Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:659

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 564
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Beroep gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de 7 uur per week begeleiding individueel die in de vorm van een pgb in het kader van de Wmo 2015 aan eiseres is toegekend als een voor haar passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie is aan te merken.

De verplichtingen die verweerder heeft bij het wegnemen van belemmeringen in de zelfredzaamheid als gevolg van eiseres beperkingen gaan zeker niet minder ver dan de compensatieverplichting als bedoeld in artikel 4 van de Wmo 2007. De definitie van gebruikelijke hulp onder de Wmo 2015 is ook niet ruimer dan gebruikelijke zorg onder de AWBZ.

De vaststelling van (boven)gebruikelijke hulp en de vaststelling per resultaatgebied in minuten berusten niet op een objectief wegingskader. Verweerder heeft nagelaten eerst de omvang van de totale objectieve hulpbehoefte van eiseres (in uren, intensiteit en frequentie) vast te stellen en voorts de omvang van de gebruikelijke hulp die de moeder geacht wordt te verlenen. Verweerder heeft niet concreet aangegeven welke aspecten van de door de moeder geboden begeleiding als gebruikelijke hulp moeten worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/564

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2017

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: H. van Lochem),

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening verleend ter grootte van 7 uur per week begeleiding individueel in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 7 september 2015 tot 31 januari 2017.

Bij besluit van 15 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat de maatwerkvoorziening wordt verleend voor de periode van 7 september 2015 tot 7 september 2017.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. De moeder van eiseres, [betrokkene] , is verschenen, alsmede de gemachtigde van eiseres en [betrokkene] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Buffart-Lammerink.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres, geboren op [geboortedatum] , heeft een aandoening in het autistisch spectrum. Daarnaast is er sprake van een verstandelijke beperking en fors overgewicht. Er is sprake van faalangst. Ook heeft eiseres problemen met het omgaan met anderen. Eiseres mist een aantal sociale vaardigheden.

1.2

Tot 7 april 2015 beschikte eiseres over een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor begeleiding individueel, klasse 4 (7-10 uur per week) en ontving zij hiervoor een pgb. Vanuit dit pgb kocht eiseres begeleiding in van haar moeder, bij wie zij woont, alsmede professionele begeleiding van IQ Coaches en Trainingscentrum Vrakking (Vrakking).

1.3

Op 30 april 2015 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft er een herindicatie plaatsgevonden, waarbij E. Wannee, arts indicatie en advies KNMG van TriviumPlus, op verzoek van verweerder een medisch advies heeft uitgebracht, vastgelegd in een rapportage van 14 augustus 2015.

1.4

Wannee schrijft dat er een indicatie voor individuele begeleiding is. Deze begeleiding zal volgens Wannee enerzijds gericht moeten zijn op de ondersteuning van het dagelijks functioneren van eiseres en anderzijds op het haar langzaam maar zeker aanleren van nieuwe vaardigheden. De behoefte van eiseres is volgens Wannee vanaf het uitbrengen van het rapport tot anderhalf jaar daarna voornamelijk gericht op het in goede banen leiden van het persoonlijk functioneren in het dagelijks leven, en daarnaast op het succesvol afronden van haar opleiding. Na het afronden van haar opleiding zal de begeleiding volgens Wannee minder kunnen zijn. Ten aanzien van de zelfredzaamheid van eiseres is volgens Wannee begeleiding op vele aspecten nodig, enerzijds bij het verrichten van dagelijks noodzakelijke handelingen, zoals persoonlijke verzorging, maar anderzijds ook bij sociale activiteiten, zoals het omgaan met andere mensen. Wannee schrijft ook dat de eerder door het CIZ afgegeven indicatie van 7-10 uur per week een reëel aantal uren bevat. Volgens Wannee kan een deel van de door de moeder van eiseres verleende hulp als gebruikelijke hulp worden beschouwd. Moeder biedt volgens hem verdeeld over de dag veel onplanbare hulp die als gebruikelijk kan worden betiteld, zoals het erop attenderen van eiseres dat ze op tijd uit bed moet komen, maar ook door samen met haar ergens heen te gaan. Maar de begeleidingsbehoefte van eiseres overstijgt volgens Wannee in hoge mate de begeleiding die van huisgenoten als gebruikelijk mag worden verondersteld. Moeder levert volgens hem veel meer hulp dan dat normaal is bij een 21-jarige huisgenoot. Ook schrijft hij dat eiseres niet dagen zonder begeleiding kan en naast de begeleiding die doorlopend door moeder wordt geboden, er ook professionele hulp wordt geboden.

