Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6615

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
C/05/318181 / HZ ZA 17-176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling executieopbrengst; rangregeling; executoriale titel vereist of is verklaring voor recht voldoende? verjaring vordering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/318181 / HZ ZA 17-176

Vonnis van 20 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LISMAN EN LISMAN B.V.,

gevestigd te Zeist,

eiseres in renvooi,

advocaat mr. M.H. de Boer te Amsterdam,

tegen

1 [naam verweerder sub 1] ,

wonende te [woonplaats ] (België),

2. [naam verweerder sub 2],

wonende te [woonplaats ] ,

3. [naam verweerder sub 3],

wonende te [woonplaats ] ,

verweerders in renvooi,

advocaat mr. R.S.A. Essed te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Lisman en Lisman en [verweerder sub 1] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] (gezamenlijk: [verwerende partij] ) genoemd worden.

1 De procedure
- het proces-verbaal van rangregeling (zaaknummer: 05/312430 /KG RK 16-1115) van
24 februari 2017,
- het vervolg proces-verbaal van rangregeling (van 23 maart 2017), waarbij de rechter-commissaris de zaak heeft verwezen naar de renvooiprocedure
- de brief van de griffier van 3 april 2017, waarbij Lisman en Lisman wordt opgeroepen om op de rolzitting van 24 mei 2017 te verschijnen
- de brief van de griffier van 3 april 2017, waarbij [verwerende partij] wordt opgeroepen om op de rolzitting van 24 mei 2017 te verschijnen
- de conclusie van eis in renvooi met producties van Lisman en Lisman
- de conclusie van antwoord van [verwerende partij]
- het tussenvonnis van 26 juli 2017
- het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2017.

1.1.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Lisman en Lisman heeft krachtens een op 27 april 2004 gesloten huurovereenkomst haar kantoorpand (gelegen aan de Putterweg 7 te Ermelo) verhuurd aan Rentec B.V. (hierna: Rentec). De huurovereenkomst is namens Rentec ondertekend door
[verweerder sub 1] , die enig bestuurder was van Rentec.

2.2.

Lisman en Lisman heeft op 4 oktober 2004 ten laste van [verweerder sub 1] conservatoir beslag gelegd op een kantoorpand van [verweerder sub 1] , staande en gelegen aan de [adresgegevens] (productie 2 van Lisman en Lisman), dit ter verzekering van verhaal voor de vordering van Lisman en Lisman, welke vordering door de voorzieningenrechter in deze rechtbank voorlopig was begroot op € 260.000,--, met inbegrip van rente en kosten (productie 1 van Lisman en Lisman).

2.3.

Op vordering van Lisman en Lisman heeft de kantonrechter te Harderwijk (in een procedure tussen Lisman en Lisman enerzijds en Rentec en [verweerder sub 1] anderzijds) bij vonnis van 17 januari 2007 (productie 3-4 van Lisman en Lisman) de huurovereenkomst ontbonden verklaard met ingang van 7 oktober 2004. Lisman en Lisman heeft in die procedure tevens gevorderd Rentec en [verweerder sub 1] te veroordelen tot betaling van onder meer achterstallige huur. Het dictum luidt verder - voor zover van belang - als volgt:
5.2 Veroordeelt Rentec om aan Lisman tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

€ 260.397,82, vermeerderd met de contractuele rente van 2% per maand over dit bedrag

vanaf 7 oktober 2004 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.3

Veroordeelt Rentec tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Lisman, tot

de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.190,--, waarin begrepen € 4.000,-- aan salaris

gemachtigde.

5.4

Veroordeelt Rentec tot betaling van de beslagkosten groot € 1.761,84, waarin

begrepen € 1.000,— aan salaris gemachtigde.”

2.4.

De kantonrechter heeft de op grond van bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde vorderingen tegen [verweerder sub 1] afgewezen.

2.5.

Rentec heeft in dat vonnis berust. Rentec heeft niet aan de inhoud van dat vonnis voldaan. Rentec is per 7 augustus 2008 door de Kamer van Koophandel ontbonden.

2.6.

Lisman en Lisman is van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gegaan, waarbij zij enkel [verweerder sub 1] heeft betrokken. Lisman en Lisman heeft in hoger beroep gevorderd om [verweerder sub 1] hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec
in eerste aanleg is veroordeeld, althans voor een bedrag van € 446.798,01.

2.7.

