Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:631

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
05/740274-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:7670, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, spreekt 48-jarige man vrij van verkrachting van zijn echtgenote met wie hij toen in echtscheiding lag. De officier van justitie had 24 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk geëist. De man mocht tijdens de tumultueuze echtscheidingsperiode niet in de woning in Harreveld komen. Toch is verdachte op 11 juli 2016 door zijn kinderen in de woning gelaten zonder dat aangeefster dit wist. Hij heeft zich in de woning verstopt en is midden in de nacht naar de slaapkamer van aangeefster gegaan om afspraken te maken over de echtscheiding en de toekomst. Om te voorkomen dat aangeefster de politie zou bellen heeft hij haar telefoon weggelegd. Ook mocht aangeefster de slaapkamer eerst niet verlaten. Aangeefster heeft uit angst en om verdachte rustig te houden het gesprek meegespeeld en uiteindelijk ook seks met verdachte gehad, zonder dat ze op dat moment verbaal of fysiek kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks wilde. Aangeefster en verdachte zijn zeker twee uur op de slaapkamer geweest. In deze twee uur hebben aangeefster en verdachte eerst lange tijd gesproken en daarna seks gehad op een wijze die binnen hun eerdere relatie gangbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verdachte niet kenbaar en hoefde het gelet op het tijdsverloop, het daarin gevoerde gesprek en de houding van aangeefster voor verdachte ook niet kenbaar te zijn dat aangeefster uit angst handelde en dat zij de seksuele handelingen niet wilde. De rechtbank heeft verdachte, die sinds 12 juli 2016 in voorarrest zat, op 20 januari 2017 in vrijheid gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740274-16

Datum uitspraak : 3 februari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting op 20 januari 2017 gedetineerd te PPC Zwolle.

raadsman: mr. E. Hullegie, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 30 september 2016, 25 november 2016 en 20 januari 2017.

Bij afzonderlijke beslissing van 20 januari 2017 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Harreveld, gemeente Oost Gelre, door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden, een persoon, te weten [slachtoffer] , (zijnde de echtgenote van verdachte), heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte
- één van zijn vingers in haar anus gebracht, en/of
- zijn penis in haar mond gebracht, en/of
- in haar mond geëjaculeerd, en/of
- getracht zijn penis in haar vagina te brengen, en/of
- haar vagina gelikt,
terwijl dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of met die één of meer andere feitelijkheden er in hebben bestaan dat verdachte
- de woning heeft betreden waarin [slachtoffer] zich bevond, terwijl hem de toegang tot die woning in het kader van een Veiligheidsplan was ontzegd, en/of
- die [slachtoffer] omstreeks 04.30 uur 's nachts op haar slaapkamer heeft overrompeld waarbij die [slachtoffer] zag dat verdachte kennelijk een rol ducttape had meegenomen, en/of
- die [slachtoffer] heeft verboden haar mobiele telefoon te pakken en/of
- die [slachtoffer] heeft toegevoegd de woorden "We gaan nu praten, het is jij of ik, ik heb er genoeg van" of woorden van soortgelijke strekking, en/of
- die [slachtoffer] heeft verboden op te staan van haar bed en haar heeft toegevoegd de woorden "Nee blijf, je mag niet weg" of woorden van soortgelijke strekking, en/of
- die [slachtoffer] heeft toegevoegd de woorden "Ik wil niet dat iemand anders je aanraakt, je bent van mij" of woorden van soortgelijke strekking, en/of
- de polsen van die [slachtoffer] heeft vastgegrepen op het moment dat zij hem weg wilde duwen, en/of - het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn penis heeft geduwd.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Verdachte heeft door de op de tenlastelegging genoemde feitelijkheden een bedreigende situatie gecreëerd waarin en waardoor [slachtoffer] tot seksueel contact werd gedwongen. In dit verband heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte van [slachtoffer] , die betrouwbaar en geloofwaardig te achten is. De aangifte wordt bovendien ondersteund door het verhoor van [slachtoffer] door de rechter-commissaris, de inhoud van de door [slachtoffer] verstuurde whatsappberichten en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte de door aangeefster geschetste context exact bevestigd heeft, ondanks dat hij de dwang ontkend heeft.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarbij vordert zij dat de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, worden opgelegd. Deze bijzondere voorwaarden bestaan uit een meldplicht, een ambulante behandeling, een contact- en een locatieverbod en andere voorwaarden betreffende het gedrag. Aan deze voorwaarden zou elektronisch toezicht moeten worden verbonden voor de duur van maximaal 12 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, omdat er voldaan is aan het vereiste gevaarscriterium.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend dat de seksuele handeling onder dwang hebben plaatsgevonden. De verdediging heeft derhalve gepleit voor vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat verdachte in de nacht van 12 juli 2016 in het huis in Harreveld was, waar hij op dat moment niet mocht komen. Aangeefster en verdachte lagen toentertijd in een echtscheiding, welke periode tumultueus verliep. Die bewuste avond heeft verdachte in de voormalig echtelijke woning tijd doorgebracht met hun (zes) kinderen, terwijl aangeefster buitenshuis was en niet wist van zijn aanwezigheid. Bij haar thuiskomst heeft verdachte zich verstopt in een kinderslaapkamer. Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat de tenlastegelegde seksuele handelingen in die bewuste nacht hebben plaatsgevonden.

Bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan alleen dan volgen, indien sprake is geweest van het door geweld of een andere feitelijkheid, of bedreiging daarmee, dwingen tot het ondergaan van deze seksuele handelingen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden. Van dwang kan slechts sprake zijn indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in artikel 242 Wetboek van Strafrecht bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Aangeefster heeft verklaard dat zij de seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Op grond van het dossier kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangeefster de seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan, nu niet vastgesteld kan worden dat het voor verdachte kenbaar was of had kenbaar had moeten zijn dat de seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster plaatsvonden.

De rechtbank overweegt hierover nog het volgende. Verdachte heeft aangeefster de bewuste nacht overvallen door zijn aanwezigheid. Verdachte is die nacht onverwacht de slaapkamer van aangeefster binnengegaan, terwijl hij niet in de woning mocht komen. Hij heeft haar telefoon verstopt om te voorkomen dat zij de politie belde, hij heeft gezegd dat hij op dat moment met haar een gesprek over de toekomst wilde voeren en hij stemde er niet mee in dat zij de slaapkamer verliet. Volgens aangeefster heeft hij dat ook fysiek belet door haar op bed terug te duwen. Verdachte was ook gefrustreerd en, naar de rechtbank aanneemt, emotioneel.

Verdachte is omstreeks 04.30 uur in de kamer van aangeefster gekomen en nadat om 06.30 uur de wekker van aangeefster afging, zijn aangeefster en verdachte naar beneden gegaan. De hiervoor beschreven handelingen (het verstoppen van de telefoon en het voeren van een gesprek) vonden vrijwel direct na binnenkomst op de slaapkamer plaats. Binnen het tijdsbestek van twee uur op de slaapkamer is er eerst langdurig gesproken tussen aangeefster en verdachte. Vervolgens hebben de tenlastegelegde seksuele handelingen plaatsgevonden.

Aangeefster heeft verklaard continu bang te zijn geweest dat verdachte haar wat aan zou gaan doen. Zij heeft gezegd uit angst met verdachte te hebben meegepraat over de toekomst en uit angst de seksuele handelingen te hebben verricht. Dit alles om verdachte rustig te krijgen en te houden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster, haar beleving en haar motieven voor het voeren van het gesprek en voor het ondergaan van de seksuele handelingen.

Anderzijds heeft de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verdachte en zijn beleving van het gesprek en het contact met aangeefster, dat uitmondde in de seksuele handelingen. Hij had de indruk dat het gesprek, dat niet vrijwillig was aangevangen, vervolgens wel oprecht werd gevoerd en dat ook het (seksueel) handelen van aangeefster oprecht gewild was.

Verdachte heeft die bewuste avond en nacht keuzes gemaakt die niet juist en evenmin verstandig waren. Hij mocht niet in de woning komen, maar deed dat toch. Hij verscheen onaangekondigd en midden in de nacht in de slaapkamer van zijn vrouw om met haar een gesprek te voeren over hun toekomst met de bedoeling vervolgens de kinderen daar als getuige bij te halen. Hoewel dit handelen vragen en zorgen oproept over verdachtes handelen, kan dit niet bijdragen aan een strafrechtelijke veroordeling voor verkrachting zoals ten laste gelegd.

Gelet op het hiervoor genoemde tijdsverloop is de rechtbank namelijk van oordeel dat de aanvankelijk aanwezige dwingende setting, die gericht was op het kunnen voeren van een gesprek, tijdens het voeren van het gesprek en op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden (in ieder geval in verdachtes beleving) meer naar de achtergrond is verdwenen. Bovendien was de aard van de seksuele handelingen en de manier waarop de seksuele handelingen plaatsvonden niet anders dan binnen de relatie van verdachte en aangeefster gebruikelijk was. Uit de verklaringen van aangeefster valt af te leiden dat zij verbaal noch non-verbaal aan verdachte duidelijk heeft gemaakt dat zij geen seks wilde. Onder deze omstandigheden was het voor verdachte niet duidelijk dat aangeefster onoprecht was in haar gedrag en zich gedwongen voelde tot het ondergaan van de seksuele handelingen.

Bovenstaande brengt mee dat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangeefster de seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Verdachte moet dan ook van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

3 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2017.