Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6271

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3125
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5408, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

BPM. Voldoening. Auto met datum eerste toelating in de eerste twee maanden van 2014. Eiseres doet beroep op historisch tarief (tussentijds tarief) 2013. De rechtbank is van oordeel dat dit op grond van het Unierecht is toegestaan. Daarbij is van belang dat er referentievoertuigen kunnen zijn waarvoor ook dat tarief is toegepast. Er hoeft geen feitelijke referentie te worden bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2915
Belastingadvies 2018/3.8
V-N 2018/12.2.4
Viditax (FutD), 11-12-2017
FutD 2017-3179
NTFR 2018/326 met annotatie van mr. H.A. Elbert
NLF 2017/2996 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/3125

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer

van 4 december 2017

in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 9 mei 2017, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de voldoening van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2017. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] , [A] en [B] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt de verschuldigde BPM vast op € 13.289;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om een rentevergoeding;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.482;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 11 januari 2017 aangifte voor de BPM gedaan ter zake van een Jeep Wrangler [C] (hierna: de auto). De auto is afkomstig uit Duitsland. De datum van eerste toelating is [2014] . De auto heeft schade.

2. Bij de aangifte heeft eiseres een taxatierapport van [D] B.V. gevoegd. Deze heeft de handelsinkoopwaarde van de auto getaxeerd op € 26.468. Uitgaand van de historische nieuwprijs van € 91.080 betekent dit een afschrijving van 70,94%. De historische BPM is op basis van het tarief voor 2014 berekend op € 49.245. Eiseres heeft op aangifte € 14.310 aan BPM voldaan.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij een beroep kan doen op het historische tarief van 2013. Dit bedraagt € 45.729. Eiseres wijst erop dat artikel 16a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) de mogelijkheid biedt voor auto’s die binnen twee maanden na een tariefsverhoging voor het eerst in Nederland zijn geregistreerd de belasting te berekenen op grond van het lagere voorafgaande tarief. Het is volgens eiseres daardoor niet uitgesloten dat op de Nederlandse markt referentievoertuigen rondrijden die zijn ingeschreven in de eerste twee maanden van 2014 waarop het tarief van 2013 is toegepast. Er mag op grond van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) op de later ingevoerde auto geen hogere belasting drukken dan op het referentievoertuig. Zij heeft ondanks onderzoek overigens niet daadwerkelijk een voorbeeld van een vergelijkbare auto gevonden die in de eerste twee maanden van 2014 is ingeschreven en waarop het tarief van 2013 is toegepast. De mogelijkheid bestaat echter dat een dergelijke auto wel in Nederland heeft gereden, maar inmiddels is uitgevoerd. Dit valt niet te controleren, aldus eiseres.

4. Verweerder bestrijdt de stellingen van eiseres. In de eerste plaats is hij van mening dat moet worden uitgegaan van de datum van inschrijving in het Nederlandse kentekenregister. Er heeft geen afgifte van het kenteken in 2013 plaatsgevonden. De referentievoertuigen waarmee eiseres wil vergelijken zijn in 2013 op de Nederlandse weg toegelaten. Daarom is geen sprake van gelijke gevallen. Ook heeft eiseres niet met een concreet voorbeeld onderbouwd dat er daadwerkelijk een referentievoertuig op de Nederlandse markt bestaat met een datum eerste toelating in het buitenland in 2014 waarop het tarief van 2013 is toegepast. Die gevallen zijn er ook niet volgens verweerder. Verweerder heeft niet bestreden dat de auto in 2013 is geproduceerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft de auto ingevoerd in januari 2017. Op dat moment is de belasting geheven en dus dient voor de toepassing van artikel 110 van het VWEU te worden vergeleken met de auto’s die zich op dat moment op de Nederlandse markt bevonden. Artikel 10b van de Wet BPM opent de mogelijkheid een beroep te doen op een historisch tarief. Volgens de tekst van dat artikel gaat het dan om een tarief dat heeft gegolden op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van het motorrijtuig. De vraag is nu hoe ruim dit artikel werkt in het licht van artikel 16a van de Wet BPM en de Unierechtelijke uitgangspunten.

