Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6631

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 222
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wachtgeld burgerambtenaren Defensie. AOW-hiaat. Compenserende maatregelen zijn aan te merken als arbeidsvoorwaarden. Geen verboden onderscheid naar burgerlijke staat en arbeid/arbeidsvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/222

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse),

en

de Minister van Defensie, verweerder,

alsmede

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming), derde-partij.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft verweerder eisers verzoek om verlenging van zijn wachtgeld tot zijn pensioengerechtigde leeftijd afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 oktober 2015 bezwaar gemaakt. Hierin is verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit heeft verweerder bij brief van 3 november 2015 gedaan.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 november 2016 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7oktober 2015 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het verzoek van eiser neemt.

Dit heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van 4 januari 2017 gedaan.

Eiser heeft tegen dit besluit rechtstreeks beroep ingesteld. Verweerder heeft hiermee ingestemd.

Verweerder heeft op 4 juli 2017 een aanvullend besluit genomen.

Eiser heeft bij brief van 10 juli 2017 aanvullende gronden ingediend.

Bij brief van 12 oktober 2017 heeft eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Staat der Nederlanden heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20210).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2017 waar het beroep gevoegd met een aantal andere, soortgelijke zaken, is behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Stolwijk en mr. I.L.N. Timp.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1957, is werkzaam geweest als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie. Bij besluit van 19 maart 2014 is eiser met ingang van 1 juni 2014 eervol overtolligheidsontslag verleend op grond van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Bij besluit van 6 juni 2014 is eiser met ingang van 1 juni 2014 op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) wachtgeld toegekend tot 1 april 2022, de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

2. Volgens de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 (Wet VAP), en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft voor eiser onder andere tot gevolg dat hij niet vanaf de 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hem geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds 1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe. Nu eiser bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geen recht meer heeft op wachtgeld en tot het bereiken van de voor hem geldende verhoogde AOW-leeftijd evenmin aanspraak heeft op een AOW-uitkering, wordt eiser geconfronteerd met een zogenaamd ‘AOW-hiaat’.

3. Op 1 oktober 2015 is de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31.772 (Voorlopige voorziening) in werking getreden. In artikel 2 van de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt, waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming die gelijk is aan de bruto AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld) die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan.

4. Bij uitspraken van 18 juli 2016 (onder andere ECLI:NL:CRVB:2016:2614) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) - voor zover hier van belang - geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een indirect onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla). Volgens de CRvB zijn de doelstellingen voor het gemaakte onderscheid weliswaar legitiem, maar was het gemaakte onderscheid niet geoorloofd omdat er sprake was van een excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraken van de betrokkenen. Omdat de tegemoetkoming uit de Voorlopige voorziening netto lager was dan de reguliere AOW-uitkering die de betrokkenen onder het oude wettelijke stelsel zouden hebben ontvangen en zij bovendien niet verplicht konden worden om gebruik te maken van de mogelijkheid om hun pensioen vervroegd in te laten, werd met de besluitvorming een excessieve inbreuk gemaakt op de gerechtvaardigde aanspraken en dus ongeoorloofd geacht.

5. Bij het besluit van 4 januari 2017 heeft verweerder besloten om de beëindiging van het wachtgeld van eiser bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd te handhaven en hem een uitkering toe te kennen in de periode vanaf dat zijn wachtgelduitkering stopt (65 jaar) totdat hij de AOW-leeftijd heeft bereikt, die hoger is dan de tegemoetkoming die voortvloeit uit de Voorlopige Voorziening. Gedurende voornoemde periode wordt aan eiser een maandelijkse bruto-uitkering betaald die een netto-uitkering oplevert die even hoog is als de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld. Daarnaast ontvangt eiser een compensatie in verband met het feit dat hij zijn ouderdomspensioen mogelijk vervroegd laat ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Daarbij is toegelicht dat de vanaf 2014 opgebouwde pensioenaanspraken verlaagd worden als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om het ouderdomspensioen vanaf 65 jaar te laten ingaan, omdat deze pensioenaanspraken overeenkomstig de Wet VAP een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar hebben. Indien de pensioenrichtleeftijd in de toekomst verder stijgt, wordt daarmee bij het bepalen van de (hoogte van de) compensatie rekening gehouden. De compensatie is in waarde (bruto) gelijk aan voornoemde verlaging van de pensioenaanspraken in vergelijking met de situatie vóór invoering van de Wet VAP. De compensatie wordt ook toegekend als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het ouderdomspensioen eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd te laten ingaan.

