Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6232

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
C/05/288648/ HA ZA 15-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:RBGEL:2016:3885: Bewijswaardering. VvE geen toestemming gegeven voor maken trapgat. Bewijsopdracht VVE: causaal verband maken trapgat en schade. Geen andere oorzaak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/288648 / HA ZA 15-492

Vonnis van 18 oktober 2017

in de zaak van

de vereniging

[VvE] ,

gevestigd te [adres VvE] ,

eiseres,

advocaat mr. R.J.A.M. Besselink te Arnhem,

tegen

[adres VvE] ,

wonende te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. A. Heijder te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de VvE en [adres VvE] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 oktober 2016

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 april 2017

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [adres VvE] van 31 mei 2017

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van de VvE van 12 juli 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 19 oktober 2016 is [adres VvE] opgedragen te bewijzen dat hem stilzwijgend toestemming is verleend door (de vergadering van) de VvE voor het maken van een sparing in de verdiepingsvloer.

[adres VvE] heeft daartoe zichzelf als getuige doen horen, alsmede zijn partner, mevrouw [partner gedaagde] , en een voormalig bestuurslid van de VvE, de heer [voormalig bestuurslid VvE] .

Daarna hebben partijen conclusies na getuigenverhoor genomen.

2.2.

[adres VvE] voert aan dat het tussenvonnis van 19 oktober 2016 op onjuiste gronden is gewezen en dat hem daarin ten onrechte bewijs is opgedragen. Hij stelt dat het er niet om gaat of hij al dan niet met stilzwijgende toestemming van de VvE het trapgat heeft laten maken, maar of hij in 2010 bij de verkoop van het appartement aan zijn verplichting heeft voldaan om het trapgat weer deugdelijk dicht te maken.

2.3.

De rechtbank overweegt het volgende. De vordering van de VvE is primair gegrond op het in strijd handelen met artikel 14 van het Modelreglement en subsidiair op onrechtmatige daad, door zonder toestemming van (de vergadering van) de VvE een sparing in de verdiepingsvloer te maken en deze niet deugdelijk te herstellen. Ingevolge artikel 9 lid 1 sub a van het Modelreglement behoort de verdiepingsvloer tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken. Ingevolge lid 2 van dat artikel is het een eigenaar zonder toestemming van de vergadering van de VvE niet toegestaan daarin veranderingen aan te brengen, ook als deze zich in de privé gedeelten bevinden. Indien vast komt te staan dat [adres VvE] de sparing heeft gemaakt zonder toestemming van de VvE heeft hij onrechtmatig jegens haar gehandeld, doordat hij inbreuk heeft gemaakt op het gezamenlijk eigendom van de VvE. Indien komt vast te staan dat de sparing deugdelijk door [adres VvE] is hersteld, heeft de VvE mogelijk geen schade geleden door het onrechtmatig handelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij op juiste gronden [adres VvE] heeft opgedragen voormeld bewijs te leveren.

2.4.

Zowel [adres VvE] als [partner gedaagde] hebben als getuigen verklaard dat zij voorafgaand aan het maken van het trapgat geen toestemming hebben gevraagd aan de VvE. Zij hebben beiden verklaard dat de heer [voormalig bestuurslid VvE] , die destijds in het bestuur zat van de VvE, nadat de verbouwing gereed was bij hun in het appartement op bezoek is geweest en dat hij toen heeft gezegd dat zij het trapgat eigenlijk niet hadden mogen maken, dat zij dat hadden moeten aanvragen bij de VvE en dat zij bij verkoop (het risico liepen dat zij) het trapgat weer zouden moeten dichtmaken. Zij hebben voorts verklaard dat zij daarna niets meer van de VvE hebben vernomen.

2.5.

Getuige [voormalig bestuurslid VvE] heeft onder meer het volgende verklaard:

“Ik heb ongeveer twaalf jaar lang in het bestuur van de vereniging gezeten. Ik ben in 2014 uit het bestuur gegaan.

Toen het trapgat in het appartement van [adres VvE] klaar was is dat mij ter ore gekomen. Ik denk via de buren ofzo, ik weet dat niet meer precies. (…) In het bestuur is destijds besproken dat [adres VvE] dat trapgat had gemaakt. Ik kan me niet herinneren dat ik namens het bestuur ben gaan kijken naar het trapgat. Het zat niet in mijn portefeuille en ik heb ook geen bouwkundige achtergrond.

