Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:628

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2488
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag dubbele kinderbijslag. Voldoende gemotiveerd dat geen zware zorgbehoefte bestaat op het item gedrag, nu geen sprake is van permanent toezicht voor dreigende escalaties door geobjectiveerde gedragspathologie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/2488

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 februari 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om dubbele kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2015 op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder en J. van der Sluis.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het ontvangen van dubbele kinderbijslag voor zijn thuiswonende zoon [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] . Bij de aanvraag heeft eiser gemeld dat [betrokkene] ADHD heeft, kenmerken van een autismespectrumstoornis (ASS) en dat hij naar speciaal onderwijs gaat. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Hieraan ligt een onderzoek van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) naar de zorgbehoefte van [betrokkene] ten grondslag.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de zorgscores voor de aandachtsgebieden ‘gedrag’, ‘begeleiding buitenshuis’ en ‘bezighouden, handreikingen’ ten onrechte en zonder onderbouwing zijn vervallen in de bezwaarprocedure. Volgens eiser is de beoordeling van de zorgbehoefte van [betrokkene] subjectief, gebaseerd op onwaarheden en onjuiste interpretatie en is relevante medische informatie hierbij genegeerd. Eiser wijst erop dat bij [betrokkene] sprake is van complexe en toenemende gedragsproblematiek en hij benadrukt dat de inspanningen voor wat betreft de opvoeding van [betrokkene] al vanaf zijn derde jaar ernstig verzwaard zijn. Zo is onder meer al sprake geweest van opvoedondersteuning en intensieve psychiatrische gezinstherapie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser diverse stukken overgelegd, waaronder het aanmeldingsverslag Integrale Vroeghulp, het behandelplan en eindverslag van kinder- en jeugdpsychiatrie Karakter, het ontwikkelingsplan van de Pedologisch Instituutschool en informatie van kinder- en jeugdpsychiater S. Schreuder.

3. Op grond van artikel 7a, eerste lid, van de AKW heeft een verzekerde voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit uitvoering kinderbijslag (verder: BUK). In artikel 11 van het BUK is uitgewerkt dat van intensieve zorg sprake is, als het een kind betreft dat zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of geestelijke aard dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate wordt verzwaard. Op grond van artikel 12 van het BUK wint verweerder een op medische gegevens gebaseerd advies bij het CIZ in om te bepalen of het kind intensieve zorg behoeft. Uit het tweede lid van artikel 12 van het BUK volgt, dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de procedure, alsmede de beoordelingscriteria waarop het advies van CIZ wordt gebaseerd.

4. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (verder: de Regeling) kan verweerder vaststellen dat er sprake is van intensieve zorg, indien het advies van het CIZ positief luidt. In artikel 3 van de Regeling is uitgewerkt dat het CIZ de situatie beoordeelt aan de hand van tien items. Indien op een item sprake is van een zware zorgbehoefte, wordt een punt toegekend. Voor een kind dat zoals [betrokkene] tussen de zes en negen jaar is geldt vervolgens dat het intensieve zorg behoeft, indien bij de beoordeling door het CIZ minimaal vier punten worden toegekend.

5. Door het CIZ is in eerste instantie bij de beoordeling van 7 december 2015 een punt aan [betrokkene] toegekend op de items ‘gedrag’, ‘begeleiding buitenshuis’ en ‘bezighouden, handreikingen’. Bij de beoordeling in bezwaar is door het CIZ voor deze drie aandachtsgebieden geen punt toegekend en is enkel vastgesteld dat sprake is van een zware zorgbehoefte – en dus een punt – op het item ‘alleen thuis zijn’. Naar aanleiding van het beroepschrift zijn daar alsnog punten voor ‘begeleiding buitenshuis’ en ‘bezighouden, handreikingen’ aan toegevoegd. Dit betekent dat voor [betrokkene] bij de beoordeling door het CIZ slechts drie punten zijn toegekend en dat het advies dus niet positief luidt.

6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voor [betrokkene] ook een punt op het item ‘gedrag’ moet worden toegekend. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat bij het bepalen of per item al dan niet een punt kan worden toegekend het Beoordelingskader BUK 2016 (Beoordelingskader) als leidraad geldt. In dit Beoordelingskader zijn de verschillende items nader uitgewerkt. Voor ‘gedrag’ geldt volgens het Beoordelingskader dat een score wordt gegeven indien er permanent toezicht moet zijn in verband met door de gehele dag heen voorkomende of dreigende gedragsproblemen en escalaties. Ter zitting is toegelicht dat door het CIZ voor het begrip ‘permanent toezicht’ wordt aangesloten bij de Beleidsregel indicatiestelling Wlz 2016, waarin is neergelegd dat permanent toezicht is:

“Onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de verzekerde vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/(levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor verzekerde kan worden voorkomen. Bij verzekerden die een behoefte hebben aan permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) mis gaan.”

7. Het advies van CIZ is in het geval van [betrokkene] gebaseerd op de beoordelingen van de medisch adviseurs K. Wiericx en J. van der Sluis . Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat voor [betrokkene] op het item gedrag geen sprake is van een zware zorgbehoefte. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Wiericx heeft dossierstudie verricht en heeft de informatie van Karakter en van de Pedologisch Instituutschool bij zijn beoordeling betrokken. Door Van der Sluis zijn ook de in beroep overgelegde stukken, waaronder de informatie van psychiater Schreuder, bij de beoordeling betrokken. De rechtbank stelt vast dat alle naar voren gebrachte klachten en gedragsproblemen en de diagnoses ADHD en autistische stoornis, op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken zijn bij de medische beoordeling. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de medisch adviseurs aspecten van de situatie van [betrokkene] hebben gemist. Door de medisch adviseurs is voorts op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd dat er, anders dan bij de aanvraag was gedaan, geen punt kan worden toegekend op het item ‘gedrag’ omdat geen sprake is van een zware zorgbehoefte. Hoewel duidelijk is dat [betrokkene] door zijn ADHD en autistische stoornis gedragsproblemen heeft, zijn deze volgens Wiericx niet zodanig ernstig dat er een noodzaak is tot permanent toezicht en individuele begeleiding om door de hele dag heen voorkomende of dreigende gedragsproblemen of escalaties te voorkomen. Van der Sluis concludeert dat er bij [betrokkene] geen sprake is van permanent toezicht voor dreigende escalaties door geobjectiveerde gedragspathologie. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan de conclusies van Wiericx en Van der Sluis te twijfelen. Ook de toelichting van eiser op de situatie geeft hiertoe geen aanleiding. Ter zitting heeft eiser uiteengezet dat op [betrokkene] zowel thuis als op school steeds toezicht wordt gehouden en dat hij door zijn impulsiviteit voortdurend in de gaten moet worden gehouden, maar dat hij ’s nachts wel zonder toezicht slaapt. Zoals hiervoor onder 6. is toegelicht, is pas sprake van permanent toezicht als dit gedurende het gehele etmaal – dus ook gedurende de nacht – plaatsvindt. Hiervan is in het geval van [betrokkene] geen sprake.

8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het advies van CIZ niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of dat dit advies inhoudelijk niet juist is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het advies van het CIZ aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Dit advies vormt een toereikende grondslag voor de conclusie dat in het geval van [betrokkene] niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van intensieve zorg. Dit betekent dat de aanvraag om dubbele kinderbijslag terecht is afgewezen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mr. S.W. van Osch - Leysma en mr. drs. J.W.A. Fleuren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 7 februari 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.