Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6191

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
05/720194-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelde een 19-jarige vrouw tot een gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan poging doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720194-17

Datum uitspraak : 1 december 2017

Tegenspraak (gemachtigd raadsvrouw)

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

zonder bekende vaste woon- en verblijfplaats hier te lande,

laatst opgegeven (post)adres: [adres 1]

Raadsvrouw: mr. A. Foppen, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 november 2017.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

De rechtbank heeft een vordering wijziging tenlastelegging toegewezen. Aan verdachte is – samengevat –ten laste gelegd dat zij:

samen met een ander op 9 juni 2017 in Putten heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door hem te steken met een mes of een ander scherp voorwerp, dan wel dat zij hierbij heeft geholpen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

Aanleiding onderzoek

Op 9 juni 2017 ontving de politie een melding dat er een bloedend persoon bij het politiebureau in Putten stond. Ter plaatse trof de politie [slachtoffer] en zijn dochter [dochter van slachtoffer] aan. [slachtoffer] zat onder het bloed en had meerdere verwondingen. [dochter van slachtoffer] gaf aan dat haar vader was neergestoken door een Poolse man en een Poolse vrouw. Even later werden laatst genoemde personen als verdachten aangehouden. Verder bleek dat er eerder die dag in Putten brand is gesticht in een woning aan de [adres 2] en dat er die avond ook een ruit in een woning aan de [straat] en een autoportier zijn vernield dan wel beschadigd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen aan poging tot doodslag op [slachtoffer] , zoals primair ten laste is gelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Primair is hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft geduwd en aangever heeft geschopt, nu niet is voldaan aan de wettelijke bewijsminima. Als het duwen en schoppen wel bewezen kan worden dan zijn die handelingen van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een ‘voldoende nauwe en bewuste samenwerking’ zodat geen sprake is van medeplegen. Ook het doel van het eventuele duwen en schoppen is onduidelijk. Daarom kan evenmin worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever zodat zij ook van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 9 juni 2017 samen met zijn dochter [dochter van slachtoffer] met de auto in Putten reed en dat bij een rotonde (ter hoogte van de Veldwijkweg en de Veenhuizerveldweg) een jong stel stond te zwaaien en te gebaren. Hij kreeg de indruk dat de man en de vrouw hulp nodig hadden en liet hen achterin instappen. De vrouw ging achter hem zitten en de man nam schuin rechts van hem, achter de bijrijdersstoel, plaats. Tijdens het rijden kwam de man als een dolle stier tussen de stoelen naar voren en begon aangever als een gek te stompen. [slachtoffer] heeft de auto op de handrem gezet, in zijn vrij. Hij deed zijn portier open en wilde uitstappen. De man was toen al achter de auto langs naar [slachtoffer] toegelopen en begon hem weer te stompen. Ook toen [slachtoffer] de auto indook om de autosleutel te pakken, heeft de man hem nog gestompt.3

[dochter van slachtoffer] heeft verklaard dat de man ineens in het midden van de achterbank ging zitten en vanuit het niets met zijn hand snelle slaande bewegingen maakte richting de schouder, nek en het hoofd van haar vader. Zij zag direct bloed op haar vader en op het stuur van de auto. Hierop probeerde zij de man te slaan. Zij pakte de arm van de man vast, maar die rukte zich los.4 Vervolgens zag zij dat de vrouw, met haar beide armen en handen, onder de armen van die man door, krachtig tegen haar armen en handen begon te duwen. Zij deed dit meermalen. De vrouw duwde haar naar achteren toe. Hierdoor kon zij niet langer haar vader helpen.5

Bij de politie heeft de vriend van verdachte, [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) verklaard dat hij aangever twee of drie keer heeft geslagen.6 Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte een mes bij zich had en aangever daarmee heeft gestoken.7

Het mes waarmee medeverdachte heeft gestoken, heeft een lemmet van circa 9 centimeter en een driehoekige spitse punt.8

Uit een geneeskundige verklaring letselbeschrijving, opgesteld door een forensische arts van de GGD, blijkt dat op 14 juni 2017 onder meer het volgende letsel bij aangever is waargenomen: vele scherprandige huidverwondingen waaronder op de overgang van de rechter schouder naar de nek (20 mm), op de rechter wang (25 mm), linker oorschelp, rechter borst (20 mm) en linker borst (20 mm), huidinkervingen door scherprandig voorwerp (10 mm) achterzijde midden onder de nek en rechter schouder, 80 mm lange verticale snijverwonding aan de rechter hals. Gehecht zijn: huidletsels, letsel zenuw, drie pezen en slagader in rechter onderarm. Ook moest een klaplong (links) worden behandeld en was sprake van twee gebroken ribben rechts en links op de plaats van de messteken.