(…)

In het bestuur is op zeker moment geconstateerd dat het trapgat is gemaakt. Daarna gaan technische mensen kijken wat de schade is en hoe het hersteld moet worden. Vrij snel nadat het trapgat in het appartement van [adres VvE] was gemaakt, wist het bestuur daarvan. Dan is het de normale procedure dat de technische dienst gaat kijken, in ieder geval iemand met een bouwkundige achtergrond. Hier is dat ook zo gegaan.

(…)

U vraagt mij wat het resultaat was van het onderzoek van de technische dienst. Volgens mij was de belasting niet voldoende, was het slecht gemaakt en was de kracht uit de vloer. Daarna zijn er diverse technische rapporten geweest en daarna is het gecorrigeerd. Ik bedoel daarmee dat het hersteld is. Op een gegeven moment is het appartement verkocht en is het gat dichtgemaakt.

(…)

U houdt mij voor dat [adres VvE] en zijn partner zojuist als getuigen hebben verklaard dat ik nadat het trapgat was gemaakt bij hun thuis ben geweest en het trapgat heb gezien en voorts dat ik heb gezegd dat dat trapgat zo niet mocht en dat [adres VvE] het risico liep dat bij verkoop van het appartement het weer dichtgemaakt zou moeten worden.

Het klopt dat ik bij [adres VvE] thuis ben geweest en het trapgat heb gezien. Ik weet niet of wij toen over dat trapgat hebben gesproken. Ik was daar niet uit hoofde van het bestuur, maar ik denk uit hoofde van een tennisclinic. Het is niet zo dat ik bij [adres VvE] normaal gesproken over de vloer kwam.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen niet volgt dat aan [adres VvE] door (de vergadering van) de VvE stilzwijgend toestemming is verleend voor het maken van een sparing in de verdiepingsvloer. De verklaringen van [adres VvE] en zijn partner, die als partijgetuigen moeten worden aangemerkt, worden niet ondersteund door de verklaring van [voormalig bestuurslid VvE] . Uit de getuigenverklaring van [voormalig bestuurslid VvE] volgt slechts dat hij in het appartement van [adres VvE] op bezoek is geweest, maar niet dat hij daar namens het bestuur van de VvE was en evenmin dat hij namens het bestuur of de vergadering van de VvE achteraf toestemming heeft gegeven voor (het maken van) het trapgat. [adres VvE] is dan ook niet in de opgedragen bewijslevering geslaagd. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat hij stilzwijgend toestemming heeft gekregen van de VvE voor het maken van de sparing in de verdiepingsvloer.

2.7.

Gelet op het voorgaande heeft [adres VvE] onrechtmatig jegens de VvE gehandeld, door in strijd met het bepaalde in de artikelen 9 en 14 van het Modelreglement zonder toestemming van de vergadering een verandering in het gebouw aan te brengen, waardoor de constructie is gewijzigd. Dit betekent dat [adres VvE] in verzuim is geraakt, zonder dat een ingebrekestelling nodig was. [adres VvE] is dan ook aansprakelijk voor schade die de VvE heeft geleden ten gevolge van zijn onrechtmatig handelen.

2.8.

Voor zover [adres VvE] zich beroept op verjaring van de vordering van de VvE gaat dit beroep niet op. Uit de getuigenverklaring van [adres VvE] volgt dat het trapgat in het voorjaar van 2007 is gemaakt en dat [voormalig bestuurslid VvE] in de zomervakantie van 2007 bij hem op bezoek is geweest. Niet gebleken is dat de VvE eerder op de hoogte was van het feit dat [adres VvE] het trapgat had gemaakt dan nadat [voormalig bestuurslid VvE] een bezoek aan het appartement van [adres VvE] had gebracht, nog daargelaten dat niet vaststaat dat [voormalig bestuurslid VvE] in zijn hoedanigheid van bestuurder bij [adres VvE] op bezoek is geweest. Het enkele feit dat [voormalig bestuurslid VvE] heeft verklaard dat hij “via de buren ofzo” heeft vernomen dat het trapgat klaar was, betekent niet dat de VvE daarvan toen op de hoogte was. In ieder geval is [adres VvE] bij brief van 5 juli 2012 door de VvE aansprakelijk gesteld voor de schade. [adres VvE] heeft onvoldoende concreet gesteld wanneer de VvE geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van het maken van het trapgat, dan wel wanneer het bezoek van [voormalig bestuurslid VvE] precies heeft plaatsgevonden. Daarom houdt de rechtbank het ervoor dat de aansprakelijkheidstelling heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat de VvE met de schade bekend is geworden, zodat de vordering niet is verjaard.