2. Verweerder heeft op grond van dit advies vastgesteld dat eiseres beperkingen heeft op de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren, financiële administratie, dagbesteding en zelfzorg en gezondheid. Verweerder heeft voorts besloten dat eiseres in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel voor 7 uur per week, waarvan 1,5 uur per week tegen een uurtarief voor professionele hulp van € 44,27 en 5,5 uur per week tegen een uurtarief voor particuliere hulp van € 20. Aangezien Wannee het aantal door het CIZ geïndiceerde uren van 7 tot 10 per week reëel acht, heeft verweerder 7 uur als uitgangspunt genomen en vervolgens de maatwerkvoorziening op grond van de resultaatgebieden als volgt vastgesteld:

- persoonlijke verzorging: 10 minuten per dag = 70 minuten per week;

- financiële administratie: 15 minuten per week;

- contact instanties (school): 15 minuten per week (gedeeltelijk gebruikelijke hulp); en

- oplossen dagelijkse problemen, bieden structuur, interacties begrijpen, keuzes maken (sociaal en persoonlijk functioneren): 45 minuten per dag = 315 minuten per week.

Bij elkaar opgeteld komt dit neer op 415 minuten begeleiding per week, wat afgerond 6,91 uur per week is. De begeleiding door moeder en de professionele zorg vanuit IQ Coaches past binnen de toegekende maatwerkvoorziening van 7 uur begeleiding individueel per week, aldus verweerder. De resterende activiteiten/zorgmomenten zijn door verweerder onder de noemer ‘gebruikelijke hulp’ geschaard, verleend door de moeder van eiseres. De hulp via de hulphond door middel van inzet van Vrakking valt volgens verweerder niet onder de Wmo. Volgens verweerder zijn daarvoor eventueel andere voorzieningen.

3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgegeven maatwerkvoorziening niet toereikend is om aan haar hulpvraag te voldoen en dat verweerder meer uren begeleiding had moeten toekennen. Met deze maatwerkvoorziening kan er volgens eiseres onvoldoende gewerkt worden aan de zelfredzaamheid en participatie van eiseres. Volgens eiseres heeft verweerder te licht gedacht over de forse problematiek van eiseres en niet duidelijk gemaakt waarom 7 uur voldoende is. Volgens eiseres stelt verweerder dat sprake is van gebruikelijke zorg, maar wordt door verweerder niet duidelijk gemaakt welk tijdsbeslag hiermee is gemoeid. Eiseres stelt ook dat verweerder geen rekening heeft gehouden met niet planbare zorg. De begeleiding die de moeder geeft is volgens eiseres zeer intensief en kan niet worden vergeleken met de hulp die een volwassen kind van 21 jaar doorgaans behoeft. De moeder moet volgens eiseres haar bij nagenoeg elke handeling begeleiden, zoals bij het wassen, aankleden en tandenpoetsen. Ook moet de moeder haar begeleiden bij het omgaan met prikkels en angsten, het plannen van en de regie voeren over de dag(structuur). Ter zitting heeft de moeder van eiseres verklaard dat zij eiseres gemiddeld 21 uur per week begeleidt en dat dit zowel overdag als ’s nachts is. Daarnaast zijn er volgens eiseres te weinig uren met een tarief voor professionele begeleiding toegekend en is ten onrechte geen maatwerkvoorziening afgegeven voor de begeleiding door Vrakking. Er is volgens eiseres geen sprake van het bekostigen van een hulphond, doch van begeleiding van eiseres teneinde haar sociale vaardigheden en participatie in de maatschappij te vergroten. De psychiatrische hulphond wordt volgens haar bij de begeleiding ingezet als methodiek. De kosten voor de hond (aanschaf en onderhoud) betaalt de moeder van eiseres. Volgens eiseres moet de indicatie minstens gelijk zijn aan die welke aan haar onder de AWBZ is toegekend.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Ingevolge de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem. Deze ondersteuning moet erop zijn gericht dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