Hangende het hoger beroep is (begin 2008) voormeld kantoorpand van [verweerder sub 1] op verzoek van de hypotheekhoudster (SNS Bank N.V.) met toestemming van de voorzieningenrechter in deze rechtbank onderhands verkocht.
Na aflossing van de hypothecaire geldlening resteerde een overschot van € 100.646,32. Dit bedrag is bij notariskantoor Pot & Koekoek te Ermelo (hierna: de notaris) in depot gebleven.

2.8.

Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 22 december 2009 (productie 3-8 van Lisman en Lisman) het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover dit tussen Lisman en Lisman en [verweerder sub 1] was gewezen, en opnieuw rechtdoende voor zover van belang als volgt beslist:
“1. verklaart voor recht dat [naam] hoofdelijk aansprakelijk is voor al hetgeen waartoe

Rentec in eerste aanleg in het tussen Lisman en Rentec in conventie gewezen vonnis van de

kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) van 17 januari 2007 is veroordeeld (te weten de veroordelingen onder punt 5.2, 5.3 en 5.4 van dit vonnis);

2. veroordeelt [naam] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de

zijde van Lisman begroot op € 2.000,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op

€ 251,-- voor griffierecht en op € 70,85 voor explootkosten;

3. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”

2.9.

Lisman en Lisman heeft voormeld arrest van het hof op 21 januari 2010 openbaar aan [verweerder sub 1] betekend. Dit heeft niet tot enige betaling aan Lisman en Lisman geleid.

2.10.

De notaris is niet aanstonds tot verdeling van het depot overgegaan omdat er nog een andere gerechtelijke procedure liep tegen [verweerder sub 1] .

2.11.

Nadat bedoelde andere procedure was geëindigd door middel van een gerechtelijke uitspraak, heeft [verweerder sub 1] zich begin december 2015 bij de advocaat van Lisman en Lisman gewend. Lisman en Lisman en [verweerder sub 1] zijn het niet eens geworden over de verdeling van de onder de notaris berustende restant koopprijs. Op verzoek van [verweerder sub 1] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Arnhem bij beschikking van 6 januari 2017 een rechter-commissaris benoemd ten overstaan van wie de verdeling van het depot zal plaatsvinden.

2.12.

De rechter-commissaris heeft - zo blijkt uit het proces-verbaal van rangregeling van 24 februari 2017- een voorlopige staat van verdeling opgemaakt van het te verdelen bedrag van € 100.646,32, vermeerderd met rente. De rechter-commissaris heeft daarbij bepaald dat Lisman en Lisman voor haar op € 1.140.138,71 begrote vordering volledig is gerechtigd tot het nog te verdelen bedrag, zulks onder aftrek van de door het notariskantoor gemaakte kosten.

2.13.

De rechter-commissaris heeft de bij de rangregeling betrokken partijen (naast
[verweerder sub 1] waren dat Lisman en Lisman, [verweerder sub 2] , [verweerder sub 3] en de gemeente Ermelo) niet kunnen verenigen, waarna de rechter-commissaris de zaak heeft verwezen naar de renvooiprocedure.

3 De vordering

3.1.

Lisman en Lisman vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht zal verklaren dat Lisman en Lisman een vordering heeft op [verwerende partij] op grond van het arrest van het gerechtshof Arnhem van 22 december 2009,

b. Lisman en Lisman zal toelaten tot de rangregeling voor haar vordering van
€ 1.140.138,71, althans € 260.397,82 in hoofdsom plus de daarover op grond van het arrest verschuldigde rente, plus de proces-en beslagkosten, zulks onder bepaling dat de vordering van Lisman en Lisman bij voorrang uit het depot (onder aftrek van de kosten van de notaris) moet worden voldaan,

c. [verwerende partij] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, met bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn
vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling.

3.2.

Op de stellingen van Lisman en Lisman zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

4 Het verweer

4.1.

[verwerende partij] concludeert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. ten aanzien van de vordering onder 3.1.a Lisman en Lisman niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vordering zal afwijzen,

b. ten aanzien van de vordering onder 3.1.b zal bepalen dat de vordering waarvoor Lisman en Lisman kan worden toegelaten tot de rangregeling niet méér bedraagt dan € 892,92 (zijnde het bedrag van de nog niet geïncasseerde proceskosten van het hoger beroep) en al het daarbij meer of anders gevorderde zal afwijzen,

c. Lisman en Lisman zal veroordelen in de kosten van het geding, met bepaling dat deze kosten binnen 14 dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan Lisman en Lisman van rechtswege in verzuim zal zijn.

4.2.