6. Bij het aanvullend besluit van 4 juli 2017 heeft verweerder het volgende besloten. Indien het totaalbedrag van de verhoogde tegemoetkoming AOW-hiaat vermeerderd met het ABP-pensioen dat eiser bij 65 jaar kan laten ingaan netto minder bedraagt dan 90% van zijn gerechtvaardigde aanspraak, dan wordt zijn tegemoetkoming bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van zijn gerechtvaardigde aanspraak (aanvullende maatregel). Onder eisers gerechtvaardigde aanspraak wordt verstaan het bedrag van de gecombineerde netto pensioen- en AOW-uitkeringen die bij 65 jaar zouden zijn uitgekeerd als ware de AOW-leeftijd en pensioenleeftijd nog steeds 65 jaar.

7. Deze besluiten zijn vergelijkbaar met de besluiten die de CRvB in zijn uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473) heeft getoetst. In die uitspraak is - kort samengevat - geoordeeld dat weliswaar sprake is van onderscheid naar leeftijd als bedoeld in de Wgbla, maar dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor dat onderscheid, zodat het onderscheid niet in strijd is met de Wgbla. De CRvB acht het gehanteerde middel (het handhaven van de 65-jarige leeftijd voor de beëindiging van het wachtgeld, in combinatie de hierboven genoemde maatregelen) niet kennelijk ongeschikt om de legitieme doelstellingen (het beschermen van alleen diegenen die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben, alsmede een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen) te bereiken. De CRvB heeft geoordeeld dat het totaal aan middelen, bezien naar het resultaat ervan, geen excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak en niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken nu betrokkenen vanaf hun 65e jaar tot aan hun AOW-leeftijd in ieder geval 90% van hun gerechtvaardigde aanspraak zullen ontvangen.

8. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar deze uitspraak van de CRvB op het standpunt gesteld dat er als gevolg van de getroffen aanvullende maatregelen niet langer sprake is van verboden onderscheid naar leeftijd.

9. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft aangevoerd dat verweerder met de aanvullende maatregelen een verboden onderscheid naar burgerlijke staat maakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), omdat die zijn gebaseerd op de bedragen voortvloeiend uit de AOW en de hoogte van die bedragen afhankelijk is van de burgerlijke staat. Daarmee wordt direct onderscheid naar burgerlijke staat gemaakt en dat kan alleen indien dit bij wet is voorzien. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder met de aanvullende maatregelen verboden onderscheid naar arbeid/arbeidsvoorwaarden maakt als bedoeld in artikel 5 van de Awgb en het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, omdat voormalige burgerambtenaren van Defensie als gevolg van de aanvullende maatregelen verschillend worden beloond. Eiser stelt zich in dit verband op het standpunt dat de aanvullende maatregelen zijn aan te merken als beloning voor arbeid, omdat die voorvloeien uit het voormalige ambtelijke dienstverband.

10. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 4 juli 2017. Beide besluiten vormen tezamen de uiteindelijke beslissing op eisers verzoek. Nu het besluit van 4 januari 2017, inhoudende de beëindiging van het wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening, en gegeven de mogelijkheid om het ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan, in strijd is met de Wgbla, is het beroep gegrond en dient dit besluit te worden vernietigd. Bezien moet worden of er, gelet op het aanvullend besluit van 4 juli 2017, aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 januari 2017 in stand te laten. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

11. Niet in geschil is dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd onder gelijktijdige toekenning van de aanvullende maatregelen een onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wgbla. Evenmin is in geschil dat de doelstellingen voor het gemaakte onderscheid legitiem zijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2016, ziet de rechtbank zich dan ook gesteld voor de rechtsvraag of de aanvullende maatregelen verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en niet op excessieve wijze inbreuk maken op de gerechtvaardigde aanspraak van eiser, waarbij de maatregelen in zijn eigen regelingscontext moeten worden geplaatst en rekening moet worden gehouden met zowel het nadeel voor eiser als het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen.