De arts heeft geconcludeerd dat de waargenomen letsels zijn toegebracht door een scherp voorwerp zoals een mes. De (mes)steken in de borst hadden vitale structuren zoals het hart(zakje) of de aorta kunnen raken. De linker long is geraakt, hetgeen heeft geleid tot een klaplong. Indien de (mes)steken enkele centimeters verderop terecht waren gekomen, zou een groot risico zijn ontstaan op een dodelijk verloop door ernstige verbloeding in de borstkas. In een dergelijke situatie kan een slachtoffer binnen 30-60 minuten dodelijk verbloeden. De (mes)steken in de nekregio en hals hebben geen vitale structuren geraakt. Indien dat wel het geval was geweest, dan was een dodelijk beloop of levenslang neurologisch uitval denkbaar geweest. De (mes)steken in de rechter arm zijn potentieel ernstig invaliderend. Tijdig afdrukken van de slagader en behandeling heeft de restschade beperkt. Ook een slagaderlijk bloeding uit de arm kan dodelijk verlopen. Naar verwachting van de plastische chirurg kan het herstel van de zenuwfunctie in de rechter hand 200 dagen duren en kan de restfunctie van de rechter onderarm- en hand pas later worden bepaald.9

Bewijsoverwegingen

Opzet op het toebrengen van dodelijk letsel

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] meerdere malen met kracht is gestoken met een mes met lemmet van ongeveer 9 centimeter. Dit steken deed de medeverdachte. Het was in eerste instantie van korte afstand in een kleine ruimte, te weten een auto. Hoewel [slachtoffer] al meermalen was geraakt en direct ernstig ging bloeden heeft medeverdachte hem ook nog gestoken buiten de auto.

[slachtoffer] is geraakt in de hals, nek, borst en arm/hand. Dit zijn plekken van het lichaam waar zich kwetsbare en vitale organen bevinden zoals de longen en het hart. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de messteken tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden, als deze enkele centimeters verder in het lichaam terecht waren gekomen, waar zich vitale structuren bevinden, of indien de slagaderlijke bloeding in de rechter arm niet tijdig was afgedrukt en behandeld.

Vanwege de aard van het mes, de kracht van het steken, de veelvuldigheid van het steken en de plaatsen waar [slachtoffer] is geraakt, concludeert de rechtbank dat het handelen van medeverdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is geweest op de dood van
. De rechtbank vindt de poging doodslag ten aanzien van medeverdachte daarom bewezen.

Medeplegen of medeplichtigheid

Aangeefster [dochter van slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar in de auto meerdere malen met kracht tegen haar armen en handen heeft geduwd. Verdachte heeft er daardoor voor gezorgd dat medeverdachte in ieder geval enige tijd ongehinderd zijn gang kon gaan.

In de omstandigheid dat aangeefster aan de politie aanvankelijk heeft verklaard dat zij tijdens het gebeuren niet heeft gelet op de rol van verdachte en - eerst in haar aanvullend verhoor - heeft verklaard over het duwen van verdachte, ziet de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de context van haar verklaringen is op te maken dat aangeefster in haar eerste verhoor heeft bedoeld te zeggen dat zij niet op verdachte heeft gelet op het moment dat medeverdachte stekende bewegingen in haar richting maakte en niet, dat zij tijdens de gehele gebeurtenis niet op verdachte heeft gelet. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat aangeefster concreet en gedetailleerd heeft verklaard over de rol van verdachte en dat haar verklaring een in tijd en gebeurtenissen logisch geheel vormt.

Ook het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van aangeefster niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen en daarom onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen, wordt verworpen. Niet voor ieder bestanddeel van de tenlastelegging is immers een tweede bewijsmiddel noodzakelijk. Het feit dat alleen aangeefster heeft verklaard over het duwen van verdachte is geen belemmering om tot een bewezenverklaring te komen nu haar verklaring voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen. Vasstaat immers dat [slachtoffer] met een mes meermalen is gestoken door medeverdachte in een auto waarin ook aangeefster en verdachte aanwezig waren. Het past in die lijn dat op het moment dat aangeefster probeert haar vader te helpen de verdachte probeert om aangeefster hierin te beletten.

Nu verdachte aangeefster tijdens de steekpartij meerdere malen met zodanige kracht heeft weggeduwd dat zij werd belet haar vader te beschermen tegen nieuwe stekende bewegingen van medeverdachte, is de rechtbank van oordeel dat aangeefster bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij er hierdoor voor zou zorgen dat medeverdachte aangever ongehinderd (potentieel) dodelijk letsel zou toebrengen. Het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is van opzet, slaagt daarom niet.