Op het verweer van [verwerende partij] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Lisman en Lisman heeft ter comparitie haar onder 3.1.a geformuleerde vordering nader gepreciseerd in die zin dat wordt vastgesteld dat het dictum van het arrest van het gerechtshof Arnhem van 22 december 2009 zo gelezen dient te worden dat Lisman en Lisman een titel heeft om dat arrest ook ten uitvoer te mogen leggen voor haar hoofdvordering op [verweerder sub 1] . Deze nadere precisering is ingegeven door het standpunt van [verwerende partij] dat bedoeld arrest - op de proceskostenveroordeling na - geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert.

5.2.

Hierbij rijst als eerste de vraag of het in deze van belang is om vast te stellen of bedoeld arrest een executoriale titel oplevert voor de door Lisman en Lisman op [verweerder sub 1] gepretendeerde vordering.

5.3.

Deze vraag wordt ontkennende beantwoord. Daartoe is het volgende redengevend. Lisman en Lisman heeft conservatoir beslag gelegd op de aan [verweerder sub 1] toebehorende onroerende zaak (een kantoorpand) en behoort na de onderhandse verkoop van bedoeld kantoorpand als schuldeiser van [verweerder sub 1] tot de groep van rechthebbenden op de netto- opbrengst als bedoeld in artikel 480 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Lisman en Lisman heeft daarmee een voorwaardelijk recht op toedeling van een (onverdeeld) aandeel in de restant- executieopbrengst verkregen. De voorwaardelijk gerechtigden waren het niet eens over de verdeling van de restantopbrengst, waarna
de rechtbank heeft verzocht om een rangregeling vast te stellen. Omdat
de vordering van Lisman en Lisman niet wenste te erkennen, heeft de rechter-commissaris partijen verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure. Op grond van het bepaalde in artikel 485 lid 1 tweede volzin Rv heeft de rechter-commissaris het bedrag waarvoor de vordering van Lisman en Lisman voorwaardelijk is opgenomen gereserveerd tot die vordering vaststaat.

Inzet van de onderhavige procedure is derhalve de erkenning van Lisman en Lisman als schuldeiser tot het door Lisman en Lisman gestelde beloop van haar vordering. Van (een poging tot) executie van het arrest van het hof van 22 december 2009 is dan ook geen sprake.

5.4.

Anders dan [verwerende partij] heeft aangevoerd, is dus niet van belang dat de beslagvordering van Lisman en Lisman aan het eind van de door haar ingestelde hoofdzaak onherroepelijk moet zijn toegewezen in een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraak. Voldoende is dat in rechte komt vast te staan dat de door Lisman en Lisman op
[verweerder sub 1] gepretendeerde vordering onherroepelijk vast staat.

5.5.

Dit laatste is het geval. Uit het dictum van het onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem van 22 december 2009 volgt onmiskenbaar dat Lisman en Lisman een vordering heeft op [verweerder sub 1] , die uit drie onderdelen bestaat:
a. een bedrag van € 260.397,82, vermeerderd met de contractuele rente van 2% per maand over dit bedrag vanaf 7 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening,

b. een bedrag van € 4.190,--

c. een bedrag van € 1.761,84.

5.6.

Dit betekent dat Lisman en Lisman geen belang heeft bij haar aldus te verstane vordering dat voor recht wordt verklaard dat het dictum van het arrest van het gerechtshof te Arnhem voor haar daarin toegewezen vorderingen een voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert. Dit onderdeel van de vordering wordt dus afgewezen.

5.7.

Nu in deze niet is vereist dat Lisman en Lisman over een executoriale titel beschikt, is het subsidiaire verweer van [verwerende partij] dat Lisman en Lisman geen executoriale titel meer kan verkrijgen omdat de vorderingen van Lisman en Lisman zijn verjaard niet van belang.
De rechtbank vindt in het door partijen gevoerde debat aanleiding om op het verjaringsverweer van [verwerende partij] - zij het ten overvloede - het volgende te overwegen.

5.8.