12. De CRvB heeft in de in rechtsoverweging 7 genoemde uitspraak van 26 april 2017 geoordeeld dat er geen sprake is van een excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraak indien betrokkenen in ieder geval 90% van hun gerechtvaardigde aanspraak ontvangen.

13. Niet in geschil is dat onder eisers gerechtvaardigde aanspraak moet worden verstaan het bedrag van de gecombineerde netto pensioen- en AOW-uitkeringen die bij 65 jaar zouden zijn uitgekeerd als ware de AOW-leeftijd en pensioenleeftijd nog steeds 65 jaar. Het netto maandinkomen wordt berekend door het bruto maandinkomen te verminderen met de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat onder het pensioen ook het keuzepensioen en het nabestaandenpensioen moet worden begrepen.

14. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser erkend dat hij met de aanvullende maatregelen tenminste 90% van zijn gerechtvaardigde aanspraak zal ontvangen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 26 april 2017, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder niet langer een excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van eiser. Met de aanvullende maatregelen is het naar leeftijd gemaakte onderscheid dan ook niet langer ongeoorloofd te achten.

15. Verweerder heeft de aanvullende maatregelen genomen om het naar leeftijd gemaakte onderscheid te rechtvaardigen. De maatregelen kunnen niet los beoordeeld worden van de beëindiging van het wachtgeld en de gevolgen daarvan voor eiser. Verweerder heeft de gerechtvaardigde aanspraak van eiser vastgesteld aan de hand van de AOW-uitkering die eiser onder het oude wettelijke stelsel zou hebben ontvangen. De hoogte van de AOW-uitkering, die eiser zou hebben ontvangen, hangt af van eisers burgerlijke staat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Verweerder maakt geen verboden onderscheid nu voor alle betrokkenen de gerechtvaardigde aanspraak wordt vastgesteld aan de hand van de aanspraken van de betrokkenen onder het oude stelsel. Er is dan ook geen sprake van ongelijke behandeling.

16. Voor zover eisers beroep op het verdragsrechtelijke discriminatieverbod gericht is tegen het in de AOW gemaakte onderscheid tussen gehuwden en niet-gehuwden is de rechtbank van oordeel dat, zo er al sprake is van gelijke gevallen, dit onderscheid geoorloofd is. Immers houdt dit onderscheid verband met het feit dat echtgenoten op grond van de wet een afdwingbare zorgverplichting jegens elkaar hebben. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Hoge Raad van 11 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7267). Ook volgt dit uit het arrest van 29 april 2008, Burden, nr. 13378/05, van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

17. De compenserende maatregelen worden door verweerder aan eiser uit hoofde van de beëindiging van zijn dienstbetrekking betaald zodat deze zijn aan te merken als arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder e van de Awgb.

18. De rechtbank is van oordeel dat de compenserende maatregelen niet in strijd zijn met het in voornoemd artikel opgenomen verbod om in gelijke arbeidsomstandigheden ongelijke arbeidsvoorwaarden toe te passen. Met de maatregelen worden betrokkenen gecompenseerd voor de inbreuk op hun gerechtvaardigde aanspraak. Verweerder maakt geen onderscheid naar burgerlijke staat nu voor alle betrokkenen de gerechtvaardigde aanspraak wordt vastgesteld aan de hand van de aanspraken van de betrokkenen onder het oude stelsel. Er is dan ook geen sprake van ongelijke beloningsbehandeling naar burgerlijke staat.

