Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:636

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
05/841018-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verklaart bewezen: poging tot doodslag. Verklaart verdachte niet strafbaar.

Gelast de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/841018-16

Datum uitspraak : 6 februari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te Zwolle PPC te Zwolle

raadsman: mr. E.A.C. Sandberg, advocaat te Vorden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 23 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in haar wang, althans in het

gelaat/hoofd heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Eefde, gemeente Lochem, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten: -een steek- en/of snijwond in haar wang, althans in het gelaat/hoofd, en/of -een aangetaste aangezichtszenuw althans zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de wang, althans het gelaat/hoofd te steken en/of te snijden;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in haar wang, althans in het gelaat/hoofd heeft gestoken en/of gesneden en/of die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal (met kracht) op het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Vaststaande feiten

Verdachte heeft op 10 oktober 2016 te Eefde met een schaar in de wang van [slachtoffer] gestoken.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen verder opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Er is geen sprake geweest van opzettelijk handelen, nu verdachte vanwege zijn ziekelijke stoornis geen enkel inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan. Het meer subsidiair ten laste gelegde kan wel bewezen worden.

Beoordeling door de rechtbank

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan. Volgens de raadsman is daarom geen sprake van opzettelijk handelen. Hiertoe overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2008 (LJN BD2775), als volgt. In het geval waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij verdachte het opzet wordt bestreden, moet worden vooropgesteld dat zo’n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Van die situatie zal slechts bij uitzondering sprake zijn.

In het onderhavige geval is geen sprake van een geval zoals door de Hoge Raad bedoeld. Immers, van het ontbreken van ieder inzicht in zijn handelen is bij de verdachte, ondanks zijn schizofrenie van het paranoïde type, geen sprake geweest, nu hij heeft verklaard dat hij heel bewust met een schaar op aangeefster is afgelopen..3

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] bang wilde maken. De rechtbank begrijpt hieruit dat verdacht ontkent opzet te hebben gehad op de dood van [slachtoffer] .

Om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te komen, is echter voldoende dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.

Het dossier bevat een letselrapport van 14 oktober 2016, opgemaakt door [naam 1] , forensisch arts. Daarin is beschreven dat ter hoogte van de rechter kaakhoek van [slachtoffer] een wond met drie hechtingen zichtbaar was. De wond had de vorm van een weerhaak en een lengte van 15 mm en haaks erop (naar onderen) ongeveer 5 mm. Het rapport beschrijft verder dat uit het verslag van de behandelend chirurg blijkt dat er een CT-scan is gemaakt waarop te zien was dat de steekwond net voor de kaakholte loopt. Volgens de forensisch arts kan het geconstateerde letsel heel goed passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.4

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hoofd- en halsstreek vitale lichaamsdelen zoals halsslagaders en slagaders bevinden. Weliswaar zijn er geen vitale lichaamsdelen geraakt. Het steken met een scherp voorwerp, in dit geval met een schaar, in dit deel van het lichaam kan evenwel leiden tot slagaderlijke bloedingen. Een slagaderlijke bloeding kan een directe oorzaak zijn voor het intreden van de dood.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het steken met een schaar in de wang, had kunnen leiden tot de dood van aangeefster. Er is daarmee sprake van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] .

De vraag die de rechtbank daarna moet beantwoorden, is of verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft met een schaar in de wang van [slachtoffer] gestoken.

Zoals hiervoor is beschreven heeft verdachte verklaard dat hij heel bewust met die schaar op haar is afgelopen. De voormelde gang van zaken laat naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid geen andere gevolgtrekking toe dan dat verdachte, handelend als hiervoor omschreven, welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 10 oktober 2016 te Eefde, gemeente Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in haar wang, althans in het

gelaat/hoofd heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – gezien de conclusies van de deskundigen – verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ook aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De beoordeling door de rechtbank

Naar de persoon van verdachte is psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht.

In het rapport van [naam 2] , psychiater, van 14 januari 2017 is geconcludeerd dat verdachte lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type. Tevens is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Volgens rapporteur was er - naast de verstandelijke beperking - ten tijde van het tenlastegelegde in het kader van de paranoïde schizofrenie sprake van psychotische kenmerken in de vorm van achterdocht en waanideeën met betrekking tot het slachtoffer. Verdachtes motivering van zijn gedrag volgt rechtstreeks uit zijn paranoïde psychotische overtuigingen met betrekking tot het slachtoffer en deze overtuigingen zijn nog immer aanwezig. Het tenlastegelegde kan verdachte niet worden toegerekend volgens rapporteur.

In het rapport van [naam 3] , GZ-psycholoog, van 13 januari 2017 is geconcludeerd dat verdachte lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast is sprake van een lichte verstandelijke beperking. Door verdachtes schizofrenie lijdt hij aan waanideeën en was verdachte er al langere tijd van overtuigd dat het slachtoffer hem volgde en onheus bejegende. De lichte verstandelijke beperking en de schizofrenie hebben allebei een grote rol gespeeld in de totstandkoming van het tenlastegelegde volgens rapporteur. Verdachte had, gezien de hardnekkigheid van de waan en zijn gebrekkige coping, samenhangend met zijn lichte verstandelijke beperking, niet echt gedragsalternatieven. Hij had aangegeven dat hij vreesde voor zijn eigen agressie en over meer oplossingsstrategieën beschikt verdachte niet. Op grond hiervan concludeert rapporteur dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde moet worden beschouwd.

De rechtbank sluit zich bij de bevindingen van de deskundigen aan en zal, gelet op het voorgaande, de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwen. Verdachte is dan ook niet strafbaar.