[verwerende partij] heeft ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring het volgende aangevoerd.
Lisman en Lisman heeft de vorderingen waarvoor zij in de rangregeling wenst op te komen ingesteld bij dagvaarding van 18 oktober 2004. Lisman en Lisman heeft daarmee de eis als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW ingesteld en daardoor de verjaring van haar vorderingen gestuit. De kantonrechter heeft de eis van Lisman en Lisman jegens [verweerder sub 1] niet toegewezen, reden waarom Lisman en Lisman in hoger beroep is gegaan. Lisman en Lisman heeft daarbij haar initiële eis (strekkende tot veroordeling van [verweerder sub 1] tot betaling) - op grond waarvan de verjaring is gestuit - niet opnieuw ingesteld, maar in plaats daarvan een nieuwe eis ingesteld, te weten een verklaring voor recht dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor al hetgeen waartoe Rentec door de kantonrechter is veroordeeld. Het gerechtshof heeft beslist op de nieuwe eis en niet op de bij dagvaarding ingestelde eis. Het arrest van het hof is op
22 maart 2010 in kracht van gewijsde gegaan en daarmee is het geding tussen partijen geëindigd zonder dat daarbij de initiële eis van Lisman en Lisman is toegewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:316 lid 2 BW geldt dat in het geval dat de eis niet wordt toegewezen de verjaring slechts wordt gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog wordt toegewezen. Lisman en Lisman heeft echter niet binnen zes maanden een nieuwe eis ingesteld noch de verjaring anderszins gestuit, zodat op grond van het bepaalde in artikel 3:316 lid 2 de thans door Lisman en Lisman ingestelde vorderingen al op 22 september 2010 waren verjaard, aldus nog steeds [verwerende partij]

5.9.

Dit betoog van [verwerende partij] houdt geen stand. De verjaring van de rechtsvordering van Lisman en Lisman is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding aan Rentec en
[verweerder sub 1] . Dit is het moment waarop de verjaring wordt gestuit. Indien tijdens het verloop van een rechtsgeding de eis wordt vermeerderd, moet indien een beroep op verjaring van de rechtsvordering (met betrekking tot de vermeerdering van eis) wordt gedaan worden beoordeeld of de aldus ingestelde vordering moet worden aangemerkt als een nieuwe rechtsvordering. Is dat het geval dan is het moment van het instellen van die nieuwe rechtsvordering beslissend voor de vraag of zij tijdig is ingesteld. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de bij wege van eisvermeerdering ingestelde vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid (Hoge Raad 23 mei 1997, NJ 1997,531).
De vordering van Lisman en Lisman jegens [verweerder sub 1] is in eerste aanleg afgewezen.

De door Lisman en Lisman in het kader van het hoger beroep ingestelde gewijzigde eis is

echter gebaseerd op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding destijds bij de kantonrechter was ingeleid. Naar het oordeel van de rechtbank is er door Lisman en Lisman in hoger beroep geen nieuwe rechtsvordering ingesteld. Nu de vordering van Lisman en Lisman in hoger beroep is toegewezen, is daardoor de verjaring van de rechtsvordering gestuit.

5.10.

De in hoger beroep gevraagde en uitgesproken verklaring voor recht staat niet op zichzelf. De stelling van [verwerende partij] dat het instellen van een vordering tot een verklaring voor recht de lopende verjaring van de onderliggende vordering tot nakoming niet stuit, is onjuist. Anders dan [verwerende partij] heeft gesteld, is op 17 april 2007 (drie maanden na het vonnis van de kantonrechter waarbij de vordering tegen [verweerder sub 1] was afgewezen) geen nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar gaan lopen.

5.11.

[verwerende partij] kan aan het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018), waarop hij ter comparitie nog een beroep heeft gedaan (in het kader van een a-contrario redenering), geen steun ontlenen voor zijn stelling. Immers, het betrof daarbij een bijzonder geval waarin door een stichting een collectieve actie was ingesteld als bedoeld in artikel 3:305 a lid 1 BW (welke rechtsvordering op grond van het bepaalde in artikel 3:305 a lid 3 BW niet kan strekken tot een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding). Die collectieve actie heeft niet tot een vonnis geleid, maar tot een schikking.

5.12.

Nu de casus in de onderhavige procedure sterk afwijkt van het door de Hoge Raad beoordeelde geval, kan niet worden gezegd dat in het algemeen een gegeven verklaring voor recht de stuitende werking van een rechtsvordering tot nakoming verliest, indien niet binnen vijf jaar een rechtsvordering tot nakoming (in dit geval een veroordeling tot betaling aan Lisman en Lisman van de bedragen waartoe het hof [verweerder sub 1] aansprakelijk acht) zou worden ingesteld. Hierbij is van belang dat het instituut van verjaring ertoe strekt om te voorkomen dat te lang onduidelijkheid bestaat over de rechtspositie van partijen. Indien een rechthebbende te lang stilzit, verliest hij na verloop van tijd het recht om alsnog zijn rechtspositie te laten vaststellen. De rechtszekerheid is daarmee gediend.
In het onderhavige geval heeft het gerechtshof Arnhem bij onherroepelijk arrest van
22 december 2009 de rechtspositie van Lisman en Lisman en daarmee ook die van [verweerder sub 1] vastgesteld.