De vraag is of dit handelen is aan te merken als medeplegen of medeplichtigheid.

De rechtbank vindt dat de bijdrage van medeverdachte van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking met verdachte die was gericht op de dood van [slachtoffer] . Verdachte is weliswaar samen met medeverdachte in de auto gestapt om hulp te halen en wist dat medeverdachte een mes bij zich had, maar uit het dossier blijkt onvoldoende dat zij wist dan wel redelijkerwijs had kunnen of moeten vermoeden dat medeverdachte in de auto zou gaan steken. Dat zij [dochter van slachtoffer] gaat duwen op het moment dat verdachte al op [slachtoffer] aan het steken is, maakt dit niet anders. Het duwen is beperkt gebleven tot enige momenten in de auto, terwijl medeverdachte ook is blijven steken toen
al de auto uit was. Verdachte heeft zich toen afzijdig gehouden door in de auto te blijven. Nu het aandeel van de verdachte in tijd en handelingen beperkt is gebleven vindt de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken. Dit oordeel wordt niet anders doordat verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer] op enig moment heeft geschopt. Uit haar verklaringen noch uit de overige bewijsmiddelen is op te maken op welk moment en onder welke omstandigheden zij [slachtoffer] heeft geschopt zodat niet is vaststellen of zij hiermee een bijdrage heeft geleverd dan wel had kunnen leveren aan het feit.

Wel vindt de rechtbank bewezen dat verdachte medeplichtige is aan de poging doodslag nu zij [dochter van slachtoffer] heeft belet om haar vader te helpen, terwijl medeverdachte op [slachtoffer] aan het steken was.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

[medeverdachte] op of omstreeks 9 juni 2017 in de gemeente Putten, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp en/of met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp in de nek/hals en/of in het (boven)lichaam heeft/hebben gestoken/geprikt en/of

gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 juni 2017 in de gemeente Putten en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest doordat zij toen en daar opzettelijk [dochter van slachtoffer] ervan heeft weerhouden en/of die [dochter van slachtoffer] heeft verhinderd voornoemde [medeverdachte] - toen hij [slachtoffer] met het mes en/of de schaar, althans een scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp in de nek/hals en/of het (boven)lichaam stak/prikte/sneed- af te weren en/of anderszins haar vader te ontzetten en/of te

helpen;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Toerekeningsvatbaarheid

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het psychologisch onderzoek van het NIFP. Zij bevond zich ten tijde van het onderzoek vermoedelijk in Polen. Ook voor de reclassering was het niet mogelijk om opnieuw contact te krijgen met verdachte zodat zij geen advies heeft kunnen uitbrengen. Niettemin acht de rechtbank voldoende informatie aanwezig om de toerekeningsvatbaarheid van verdachte te beoordelen. Daarbij acht zij het volgende van belang.

Uit een verdachte betreffend trajectconsult van 7 juli 2017, opgesteld door een forensisch psychiater, komt naar voren dat verdachte zich erg bedreigd voelde in de situatie voorafgaand aan het feit. Dit heeft mogelijk invloed gehad op hetgeen hierna heeft plaatsgevonden. Verder lijken er aanwijzingen te bestaan voor een eventuele persoonlijkheidsproblematiek en emotionele afhankelijkheid van haar vriend [de rechtbank leest: medeverdachte].

Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte die avond ernstig psychisch in de war was. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat medebewoners haar wilden verkrachten, reden waarom zij en medeverdachte hun kamer waren ontvlucht en de straat op waren gerend voor hulp. Ook aangever heeft verklaard dat verdachte in paniek was toen zij op straat stond te zwaaien voor hulp en bij hem in de auto stapte. Verder blijkt uit het procesdossier dat verdachte eerder die avond doodsbang naar de huisbaas heeft gebeld en dat wat zij zei, nergens op sloeg. Daarnaast is eerder die avond met het telefoontoestel van verdachte meerdere malen naar 112 gebeld.

Tevens volgt uit de verklaringen van verdachte dat zij kort voor het ten laste gelegde uit eigen keuze samen met medeverdachte amfetamine heeft gebruikt (zij: een derde gram) en drie glazen wodka heeft gedronken. Gelet op bovenstaande verklaringen, bezien in het licht van de gebeurtenissen die avond en de context waarin deze hebben plaatsgevonden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte, evenals medeverdachte, ten tijde van het ten laste gelegde onder invloed van middelen zodanig in de war was dat sprake was van waangedachten. Dit blijkt ook uit de eerste verklaring die verdachte op de ochtend van 10 juni 2017 bij de politie heeft afgelegd. In deze verklaringen doet zij uitingen waaruit is af te leiden dat de waangedachten nog steeds aanwezig zijn.