4.2

Op grond van artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt verweerder er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert maatwerkvoorziening als op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van – voor zover hier van belang – de zelfredzaamheid.

4.3

Ingevolge artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 onderzoekt verweerder:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen.

4.4

Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, beslist verweerder tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening dient een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.5

Artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat in de Wmo 2015 en de daarop berustende bepalingen onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

4.6

De gemeenteraad van de gemeente van verweerder heeft de te verstrekken voorzieningen nader geconcretiseerd in de Verordening individuele Wmo-voorzieningen gemeente Zutphen (de Verordening), alsmede de daarop gebaseerde Beleidsregels individuele Wmo-voorzieningen Gemeente Zutphen (de Beleidsregels).

5. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder met de aan eiseres toegekende maatwerkvoorziening van 7 uur individuele begeleiding per week heeft voldaan aan de in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo opgelegde verplichting om een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Om die vraag te kunnen beantwoorden, dient het bestreden besluit van verweerder te berusten op een zorgvuldige motivering waarbij de door verweerder gemaakte keuzes voor zwaarte en omvang van de ondersteuning op basis van objectieve criteria worden onderbouwd. Eerst dan kan worden vastgesteld of de door verweerder gemaakte afweging er toe leidt dat de ondersteuningbehoefte van eiseres in voldoende mate wordt gecompenseerd.

6. De rechtbank stelt, op grond van de stukken en de toelichting die verweerder ter zitting heeft gegeven, vast dat verweerder in het bestreden besluit de omvang van de aan eiseres toe te kennen individuele begeleiding heeft vastgesteld op basis van de ondergrens van het aantal uren dat door Wannee is geadviseerd (7 tot 10). Verweerder heeft als reden hiervoor opgegeven dat van de bovengrens van 10 uur een deel gebruikelijke hulp is afgehaald. Volgens verweerder is onder de Wmo 2015 de definitie gebruikelijke hulp namelijk ruimer dan de definitie van gebruikelijke zorg onder de AWBZ. Alle hulp die boven de 7 uur uitkomt, heeft verweerder aangemerkt als gebruikelijke hulp. Vervolgens heeft verweerder vanuit het aantal toe te kennen uren (7) per resultaatgebied het aantal minuten hulp bepaald. Aan deze berekening liggen geen objectieve criteria ten grondslag. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de totale objectieve hulpbehoefte van eiseres en (de omvang van) de activiteiten die als gebruikelijk worden aangemerkt, niet in kaart zijn gebracht en dat verweerder hiervoor ook geen objectieve criteria (middels de Beleidsregels) hanteert.

7. De rechtbank kan de redenatie van verweerder volstrekt niet volgen en acht deze alsmede de motivering van het bestreden besluit op meerdere aspecten onjuist, althans gebrekkig en overweegt daartoe als volgt.

7.1

Voorop wordt gesteld dat verweerder weliswaar grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015 en dat de beleidskeuzen van verweerder slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst, maar waar het om maatwerkvoorzieningen gaat, vindt deze vrijheid in ieder geval een grens in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, dat bepaalt dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt (zie hiervoor r.o. 5.6.2 van de uitspraak van 18 mei 2016 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB 2016:1402).

7.2

Voor zover verweerder bedoelt te stellen dat de Wmo 2015 minder verplichtingen met zich brengt dan de Wmo 2007, miskent verweerder dat noch de wet noch de wetsgeschiedenis hiertoe een aanknopingspunt biedt. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RBGEL:2016:3591) volgt uit de parlementaire geschiedenis juist dat de verplichtingen die verweerder heeft bij het wegnemen van belemmeringen in de zelfredzaamheid als gevolg van eiseres beperkingen zeker niet minder ver gaan dan de compensatieverplichting als bedoeld in artikel 4 van de Wmo 2007.