19. Voor zover eiser stelt dat de AOW-normen in strijd zijn met artikel 5 van de Awgb heeft te gelden dat AOW-uitkeringen zijn uitgezonderd van het beloningsbegrip. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 1993( HvJ 6 oktober 1993, zaak C-109/91).

20. De beroepsgrond dat verweerder met de aanvullende maatregelen ongeoorloofd onderscheid naar burgerlijke staat maakt, kan daarom niet slagen.

21. De rechtbank is, anders dan de CRvB, van oordeel dat de toekenning van een tegemoetkoming ter hoogte van in ieder geval 90% van de gerechtvaardigde aanspraak voldoende concreet is. De definitieve tegemoetkoming wordt vastgesteld als eiser de leeftijd van 65 jaar bereikt. De berekeningen die verweerder heeft opgesteld zijn indicatief en kunnen afwijken van de bedragen die eiser definitief krijgt toegekend. De berekeningen roepen dus geen rechtsgevolg in het leven zodat deze niet zijn aan te merken als besluiten in de zin van de Awb. Mocht eiser bij de definitieve toekenning van mening zijn dat een lager bedrag wordt uitbetaald dan is toegezegd, dan kan hij die uitbetaling aanvechten.

22. Gelet op het voorgaande worden de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 januari 2017 in stand gelaten en wordt het beroep tegen het aanvullend besluit van 4 juli 2017 ongegrond verklaard.

Verzoek om schadevergoeding

23. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

24. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker van belang, zoals dat ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. De redelijke termijn voor een procedure in zaken zoals deze waarin geen behandeling in bezwaar heeft plaatsgevonden en rechtstreeks beroep is ingesteld, is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De hiervoor genoemde omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

25. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 28 oktober 2015 tot aan deze uitspraak is een termijn van twee jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om een redelijke termijn van meer dan twee jaar gerechtvaardigd te achten. De redelijke termijn is dan ook met twee maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de rechterlijke fase. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,- die geheel voor rekening van de Staat der Nederlanden komt.

Proceskosten beroep

26. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser in beroep te veroordelen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (zaaknummers 17/219 ( [naam 1] ), 17/220 ( [naam 2] ), 17/222 (eiser), 17/223 ( [naam 3] ), 17/224 ( [naam 4] ), 17/231 ( [naam 5] ), 17/232 ( [naam 6] ), 17/233 ( [naam 7] ), 17/500 ( [naam 8] ). Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.598,75

(tweemaal 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de nadere reactie op het aanvullende besluit van 4 juli 2017, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 495,-, wegingsfactor 1 en factor 1,5 vanwege 4 of meer samenhangende zaken). Van andere kosten is de rechtbank niet gebleken. Dit betekent dat verweerder aan eiser een bedrag van € 2.598,75: 9 = € 288,75 dient te betalen. Daarnaast dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,- te betalen.

Proceskosten verzoek

27. De rechtbank ziet aanleiding om de Staat der Nederlanden in de kosten van het verzoek om schadevergoeding te veroordelen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht juncto artikel 8:94 van de Awb (zaaknummers 17/219 ( [naam 1] ), 17/220 ( [naam 2] ), 17/222 (eiser), 17/224 ( [naam 4] ), 17/231 ( [naam 5] ), 17/232 ( [naam 6] ), 17/233 ( [naam 7] ) en 17/500 ( [naam 8] ), 17/1392 ( [naam 9] ) en 17/1395 ( [naam 10] ). Deze kosten stelt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:94 van de Awb, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 371,25 (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 495,-, wegingsfactor 0,5 en factor 1,5 vanwege 4 of meer samenhangende zaken). Dit betekent dat de Staat der Nederlanden aan eiser een bedrag van

€ 371,25: 10 = € 37,13 dient te betalen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 4 januari 2017 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    verklaart het beroep tegen het aanvullend besluit van 4 juli 2017 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 288,75;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) tot het betalen van schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) in de proceskosten van eiser in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 37,13.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en

mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 december 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.