Daar het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van drugs en alcohol van invloed kan zijn op de psychische toestand, is de rechtbank van oordeel dat verdachte kon weten dat het gebruik van bovenstaande middelen niet geheel is ontbloot van enig risico en dat deze middelen haar functioneren zodanig konden beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor haar handelen en de gevolgen daarvan, maar in verminderde zin. De rechtbank komt aldus tot een ander oordeel dan de officier van justitie, die verdachte volledig toerekeningsvatbaar acht.

Verdachte is dan ook strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte preventief heeft vastgezeten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd en verwezen naar de bepleite integrale vrijspraak. Wel heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte ruim drie maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat haar detentie, gelet op de duur, de hieraan verbonden beperkingen en de taalbarrière, een grote impact op haar heeft gehad.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd
4 oktober 2017;

- een trajectconsult, opgesteld door forensisch psychiater A.M.H. van der Sligte, gedateerd
7 juli 2017;

- een multidisciplinair rapport van J.M. de Jonge, GZ-psycholoog in opleiding tot specialist, gedateerd 19 oktober 2017;

- verdachte betreffende reclasseringsadviezen gedateerd 12 juni en 26 oktober 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in deze zaak in het bijzonder het volgende in

aanmerking genomen.

Verdachte en medeverdachte komen in april 2017 naar Nederland om te werken en krijgen in

dat verband op 9 juni 2017 een kamerwoning in Putten tot hun beschikking. Hun eerste indruk

van de kamer is niet goed en zij voelen zich er niet thuis. Omdat zij een paar dagen vrij hebben,

willen zij zich een avond laten gaan. Zij delen een gram amfetamine met elkaar. Dit resulteert

erin dat het bij hun al aanwezige onbehagen versterkt wordt en zij achterdochtig en angstig

worden. Zij worden bang dat de andere mensen in de woning hen wat willen aandoen. Zij

drinken ondertussen ieder twee à drie glazen wodka. Dit versterkt hun inmiddels paranoïde

gedachten waardoor zij omgevingsgeluiden en goede bedoelingen van medebewoners verkeerd

interpreteren en gezamenlijk volledig in een waan raken. Vanuit een paranoïde waan dat

medebewoners hen, vooral verdachte, wat aan willen doen, willen zij de woning

ontvluchten. Medeverdachte wil daartoe een afleidingsmanoeuvre creëren en steekt eerst kleren

op een tafel in de brand om zo rook te ontwikkelen. De brand, die levensgevaar voor anderen

heeft veroorzaakt, wordt tijdig opgemerkt en geblust door een medebewoner. Beide verdachten

rennen ondertussen weg bij de woning op zoek naar hulp. Aangekomen bij een huis in de buurt

vernielt medeverdachte met een mes de ruit van een woning – naar zijn zeggen omdat hij klopte

om hulp te vragen. Omdat er niemand thuis is, lopen zij verder en komen zij op de openbare

weg. Zij zwaaien naar voorbijgaande auto’s voor hulp. Medeverdachte bekrast het raam van

een voorbijkomende auto, terwijl verdachte de bestuurder verward aanklampt voor hulp. Ten

slotte mogen zij instappen bij vader en [dochter van slachtoffer] omdat vader vermoedt dat de beide

verdachte geen hulp krijgen omdat zij de taal niet spreken. De vluchttocht van beide verdachten

eindigt tenslotte in een voor vader en [dochter van slachtoffer] bijna fatale en vermoedelijk levenslang

traumatiserende avond.

[slachtoffer] rijdt die avond met zijn 15-jarige dochter in de auto en ziet verdachten in de

schemering op straat in paniek zwaaien en gebaren. Ondanks de bedenkingen van zijn dochter,

besluit hij verdachten te helpen en hen op hun verzoek naar het politiebureau te brengen. Kort

nadat verdachten achterin de auto zijn ingestapt, komt hen een politieauto tegemoet rijden.

Omdat [slachtoffer] niet stopt voor deze politieauto beginnen de verdachten ook [slachtoffer] te

wantrouwen. Als [slachtoffer] een rustige weg inslaat die naar het politiebureau in Putten leidt,

interpreteert medeverdachte dit vanuit zijn waan alsof [slachtoffer] in het complot hoort van de mensen in de

woning die hen wat wilden aan doen. Medeverdachte begint daarop als een dolle stier met een

mes op [slachtoffer] in te steken. Als [dochter van slachtoffer] haar vader te hulp wil komen, begint

medeverdachte ook in de richting van haar arm te steken. Verdachte belet [dochter van slachtoffer] haar

vader te beschermen door haar meerdere malen weg te duwen. Uit angst voor haar leven springt

[dochter van slachtoffer] uit de langzaam rijdende auto, waardoor ze haar vader noodgedwongen alleen

met verdachten achterlaat. Uiteindelijk lukt het [slachtoffer] , die zwaar gewond is en hevig

bloedt, nog net om de intercom van het politiebureau te bereiken. Hij wordt met de ambulance

naar het ziekenhuis gebracht, waar hij wordt geopereerd. In het ziekenhuis wordt duidelijk dat

hij een groot aantal diepe messteken in zijn nek, hals, borst, armen, handen en zijn gezicht heeft.