7.3

Dat de definitie van gebruikelijke hulp onder de Wmo 2015 ruimer is dan gebruikelijke zorg onder de AWBZ, blijkt evenmin uit de wet en parlementaire geschiedenis. De in de wettelijke bepalingen neergelegde definities verschillen in essentie niet. Wat gebruikelijk is volgens artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 en artikel 1, onder b en artikel 2, derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (oud) in samenhang bezien met bijlage 3 van de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 (oud), is hulp, althans zorg die naar algemeen aanvaardbare maatstaven door de sociale omgeving moet worden geboden. De wetgever heeft blijkens de hierna volgende parlementaire geschiedenis ook geen onderscheid beoogd te maken tussen de twee definities.

Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gemeenten zullen op het punt van de gebruikelijke hulp beleid moeten ontwikkelen. Anders zou er sprake kunnen zijn van toeval of van willekeur.” (Memorie van toelichting TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 114).

“De mogelijk in de nota naar aanleiding van het verslag gewekte suggestie dat gemeenten in de verordening nader kunnen invullen wat verstaan wordt onder gebruikelijke hulp is niet geheel correct; de definitie van gebruikelijke hulp geeft immers aan dat daarbij de algemeen aanvaarde opvattingen van belang zijn. Bedoeld is dat gemeenten, binnen het kader van de definitie als gegeven in het wetsvoorstel, beleid zullen moeten ontwikkelen waarin zij aangeven wat zij zien als de algemeen aanvaarde opvattingen over wat aan gebruikelijke hulp van huisgenoten mag worden verwacht. De memorie van toelichting (bij artikel 1.1.1) gaat hier nader op in. Gemeenten zullen samen met de cliënten die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben, bespreken wat redelijk is. (…) Anders dan de leden van de CDA-fractie menen, is in het wetsvoorstel wel een definitie van «gebruikelijke hulp» opgenomen (artikel 1.1.1); deze is afgeleid van die van gebruikelijke zorg in de AWBZ-sfeer (…). Ik wijs er echter op dat dit (…) niet betekent dat het college bepaalt wat op dit punt redelijkerwijs van iemand verwacht mag worden. Het gaat om algemeen aanvaarde opvattingen; het college zal het bestaan van die algemeen aanvaarde opvattingen dus aannemelijk moeten maken.” (Nota naar aanleiding van het verslag TK 2013/14, 33 841, nr. 64, p. 67 en 71).

Duidelijk komt hieruit naar voren dat de wetgever juist heeft bedoeld aan te sluiten bij de onder de AWBZ gehanteerde definitie van gebruikelijke zorg. Voor beide zijn de algemeen aanvaarde opvattingen daarvan bepalend.

7.4

Verweerder heeft, zoals uit hetgeen hiervoor onder 6. is overwogen blijkt, door middel van een doelredenering per resultaatsgebied de omvang van de toe te kennen hulp in minuten, in totaal 6,91 uur, vastgesteld. Verweerder acht deze hulp kennelijk bovengebruikelijk. Voor zover de Beleidsregels een objectief afwegingskader bieden voor het vaststellen van (boven)gebruikelijke hulp, hetgeen volgens verweerder overigens niet het geval is, geldt dat deze (kennelijk) niet zijn toegepast. De vaststelling per resultaatsgebied in minuten berust evenmin op elders neergelegde objectieve criteria. Verweerder heeft nagelaten eerst de omvang van de totale objectieve hulpbehoefte van eiseres (in uren, intensiteit en frequentie) vast te stellen en voorts de omvang van de gebruikelijke hulp die de moeder geacht wordt te verlenen, terwijl dit noodzakelijk is om te kunnen bepalen welke hulp bovengebruikelijk is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de CRvB van 6 januari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL0838) en 23 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1483). Dat deze uitspraken zijn gedaan onder de reikwijdte van respectievelijk de AWBZ en Wmo 2007 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, mede gezien de hierboven aangehaalde parlementaire geschiedenis.