5.13.

De stelling van [verwerende partij] dat op straffe van verjaring na een verklaring voor recht binnen vijf jaar een rechtsvordering tot nakoming moet wordt ingesteld gaat ook om andere reden niet op. In artikel 3:324 lid 1 BW is bepaald dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart na verloop van 20 jaar. Een verklaring voor recht wordt niet ten uitvoer gelegd. Op een verklaring voor recht kan dus ook na 20 jaar nog een beroep worden gedaan door degene haar verkreeg ingeval bij een gerechtelijke of een arbitrale uitspraak de aanwezigheid van een bepaalde verplichting is vastgesteld en het bestaan daarvan later weer wordt bestreden. In de parlementaire geschiedenis is dit met zoveel woorden onderkend (MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 941). Overwogen is daar dat deze regeling in overeenstemming is met hetgeen geldt ten aanzien van de verjaring van een rechtsvordering, die immers het recht ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, eveneens onaangetast laat.

5.14.

Een partij die een vonnis in handen heeft waarin de wederpartij wordt veroordeeld tot betaling van een geldsom heeft op grond van het bepaalde in artikel 3:324 lid 1 BW twintig jaar de tijd om dat vonnis ten uitvoer te laten leggen. Niet valt in te zien waarom een een partij die een vonnis heeft waarin voor recht wordt verklaard dat de wederpartij gehouden is om een op grond van dat vonnis bepaalbaar geldbedrag aan hem te betalen op straffe van verjaring al ruim voor het verstrijken van bedoelde termijn een vonnis zou moeten zien te verkrijgen waarin de wederpartij wordt veroordeeld om het reeds voordien in rechte vastgestelde bedrag te betalen. Een rechtvaardiging voor dat onderscheid is er niet. In beide situaties is immers de rechtspositie van partijen vastgesteld, zodat voor de wederpartij volstrekt duidelijk is welk bedrag hij op een gegeven moment zal moeten betalen. Deze situatie verschilt van het geval waarin een partij is veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en de partij in wiens voordeel dat vonnis is gewezen vervolgens gedurende lange tijd geen actie onderneemt om een schadestaatprocedure te starten waarin de hoogte van de aan hem toekomende schadevergoeding kan worden vastgesteld.

5.15.

[verwerende partij] heeft voorts aangevoerd dat Lisman en Lisman een voorwaardelijk recht op toedeling van de restantopbrengst heeft en dat dit enkel geldt voor de vordering waarvoor beslag is gelegd, voor zover deze vordering is toegewezen. Die vordering bedraagt
€ 260.000,--. Lisman en Lisman heeft naast de beslagvorderingen ook andere vorderingen ingesteld. De kantonrechter heeft van de ingestelde beslagvordering uiteindelijk een bedrag van € 97.800,38 toegewezen. Lisman en Lisman kan slechts worden toegelaten tot de rangregeling voor de toegewezen beslagvordering, aldus nog steeds [verwerende partij]

5.16.

Anders dan [verwerende partij] stelt, kan uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009 (NJ 2010,663), niet méér worden afgeleid dan dat Lisman en Lisman slechts in de netto-opbrengst kan meedelen voor de vordering waarvoor zij beslag op de onroerende zaak van
[verweerder sub 1] heeft gelegd. Daarmee is bedoeld de in het beslagverlof op een bedrag van
€ 260.000,-- begrote geldvordering. Uit voormeld arrest van de Hoge Raad kan niet worden afgeleid dat Lisman en Lisman alleen zou mogen meedelen in de netto-opbrengst voor zover uit een vonnis zou blijken dat de gronden die door haar in het beslagrekest zijn gesteld voor toewijzing van dat geldbedrag toereikend zijn bevonden.

Dit betekent dat Lisman en Lisman - gelet op de inhoud van het arrest van het gerechtshof te Arnhem - ieder geval in de netto-opbrengst mag meedelen tot een bedrag van € 260.000,--.

5.17.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat, in het geval dat enkel van belang zou zijn welke posten die door Lisman en Lisman in het beslagrekest zijn opgevoerd, in rechte zijn toegewezen, dit [verwerende partij] ook niet had kunnen baten. Immers, Lisman en Lisman heeft ter comparitie aangevoerd dat, indien van het toegewezen bedrag van bijna € 98.000,-- wordt uitgegaan, na aftrek van de kosten van de notaris, zij nog steeds integraal aanspraak kan maken op het overblijvende bedrag. Dit is door [verwerende partij] niet tegengesproken.