Ook is zijn linker long geraakt, waardoor hij een klaplong krijgt. Later blijkt dat meerdere letsels

potentieel dodelijk waren en het op een haar na had gescheeld of hij had de aanval niet

overleefd. Hierna volgt voor [slachtoffer] een lange revalidatie. Hij heeft ernstig functieverlies in

zijn rechter arm en het is onzeker of hij – ook na een nieuwe nog plaats te vinden operatie – ooit

volledig zal herstellen en zijn werkzaamheden weer zal kunnen uitvoeren. Tevens heeft hij een

groot aantal blijvend zichtbare littekens op zijn lichaam en zijn gezicht.

Ter zitting hebben vader, dochter en moeder [slachtoffer] op heldere en krachtige wijze tot uiting

gebracht hoe zij dagelijks worden geconfronteerd met de fysieke en psychische gevolgen van

het handelen van verdachten en hoe pijnlijk het voor hen is om steeds weer aan deze vreselijke

avond te worden herinnerd. [dochter van slachtoffer] heeft op jonge leeftijd moeten zien hoe haar vader

voor haar ogen in hun auto werd neergestoken. Voorts heeft medeverdachte haar proberen te

steken, hetgeen bij haar voor hevige gevoelens van angst heeft gezorgd. Het handelen van

verdachten heeft bij haar een acute stressstoornis veroorzaakt en voorts negatieve gevolgen

gehad voor haar herstel van reeds bestaande psychische problemen. Haar ouders maken zich

ernstig zorgen om haar gezondheid en verdere ontwikkeling. Ook het leven van [slachtoffer] is

voorgoed veranderd. Hij is fysiek beperkt aan zijn handen en heeft continu pijn, terwijl het

werken met zijn handen zijn lust en zijn leven is en hij altijd actief bezig was. Als gevolg van de

gebeurtenissen is bij [slachtoffer] een depressieve stoornis en een acute stressstoornis ontstaan,

waarvoor hij onder behandeling staat en medicatie gebruikt. Tevens is hij angstig geworden om

anderen te helpen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een levensdelict, een van de ernstigste strafbare feiten. Ondanks het feit dat [slachtoffer] verdachten enkel wilde helpen, heeft medeverdachte op hem ingestoken met een mes, terwijl verdachte [dochter van slachtoffer] een paar keer heeft weggeduwd. Hierdoor heeft verdachte ervoor gezorgd dat medeverdachte enige tijd ongehinderd zijn gang kon gaan. Door haar handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Verdachte mag van geluk spreken dat het letsel van [slachtoffer] niet fataal is geweest.

Gelet op de ernst van het feit is alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank zal daartoe ook overgaan maar komt tot een aanzienlijk lagere straf dan de officier

van justitie heeft geëist. Dat heeft de volgende redenen.

In de eerste plaats heeft de rechtbank minder bewezen verklaard dan de officier van justitie, nu

zij verdachte heeft aangemerkt als medeplichtige en niet als medepleger. De wet schrijft voor

dat bij medeplichtigheid de straf die geldt voor het gronddelict, in dit geval poging tot doodslag,

met een derde wordt verminderd.

Daarnaast wordt een gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie doorgaans alleen

opgelegd bij een levensdelict waarbij het slachtoffer ook daadwerkelijk is overleden én de dader

volledig toerekeningsvatbaar is. Hoewel het in dit geval slechts een haar scheelde of [slachtoffer]

had werkelijk dodelijk letsel opgelopen, heeft hij de aanval gelukkig overleeft. Het

bewezen verklaren van een poging heeft tot gevolg dat aanzienlijk minder straf wordt opgelegd

dan bij een voltooid delict.

Vervolgens wordt het feit dat verdachte heeft gepleegd haar verminderd toegerekend omdat

zij handelde vanuit een waan en zij haar beslissingen volledig baseerde op die waanvoorstelling.

Dat de feiten haar voor een deel wel worden aangerekend, komt omdat zij die waan zelf heeft

veroorzaakt. Zij had amfetamine en alcohol gebruikt. Overigens niet in dusdanig hoge mate dat

het past om haar hier een zeer fors verwijt van te maken. Dit maakt dat de verminderde

toerekeningsvatbaarheid sterk in de strafmaat tot uitdrukking wordt gebracht.