7 Overwegingen ten aanzien van een maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van één jaar passend en geboden is. Daarnaast dient aan verdachte te worden opgelegd een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gedurende 5 jaren en vervangende hechtenis voor de duur van een week voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan en met bevel dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het noodzakelijk is dat verdachte wordt opgenomen in een instelling en dat verdachte dat zelf ook wil. De raadsman heeft tevens verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte, bij uitspraak, op te heffen

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door een medewerkster van de instelling waar verdachte verbleef, met een schaar in de wang te steken. Door aldus te handelen heeft verdachte zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De omstandigheid dat het slachtoffer niet dodelijk is geraakt, is te danken aan een gelukkig toeval en niet aan verdachtes handelen. Het slachtoffer ervaart nog steeds nadelige gevolgen van het gebeurde.

Gelet op verdachtes ontoerekeningsvatbaarheid kan aan hem geen straf, maar uitsluitend een maatregel worden opgelegd.

In het rapport van [naam 2] is geconcludeerd dat het risico op nieuwe (agressieve) delicten als hoog wordt ingeschat, zowel met betrekking tot de historische als de klinische als de toekomstige domeinen en met name als de behandeling, de begeleiding en de behandelsetting zouden wegvallen. Het probleeminzicht van verdachte is zeer beperkt. Verdachte is chronisch psychotisch, hetgeen herhaaldelijk bijdraagt aan agressief gedrag. Verdachte blijft een beschermende woonvorm nodig hebben, enkel daarbinnen kan een aanvaardbare woonsituatie worden gehandhaafd. Verdachte kan niet terugkeren naar zijn huidige woonvorm. De rapporteur adviseert verdachte in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht te laten opnemen in een psychiatrische instelling.

In het rapport van [naam 3] is vermeld dat de kans dat verdachte opnieuw waanideeën over iemand zal krijgen hetgeen weer zal leiden tot agressief gedrag, heel groot is. Verdachte lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis en heeft weinig ziektebesef. Verdachte is gezien zijn verstandelijke beperking niet zo leerbaar maar het lijkt het proberen waard om te bekijken hoe ver met een behandeling gekomen kan worden. Wellicht zijn er medicamenteus gezien ook nog mogelijkheden. Een behandeling zou klinisch moeten worden gedaan door een instelling met expertise op het gebied van verstandelijke beperkingen, psychiatrische en forensische problematiek. Overwogen kan worden om verdachte met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht te laten opnemen. Deze maatregel lijkt passend omdat niet eerder sprake is geweest van een intensieve klinische behandeling.

De rechtbank zal - alles overwegende – deze adviezen volgen en de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar gelasten, nu het strafbare feit wegens een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast is verdachte gevaarlijk voor zichzelf en voor de algemene veiligheid van personen. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat verdachte psychiatrische hulp nodig heeft. De rechtbank overweegt dat verdachte zich kan vinden in opname in een psychiatrische instelling.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde zogenaamde artikel 37-plaatsing dan ook noodzakelijk. Na de periode van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zijn er, indien nodig, civielrechtelijke maatregelen om (eventuele verdere) gedwongen behandeling van verdachte te waarborgen.

De officier van justitie heeft gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel als genoemd in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte zal niet meer terugkeren naar de instelling in Eefde waar hij verbleef en waar het slachtoffer werkzaam is. Uit de adviezen komt naar voren dat verdachte blijvend aangewezen is op een verblijf in een beschermde woonvorm met een hoog beveiligingsniveau. Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat de gevorderde maatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

De rechtbank overweegt dat opheffing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde is, nu de ernstige bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog steeds onverminderd aanwezig zijn. De situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering doet zich niet voor. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af.

7a. Overwegingen ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp

De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de in beslag genomen schaar een strafbaar feit is gepleegd. Voornoemd voorwerp dient dan ook te worden onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit hiervan, in handen van deze verdachte, in strijd is met het algemeen belang.

7b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.500,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze niet van zo eenvoudige aard is dat de vordering zich leent voor behandeling in het strafgeding. Hij heeft daartoe opgemerkt dat hier sprake is van mede-aansprakelijkheid aan de zijde van de instelling waar verdachte verbleef. De raadsman heeft daarnaast verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten. Verdachte staat onder bewind en heeft nauwelijks tot geen inkomsten of vermogen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden die niet uit vermogensschade bestaat. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan en de rechtbank acht gedeeltelijke vergoeding van de gevorderde schade billijk.

De rechtbank heeft hierbij in overweging genomen dat niet uitgesloten is dat de inrichting waar verdachte verbleef wellicht enig verwijt gemaakt kan worden, gezien de voorafgaande aankondiging van verdachte en de incidenten die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden5. De rechtbank ziet aanleiding om het gevorderde bedrag te bepalen op € 1.500,-.

De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De gevorderde rente is toewijsbaar vanaf 10 oktober 2016.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte onder bewind staat en daarom over relatief weinig financiële middelen beschikt, bepaalt de rechtbank dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel 1 (één) dag vervangende hechtenis zal worden vastgesteld.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36b, 36c, 37, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem voor het primair ten laste gelegde van alle rechtsvervolging;

 gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één (1) jaar.

 onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, te weten: een schaar.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van

€ 1.500,-- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 1.500,-- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mr. E.G. de Jong en mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van E.I. van Aalst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [benadeelde] , rechercheur/brigadier van de politie Oost Nederland, districtsrecherche Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600/2016501293, gesloten op 25 oktober 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 30 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 41.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 37.

4 Letselrapportage van mevrouw [naam 4] – [slachtoffer] (separaat).

5 Proces-verbaal –incidentenoverzicht – pagina 74.