verweerder stelt kan ook aan de vereisten van duurzaamheid en zelfstandigheid worden voldaan door het volgtijdig verwerven van klanten. Het is niet noodzakelijk dat gelijktijdig voor meerdere klanten wordt gewerkt.

19. Eiser heeft bovendien ondernemersrisico gelopen. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat contracten tussentijds opgezegd konden worden, dat eiser verplicht een arbeidsongeschiktheids- en wettelijke aansprakelijkheidsverzekering heeft moeten afsluiten, dat eiser ingeval van ziekte en vakantie geen inkomsten heeft c.q. zou hebben genoten en dat de gewerkte uren niet zonder meer zijn uitbetaald. Dat eisers opdrachtgevers financieel gezond zijn maakt dit niet anders. Het beperken van het debiteurenrisico door het zorgvuldig kiezen van opdrachtgevers is veeleer een teken van goed ondernemerschap. De rechtbank oordeelt derhalve dat het ondernemersrisico in samenhang bezien met de zelfstandigheid en duurzaamheid van de onderneming van eiser, tot de conclusie leidt dat sprake is van ondernemerschap.

20. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De vraag of eiser ter zake van zijn werkzaamheden voor [B] op basis van het vertrouwensbeginsel, als ondernemer in de zin van de Wet IB 2001 dient te worden aangemerkt, behoeft hierdoor geen behandeling meer. De rechtbank stelt het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2013 en 2014 vast op respectievelijk € 78.938 en € 81.436.

21. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte belastingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

22. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank merkt hierbij op dat ook de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand, die is verleend bij de voorbereiding van het beroepschrift voor vergoeding in aanmerking komt (vgl. Hoge Raad 11 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1772 en Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4171). Nu het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het onderhavige geval geen puntentarief voorschrijft, stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op € 495. Dit is het normbedrag dat wordt toegekend in het geval van een gegrond beroep en indien het beroepschrift zou zijn ingediend door een rechtsbijstandverlener. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.938;

- vermindert de belastingaanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.436;

- vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 495;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Leeuwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 februari 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.