Tot slot is verdachte een 19-jarige vrouw die niet eerder met politie en justitie in aanraking is

geweest. Tot aan die negende juni leidde zij een niet ongebruikelijk leven dat erop gericht was

om samen met haar vriend voldoende geld te verdienen om een toekomst op te bouwen. In

plaats van dat dit gelukt is, is het de negende juni volledig uit de hand gelopen en in een bizarre

avond geëindigd. Daarbij heeft ook het leven van verdachte een wending genomen die zij niet

had gewild en die zij maar heel beperkt heeft kunnen voorzien.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de

duur van 6 maanden opleggen.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich ter zake van het ten laste gelegde feit in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 40.125,89, waarvan € 25.000,- aan immateriële schade. Het resterende bedrag aan materiële schade bestaat – zakelijk weergegeven - uit medische kosten, schade aan de auto, telefoon, kleding, kosten huishoudelijke hulp en zelfredzaamheid en gederfde inkomsten. Tevens is toepassing van de wettelijke rente, te rekenen vanaf 9 juni 2017, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, waarbij is verzocht verdachte en medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade.

Ook namens benadeelde partij [dochter van slachtoffer] is een verzoek tot schadevergoeding ingediend, dat weliswaar deels – maar wel in belangrijke mate - betrekking heeft op het aan verdachte ten laste gelegde. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 20.000,- voor geleden immateriële schade. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft benadeelde psychisch letsel oplopen. Immers, door hun toedoen is haar vader voor haar ogen meerdere malen gestoken. Hierdoor vreesde zij enige tijd voor het leven van haar vader. Tevens is verzocht om toepassing van de wettelijke rente met ingang van 9 juni 2017 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen ingediend door benadeelden
[slachtoffer] en [dochter van slachtoffer] volledig toe te wijzen. Volgens haar zijn de vorderingen inhoudelijk niet al te gecompliceerd van aard en goed onderbouwd. Verder zijn de bedragen van de immateriële schade allerzins redelijk, gelet op de ernst van de strafbare feiten en in het licht van schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken zijn toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen dienen te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daarbij is primair verwezen naar de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat
[dochter van slachtoffer] geen slachtoffer is in de zaak tegen verdachte.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] is voorts naar voren gebracht dat, gelet op het tijdstip van indienen, de hoogte en de hoeveelheid opgevoerde posten waaronder toekomstige schade is begrepen, behandeling van de vordering een onevenredige belasting op het strafproces legt. Voor zover verdachte toch als medeplichtige wordt aangemerkt, heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de rol van verdachte dusdanig beperkt is geweest dat dit tot uitdrukking moet komen in een eventuele toekenning van schade. Daarbij is tevens een beroep gedaan op de draagkracht van verdachte. Daarnaast geldt voor beide vorderingen dat de hoofdelijke veroordeling niet nader is onderbouwd en dat ook overigens niet is voldaan aan het criterium dat geldt voor groepsaansprakelijkheid zodat er geen grond is voor hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de schade, aldus de raadsvrouw.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] overweegt de rechtbank als

volgt. Zoals hierboven uiteen is gezet, heeft de rechtbank verdachte als deelnemer aan het bewezenverklaarde feit aangemerkt door haar als medeplichtige aan poging tot doodslag op benadeelde te veroordelen. Op grond hiervan kan verdachte (mede) aansprakelijk worden gesteld voor de door de benadeelde rechtstreeks door het feit geleden schade. De rechtbank is van oordeel dat de geleden schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze haar als een gevolg van haar handelen kan worden toegerekend. Immers heeft verdachte er door haar handelen voor gezorgd dat medeverdachte enige momenten ongehinderd kon insteken op benadeelde. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vordering inzichtelijk en – op een paar posten navoldoende is onderbouwd en tijdig is ingediend zodat de vordering zich leent voor behandeling binnen het strafproces.

Voor de vaststelling van de immateriële schade van benadeelde neemt de rechtbank in aanmerking de ernst van het bewezenverklaarde feit, het aantal en de aard van de toegebrachte verwondingen, de blijvend zichtbare littekens in zijn nek, gezicht, borst, arm en handen, het functieverlies in zijn rechterhand, de lange revalidatie, de onzekerheid of hij ooit volledig zal herstellen en zijn werkzaamheden weer zal kunnen uitoefenen, alsmede de psychische stoornis(sen) die hij als gevolg van het feit heeft ontwikkeld. Daar de medische eindsituatie van benadeelde thans nog onduidelijk is, acht de rechtbank volledige toewijzing van de immateriële schade in dit stadium prematuur. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank een bedrag van

€ 20.000,- aan immateriële schade redelijk acht. Daarbij heeft de rechtbank tevens aansluiting gezocht bij bedragen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn toegewezen.