6. Artikel 16a van de Wet BPM is geschreven voor de situatie van vergunninghouders. Deze kunnen kentekens op voorraad houden. Er kan enige tijd verstrijken tussen het moment waarop het kenteken wordt afgegeven en het moment waarop dit op naam gesteld wordt. De wetgever heeft willen voorkomen dat de vergunninghouders benadeeld worden door een tussentijdse tariefsverhoging in de BPM of extra administratieve handelingen moeten verrichten (zie de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998, Kamerstukken II, 25 689, nr. 3, p. 31). Daarom is hen een overgangsperiode gegund. Als zij nog kentekens op voorraad hebben die nog niet op naam gesteld zijn, kunnen zij die na een tariefsverhoging nog twee maanden tegen het oude tarief op naam stellen. Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk niet (langer) bestreden dat ook niet-vergunninghouders zich onder omstandigheden op analoge toepassing van artikel 16a van de Wet BPM kunnen beroepen. Dit zou in het geval van eiseres hebben gekund wanneer zij de auto in 2014 had ingevoerd, en er een vergelijkbare auto begin 2014 was ingeschreven met toepassing van het tarief van 2013. Daarbij is dan volgens verweerder wel vereist dat komt vast te staan dat de toepassing van dat tarief het gevolg is van de werking van artikel 16a van de Wet BPM.

7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de referentievoertuigen waarmee vergeleken moet worden auto’s met een datum van eerste toelating op [2014] . Daarbij kunnen tevens voertuigen met een datum van eerste toelating op [2014] in Nederland worden betrokken, dus officieel ingevoerde auto’s. Die auto’s bevinden zich op de Nederlandse markt en worden na de registratie bij verkoop als tweedehands aangemerkt (vergelijk overweging 30 van HvJ 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857). Wanneer een koper in 2017 kan kiezen tussen een auto met een datum eerste toelating in Duitsland van [2014] en een auto met een datum eerste toelating in Nederland van [2014] , mag de keuze die hij maakt niet worden beïnvloed door de hoogte van de BPM die op de auto rust. De BPM op de auto met een eerste toelating in Duitsland mag dus niet hoger zijn dan de BPM op de auto met een eerste toelating in Nederland.

8. De vraag is dan of tot de referentievoertuigen auto’s behoren waarop het tarief van 2013 is toegepast. Gelet op het standpunt van verweerder dat niet-vergunninghouders zich onder omstandigheden kunnen beroepen op artikel 16a van de Wet BPM, is niet van belang dat dit artikel voor vergunninghouders is bedoeld. Artikel 16a van de Wet BPM maakt het mogelijk dat zich op de Nederlandse markt auto’s bevinden waarvan de datum van eerste toelating [2014] is en waarop het tarief van 2013 is toegepast.

9. Op grond van het hiervoor genoemde arrest van het HvJ van 19 december 2013 moet de conclusie zijn dat eiseres dan ook het tarief van 2013 kan toepassen. Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank niet de voorwaarde worden gesteld dat zij een concrete auto aanwijst die op of rond [2014] (in elk geval in de eerste twee maanden van 2014) in het kentekenregister is opgenomen en waarop het tarief van 2013 daadwerkelijk is toegepast op grond van artikel 16a van de Wet BPM. Het HvJ heeft immers overwogen dat volgens vaste rechtspraak een belastingstelsel slechts kan worden geacht verenigbaar te zijn met artikel 110 VWEU indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten. Die formulering laat geen ruimte voor een feitenonderzoek zoals verweerder dat voor ogen staat.

10. Verweerder heeft nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78, overweging 2.4.2, waar het woord “onderzocht” uitdrukkelijk is gebruikt. Nog daargelaten dat het daar om nieuwe auto’s ging (en dus om de vraag welk tarief bij eerste registratie in 2014 in Nederland moet worden toegepast), noopt de tekst van de overweging niet tot de conclusie dat het moet gaan om een feitenonderzoek. Een onderzoek kan ook plaatsvinden op grond van de geldende regelgeving.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres op grond van het Unierecht een beroep mag doen op het historische tarief van 2013. Zij heeft in het beroepschrift aangevoerd dat dit leidt tot een vermindering van de BPM met € 1.021, oftewel tot een verschuldigd bedrag van € 13.289. Dit komt overeen met 29,06% van € 45.729.

12. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van belastingrente over hetgeen zij te veel heeft betaald. Belastingrente is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dit moment niet verschuldigd. De heffing is in strijd met het Unierecht. Gelet op artikel 28c van de Invorderingswet dient eiseres bij de ontvanger te verzoeken om vergoeding van invorderingsrente. De rechtbank is niet bevoegd op het verzoek te beslissen (Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341).

13. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 4 december 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.