5.18.

Nu de netto-opbrengst € 100.646,32 bedraagt (vermeerderd met de over het bij de notaris berustende depot gekweekte rente), heeft Lisman en Lisman in het kader van de rangregeling geen belang bij vaststelling door de rechtbank dat haar vordering op [verwerende partij] € 1.140.138,71 bedraagt. Nu het meerdere boven het bedrag van € 260.000,-- hoofdzakelijk wordt gevormd door de verschuldigde contractuele rente van 2% per maand, te rekenen vanaf 7 oktober 2004, behoeft de rechtbank - gelet op het vorenstaande - niet in te gaan op het verweer van [verwerende partij] dat de contractuele rente niet wordt vermeld in het beslagrekest alsmede dat de bevoegdheid om het arrest ten uitvoer te legging voor de verschuldigde contractuele rente na verloop van 5 jaar verjaart.

5.19.

[verweerder sub 3] en [verweerder sub 2] hebben geen beslag gelegd op het kantoorpand van
[verweerder sub 1] maar op de onder de notaris berustende restantexecutieopbrengst.
Tussen partijen is met recht niet in geschil dat indien wordt geoordeeld dat de vordering van Lisman en Lisman tenminste het bedrag van de netto-opbrengst bedraagt, [verweerder sub 3] en [verweerder sub 2] geen aanspraak kunnen maken op (een gedeelte van) de netto-opbrengst. Dit betekent dat de rechtbank de vraag of [verweerder sub 3] en [verweerder sub 2] een vordering hebben op [verweerder sub 1] niet behoeft te beantwoorden.

5.20.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan Lisman en Lisman (in ieder geval) voor een bedrag van € 260.000,-- worden toegelaten tot de rangregeling. Nu dit bedrag hoger is dan het nog te verdelen bedrag, heeft Lisman en Lisman geen belang om vast te stellen of voormeld bedrag nog moet worden verhoogd met rente alsmede proces- en beslagkosten. De rechtbank zal zich bij toewijzing van de vordering onder 3.1.b dan ook beperken tot voormeld bedrag.

5.21.

De gerechtelijke rangregeling vindt ingevolge artikel 552 Rv plaats ten overstaan van een rechter-commissaris, die de taak heeft een staat van verdeling op te stellen met inachtneming van (onder meer) de artikelen 482-490a Rv. Nadat op het onderhavige geschil bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist, dient Lisman en Lisman als de meest gerede partij de uitspraak over de leggen aan de rechter-commissaris. Deze sluit het proces-verbaal van de rangregeling. Een en ander mondt uit in een bevelschrift of bevelschriften van de rechter-commissaris, waarin de houder van de netto-opbrengst gelast wordt de daaruit nog niet eerder voldane kosten te voldoen en aan de schuldeisers en de geëxecuteerde uit te betalen hetgeen hun volgens de staat van verdeling toekomt (artikel 485 en 489 Rv).
Dit betekent dat het niet aan de rechtbank is om te bepalen dat de vordering van Lisman en Lisman bij voorrang uit het depot (onder aftrek van de kosten van de notaris) moet worden voldaan. Daaraan doet niet af dat bij de huidige stand van zaken Lisman en Lisman als enige gerechtigde tot de restant-opbrengst moet worden aangemerkt.
In het vorenstaande ligt besloten dat de hiervoor onder 5.16 bedoelde beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, omdat Lisman en Lisman daarbij geen belang heeft. [verwerende partij] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lisman en Lisman worden vastgesteld op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.522,00

5.22.

De nakosten zijn toewijsbaar als hierna zal worden vermeld.

5.23.

Voor hoofdelijke veroordeling van [verwerende partij] in de proskosten en de nakosten bestaat in het onderhavige geval geen wettelijke basis, zodat ter zake afwijzing dient te volgen.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

laat Lisman en Lisman toe tot de rangregeling voor een bedrag van € 260.000,--,

6.2.

veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten, aan de zijde van Lisman en Lisman tot op heden vastgesteld op € 1.522,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na heden tot de dag van volledige betaling, indien betaling niet binnen voormelde termijn heeft plaatsgevonden,

6.3.

veroordeelt [verwerende partij] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verwerende partij] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.

Th/PB