De geleden materiële schade komt ook voor toewijzing in aanmerking met uitzondering van onderstaande posten.

  • -

    Voor wat betreft de auto blijkt uit de stukken dat verdachte zo’n € 500,- heeft moeten inleveren op de dagwaarde van de auto als gevolg van mankementen veroorzaakt door het feit. Daarbij opgeteld de reinigingskosten van de auto die € 1.000,- bedragen, zal de rechtbank de schadevergoeding voor de auto bepalen op € 1.500,-.

  • -

    Verder overweegt de rechtbank dat informatie over het type/model mobiele telefoon, die als gevolg van het feit moest worden vervangen, ontbreekt. De rechtbank acht voor de telefoon daarom een schadevergoeding van schattenderwijs € 100,- redelijk.

  • -

    Voor wat betreft de gemaakte reiskosten voor het vervoer naar de rechtbank op 17 november 2017, naar de advocaat en de officier van justitie, zal de rechtbank een standaardkilometervergoeding van € 0,19 in plaats van € 0,26 toepassen, omdat de Letselschade Richtlijn hierop niet van toepassing is.

1425,8 gemaakte kilometers minus:

o 139,8 (advocaat)

o 116 (officier van justitie)

o 103 (bijwonen zitting)

o 103 (bijwonen uitspraak: benadeelde liet later weten niet te komen)

= 964 kilometers x 0,26 = € 250,64

358 gemaakte kilometers (advocaat, officier van justitie, zitting) x 0,19 = € 68,17

De rechtbank zal de schadevergoeding voor wat betreft de reiskosten daarom naar beneden bijstellen tot € 318,81. Daarbij zal de rechtbank de reiskosten gemaakt in het kader van de strafzaak van benadeelde, begroot op € 68,17, aanmerken als proceskosten.

  • -

    Ten aanzien van het salarisverlies van de echtgenote van benadeelde is de rechtbank van oordeel dat de (gestelde) daadwerkelijke schade onvoldoende is onderbouwd. Wel ziet zij in hetgeen is aangevoerd aanleiding om aansluiting te zoeken bij de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp en daarbij € 1.000,- op te tellen voor de zelfredzaamheid. Dit maakt dat de rechtbank uitkomt op een bedrag van € 2.050,- , zoals subsidiair gevorderd.

  • -

    Voor wat betreft de gederfde inkomsten van benadeelde tot nu toe, overweegt de rechtbank dat deze onvoldoende zijn onderbouwd nu de brief van [bedrijf] van 14 november 2017 geen concrete salarisinformatie bevat en deze informatie, zoals een loonstrook, ook overigens ontbreekt.

  • -

    Voor de gevorderde toekomstige schade geldt dat deze onvoldoende gemotiveerd is gesteld en om die reden eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Gezien het voorgaande bepaalt de rechtbank de materiële schade op € 6.973,32 zodat het totale schadebedrag wordt vastgesteld op € 6.973,32 + € 20.000,- = € 26.973,32, te vermeerderen met de wettelijk rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017. Daarnaast worden de door de benadeelde gemaakte proceskosten, in de zin van reiskosten gemaakt ten behoeve van de strafzaak, tot op heden begroot op € 68,17.

Gezien de rol van verdachte als medeplichtige, ziet de rechtbank reden verdachte en medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door benadeelde geleden schade en aan hen hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, te vermeerderen met de wettelijk rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017. Ook is verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de door benadeelde gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 68,17.

Dat verdachte, een jonge vrouw, nu en de in toekomst nimmer financieel in staat zal zijn om de geleden schade te vergoeden is niet nader onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk geworden. Daar komt bij dat de draagkracht in beginsel in de executiefase aan de orde dient te worden gesteld. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden tot matiging van de betalingsverplichting.

Vordering benadeelde partij [dochter van slachtoffer]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [dochter van slachtoffer] overweegt de rechtbank als

volgt.

De rechtbank acht het aannemelijk dat benadeelde partij schade heeft geleden doordat zij heeft moeten zien dat haar vader veelvuldig door medeverdachte werd gestoken en ernstig bloedde. De situatie was daarnaast heel hectisch, zij raakte begrijpelijkerwijs in paniek en vluchtte met achterlating van haar vader. Toen zij terugkwam heeft zij haar vader ernstig verwond zien liggen, onder het bloed en heeft zij telefonisch hulp moeten zoeken. Zij heeft zijn hoofd op haar schoot gelegd en was afscheid aan het nemen van hem omdat zij echt dacht dat hij dood ging.