2.9.

[adres VvE] heeft voorts het causaal verband tussen het maken van het trapgat in de verdiepingsvloer en de door de VvE gestelde schade betwist. Hij voert aan dat hij de sparing voorafgaand aan de verkoop van het appartement deugdelijk heeft laten dichtmaken conform de constructieberekening van [naam 1] en dat door de nieuwe eigenaren van appartement A27 na de verkoop een ingrijpende verbouwing is uitgevoerd, onder meer aan de constructieve delen van het gebouw door het wegbreken van een (dragende) muur, zodat de schade ook door de verbouwing door de nieuwe eigenaren kan zijn ontstaan. De VvE heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat de nieuwe eigenaren van appartement A27 alleen een deur in een muur van het appartement hebben aangebracht en dat dit los staat van de door [adres VvE] gemaakte sparing in de verdiepingsvloer.

2.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de nieuwe eigenaren van appartement A27 verbouwingswerkzaamheden in het appartement hebben uitgevoerd, maar wel welke verbouwingswerkzaamheden dat zijn geweest. Niet uitgesloten kan worden dat de door de nieuwe eigenaren in het appartement uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden de schade aan de verdiepingsvloer tussen de appartementen A27 en A37 (mede) kunnen hebben veroorzaken. Uit het rapport van [naam 2] van 3 oktober 2012 blijkt niet dat eventuele alternatieve oorzaken voor de schade aan de verdiepingsvloer zijn onderzocht. De bewijslast van het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van [adres VvE] en de gestelde schade rust conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op de VvE. De VvE beroept zich immers op het rechtgevolg van haar stelling dat de schade is veroorzaakt als gevolg van het onrechtmatig, zonder haar toestemming, maken van het trapgat in de verdiepingsvloer door [adres VvE] en [adres VvE] betwist dat dat de oorzaak is van de schade.

De VvE zal, gelet op het voorgaande, in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren van haar stellingen dat de schade aan de verdiepingsvloer tussen de appartementen A27 en A37 is veroorzaakt door het maken van het trapgat door [adres VvE] en dat de door de nieuwe eigenaren van het appartement A27 verrichte verbouwingswerkzaamheden in het appartement de door de VvE gestelde schade niet (mede) hebben kunnen veroorzaken. In die bewijsopdracht ligt besloten dat de VvE ook dient aan te tonen welke werkzaamheden door de nieuwe eigenaren van appartement A27 in het appartement zijn uitgevoerd.

2.11.

Indien de VvE in voormelde bewijslevering slaagt, zal nog de hoogte van de schade moeten worden beoordeeld, al dan niet door middel van een deskundigenonderzoek. Indien de VvE niet in de bewijslevering slaagt zal moeten worden beoordeeld in hoeverre de verbouwingswerkzaamheden in appartement A27 door de nieuwe eigenaren hebben bijgedragen aan de door de VvE gestelde schade. Daarvoor zal mogelijk eveneens een nader deskundigenonderzoek nodig zijn.

2.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

draagt de VvE op te bewijzen dat de schade aan de verdiepingsvloer tussen de appartementen A27 en A37 is veroorzaakt door het maken van het trapgat door [adres VvE] en

dat de door de nieuwe eigenaren van het appartement A27 verrichte verbouwingswerkzaamheden in het appartement de door de VvE gestelde schade niet (mede) hebben kunnen veroorzaken, met inachtneming van hetgeen in 2.10. is overwogen,

3.2.

bepaalt dat, voor zover de VvE dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.J. Peerdeman in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 november 2017 voor het opgeven door VvE van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen in de maanden februari tot en met mei 2018 waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.4.

verwijst voor het geval de VvE op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien de VvE daarom op de onder 3.3. bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van de VvE, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

3.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

3.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2017

.