7.5

Verweerder heeft ook niet concreet aangegeven welke aspecten van de door de moeder geboden begeleiding als gebruikelijke hulp moeten worden beschouwd. Uitgaande van de definitie van gebruikelijke hulp (naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht) en gelet op de aard (nagenoeg elke handeling) en intensiteit (dagelijks) van de geboden begeleiding, de leeftijd van eiseres (ten tijde van het bestreden besluit 21 jaar) en de overweging van Wannee dat de begeleidingsbehoefte de gebruikelijke hulp in hoge mate overstijgt, had dit van verweerder mogen worden verwacht.

7.6

Van verweerder mag meer in het algemeen worden verwacht dat hij aan de hand van objectieve en inzichtelijke criteria bepaalt of een maatwerkvoorziening nodig is en wat de omvang van deze voorziening moet zijn. Indien verweerder, zoals hier, het standpunt inneemt dat bepaalde hulp onder de normale taak van de moeder valt, zal hij dit, alsmede de omvang hiervan, eveneens op basis van objectieve criteria moeten motiveren en concretiseren. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat een gedeelte van de hulp die door verweerder (kennelijk) is aangemerkt als gebruikelijk, op grond van algemeen aanvaarde opvattingen redelijkerwijs niet van een ouder van een kind van 21 jaar mag worden verwacht.

7.7

De juistheid, volledigheid en passendheid van de toegekende maatwerkvoorziening kan derhalve al met al niet op basis van objectieve criteria worden getoetst en is daarmee voor eiseres en de rechtbank niet te controleren.

7.8

Tot slot kan verweerder, gelet op hetgeen eiseres onbetwist heeft aangevoerd, niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de kosten voor de begeleiding door Vrakking niet op grond van de Wmo 2015 voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de begeleiding tot doel heeft de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van eiseres te compenseren, waarbij de hulphond slechts als middel wordt ingezet. Dat eiseres hiervoor van een andere (algemene) voorziening gebruik kan maken, heeft verweerder niet onderbouwd.

8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hetgeen aan eiseres in het kader van de Wmo 2015 is toegekend als een voor haar passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie is aan te merken. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

9. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, nu zij - mede gelet op het verhandelde ter zitting - geen reden heeft om aan te nemen dat verweerder de gebreken in zijn besluitvorming nog binnen een redelijke termijn kan en zal herstellen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de definitie van gebruikelijke hulp in essentie gelijk is als die van gebruikelijke zorg in de AWBZ, niet gebleken is dat de beperkingen van eiseres na de verlening van de AWBZ-indicatie zijn af- of toegenomen en Wannee in het medisch advies, als ook de moeder ter zitting hebben verklaard dat de oude indicatie toereikend was. Daarbij is voorts van belang dat eiseres op grond van de oude AWBZ-indicatie 10 uur zorg per week kon inkopen en de moeder ter zitting heeft aangegeven dat eiseres wekelijks behoefte heeft aan 3 uur begeleiding door IQ Coaches en 1 uur door Vrakking. Dat een hogere maatwerkvoorziening zou moeten worden verleend, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat aan eiseres een maatwerkvoorziening begeleiding individueel wordt toegekend in de vorm van een pgb ter grootte van 10 uur per week, waarvan 4 uur tegen het uurtarief voor professionele hulp en 6 uur tegen het uurtarief voor particuliere hulp. Dat betekent dat verweerder geen nieuw besluit op bezwaar meer hoeft te nemen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Verder is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat er aan eiseres een maatwerkvoorziening begeleiding individueel wordt toegekend in de vorm van een pgb ter grootte van 10 uur per week, waarvan 4 uur naar het uurtarief voor professionele hulp en 6 uur naar het uurtarief voor particuliere hulp voor de periode van 7 september 2015 tot 7 september 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 46 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. L. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 februari 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.