Het mag voor zich spreken dat dit alles voor een 15-jarige zeer ingrijpend is geweest. Door het direct waarnemen van de ingrijpende gebeurtenissen en de ernstige gevolgen dan, is sprake van een hevige emotionele schok waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Dit is door de benadeelde partij onderbouwd (medische stukken van 14 november 2017). De bewezenverklaarde gebeurtenissen hebben een negatieve invloed (gehad) op het herstel van een eerder bij haar geconstateerde depressie. Terwijl benadeelde in mei 2017 nog een duidelijke vooruitgang liet zien en de behandeling werd afgebouwd, moest de therapie na de zomer worden geïntensiveerd vanwege hevige angstgevoelens, herbelevingen, nachtmerries en een neerwaartse stemming. De geschatte behandelduur bedraagt zes tot twaalf maanden, aldus de behandelend psychologen. Bovendien hebben de bewezenverklaarde feiten volgens de medische stukken een aanvullende psychische stoornis veroorzaakt (acute stressstoornis). Er is daarmee sprake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De rechtbank concludeert dat sprake is van aantasting in de persoon van [dochter van slachtoffer] in de vorm van ‘shockschade’ en dat verdachte als medeplichtige hiervoor mede aansprakelijk is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat verdachte door het bewezenverklaarde heeft bijgedragen aan de gevoelens van stress, paniek en onmacht bij benadeelde, door haar te verhinderen haar vader tijdens de steekpartij tegen medeverdachte te beschermen. Het verweer, dat aangeefster geen slachtoffer is in de strafzaak van verdachte, wordt dan ook verworpen.

Het gevorderde bedrag van € 20.000,- vindt de rechtbank te hoog. Doorgaans wordt pas meer dan € 10.000, toegekend in geval van een confrontatie met een overlijden. De rechtbank zal het bedrag van de vordering, voor zover deze ziet op het ten laste gelegde, vaststellen op € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017. Voor het overige zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Gezien de rol van verdachte als medeplichtige, ziet de rechtbank reden verdachte en medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door benadeelde geleden schade tot een bedrag van € 10.000,- en aan hen ten aanzien van dit bedrag hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, te vermeerderen met de wettelijk rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017.

9 Beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen kleding wordt geretourneerd.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen, nog niet teruggeven kleding, dient te worden teruggegeven aan de rechthebbenden (zie beslaglijst van 17 november 2017).

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 26.973,32 (zegge zesentwintigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 veroordeelt veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op € 68,17 (zegge achtenzestig euro en zeventien eurocent) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] bovenstaand bedrag aan begrote proceskosten, is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [dochter van slachtoffer] ter tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 10.000,- (zegge tienduizend) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verklaart de vordering van de benadeelde partij [dochter van slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 26.973,32 (zegge zesentwintigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal (bij wettelijke rente) van de hoofdsom, 169 (honderdnegenenzestig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[dochter van slachtoffer] te betalen een bedrag van € 10.000,- (tienduizend) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal (bij wettelijke rente) van de hoofdsom, 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [dochter van slachtoffer] , daarmee de verplichting van veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] het schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan ten aanzien van dit deel van het bedrag zal zijn bevrijd;

 gelast de teruggave van de onder veroordeelde in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding (zie beslaglijst van 17 november 2017).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en
mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2017.

Bijlage I.

1.

Primair

zij op of omstreeks 09 juni 2017 te Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp en/of met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en of snijdend voorwerp, in de nek/hals en/of in het (boven)lichaam heeft/hebben gestoken/geprikt en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 9 juni 2017 in de gemeente Putten, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp en/of met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp in de nek/hals en/of in het (boven)lichaam heeft/hebben gestoken/geprikt en/of

gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 juni 2017 in de gemeente Putten en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest doordat zij toen en daar opzettelijk [dochter van slachtoffer] ervan heeft weerhouden en/of die [dochter van slachtoffer] heeft verhinderd voornoemde [medeverdachte] - toen hij [slachtoffer] met het mes en/of de schaar, althans een scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp in de nek/hals en/of het (boven)lichaam stak/prikte/sneed- af te weren en/of anderszins haar vader te ontzetten en/of te

helpen;

1 De volledige tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht in bijlage I.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL201707040931.zsd, gesloten op 14 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever p. 26 en 28.

4 Proces-verbaal van aangifte [dochter van slachtoffer] p. 69.

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [dochter van slachtoffer] , p. 75.

6 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte p. 254.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 282 en 284.

8 Proces-verbaal sporenonderzoek, foto 9, p. 141.

9 Geneeskundige verklaring letselbeschrijving p. 1-2 (niet doorgenummerd in het dossier).