Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6186

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
05/720193-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelde een 25-jarige man tot een gevangenisstraf van respectievelijk 3 jaar. De man werd veroordeeld voor poging doodslag, poging zware mishandeling, vernieling en brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720193-17

Datum uitspraak : 1 december 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven te [adres 1] ,

[woonplaats] in Polen,

thans gedetineerd te P.I. Overijssel - HvB Zwolle te Zwolle.

Raadsman: mr. W.C. Den Daas, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 november 2017.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij samen met een ander op 9 juni 2017 in Putten:

  1. heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden door hem te steken met een mes of een ander scherp voorwerp;

  2. heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden door haar te steken met een mes of een ander scherp voorwerp, dan wel dat hij samen met een ander heeft geprobeerd haar zwaar letsel toe te brengen met een mes of ander scherp voorwerp, dan wel dat hij samen met een ander heeft geprobeerd haar te bedreigen door haar met een mes of een scherp voorwerp in de hand te achtervolgen;

  3. brand heeft aangestoken in een woning waardoor er gevaar ontstond voor mensen en goederen;

  4. een ruit van de woning van dhr. [slachtoffer 3] heeft vernield;

  5. een autoruit van de auto van mw. [slachtoffer 4] heeft vernield.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

Aanleiding onderzoek

Op 9 juni 2017 ontving de politie een melding dat er een bloedend persoon bij het politiebureau in Putten stond. Ter plaatse trof de politie [slachtoffer 1] en zijn dochter [slachtoffer 2] aan.
[slachtoffer 1] zat onder het bloed en had meerdere verwondingen. [slachtoffer 2] gaf aan dat haar vader was neergestoken door een Poolse man en een Poolse vrouw. Even later werden laatst genoemde personen als verdachten aangehouden. Verder bleek dat er eerder die dag in Putten brand is gesticht in een woning aan de [adres 2] en dat er die avond ook een ruit in een woning aan de [straatnaam 1] en een autoportier zijn vernield dan wel beschadigd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, het onder 2 primair en het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken dan wel hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft geheel gehandeld vanuit een psychose zodat de feiten hem niet zijn toe te rekenen en er geen sprake is van opzet. Evenmin is sprake van culpa in causa. Weliswaar heeft verdachte die dag een combinatie van middelen gebruikt, hij is echter niet bekend met psychotische symptomen, ook niet na eerder middelengebruik, zodat hij waarschijnlijk niet kon weten dat er een mogelijkheid bestond dat hij psychotisch zou ontregelen. Ten aanzien van feit 2 is voorts naar voren gebracht dat er geen steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 2] , inhoudende dat verdachte (tevens) naar haar stekende bewegingen heeft gemaakt, zodat ook om die reden vrijspraak moet volgen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de feiten bespreken in de volgorde waarop op 9 juni 2017 de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Het opzet verweer van de raadsman wordt daarna besproken.

Feit 3

Bewijsmiddelen

Namens EE Accomodations, verhuurder van een woning gelegen aan de [adres 2] in Putten, heeft medewerker [naam 1] verklaard dat er op 9 juni 2017 brand is gesticht op een tafel in een kamer op de eerste verdieping van het pand. De woning is onderverdeeld in meerdere woonruimtes die worden onderverhuurd.3

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) een kamer in een woning in Putten had betrokken. Later die dag heeft hij met behulp van wodka iets in brand gestoken in de kamer.4

Medeverdachte heeft verklaard dat iemand haar kleding, nadat deze doordrenkt was met wodka, in brand heeft gestoken in hun kamer.5

Getuige [getuige 1] , woonachtig aan de [adres 2] in Putten, heeft verklaard dat een huisgenoot hem vertelde dat de ‘vluchtende mensen’, te weten de twee nieuwe Poolse bewoners, iets in brand hadden gestoken. Aangekomen op de kamer van bovenstaande bewoners, zag getuige dat een tafel dicht bij het raam in brand stond en dat er veel rook was. Getuige heeft de brand geblust.6

Namens Flexcraft, onderhuurder van bovenstaand pand, heeft medewerker [naam 2] verklaard dat ten tijde van de brand in totaal zo’n 18 personen in het pand aanwezig waren.7

In bovenstaande woning en kamer heeft een forensisch onderzoek plaatsgevonden. Gelet op de aangetroffen brandsporen wordt geconcludeerd dat in de kamer brand is geweest. Op basis van de aanwezigheid van brandbare stoffen in de kamer en gezien de locatie, een afgetimmerde zolderverdieping, is er tijdens de brand gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten geweest, aldus het onderzoek.8

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte brand heeft gesticht in de kamer door opzettelijk kledingstukken op een tafel in brand te steken. Tevens leidt de rechtbank uit de resultaten van bovenstaand forensisch onderzoek, gelezen in onderlinge samenhang met de verklaringen van eerder genoemde getuigen, af dat door de brandstichting niet alleen gemeen gevaar voor goederen, maar tevens levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige (mede)bewoners van het pand aanwezig was. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het procesdossier en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen voor de conclusie dat sprake is van medeplegen zodat zij verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

Feit 4

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 3] , woonachtig aan de [adres 3] in Putten, heeft verklaard dat hij op 9 juni 2017 bij thuiskomst zag dat er een ruit van zijn keukendeur was ingeslagen.9

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij twee personen vanuit de richting van de [straatnaam 2] over de [straatnaam 1] zag lopen. Een paar minuten later hoorde zij doffe klappen. Het klonk alsof er een ruit werd ingeslagen bij de buren, aldus getuige.10

Medeverdachte heeft verklaard dat zij en haar vriend, verdachte, bij een huis kwamen en dat verdachte met zijn mes een ruit in de deur kapot maakte om de deur van binnenuit open te doen.11

Verdachte heeft verklaard dat hij hard tegen het raam van de woning heeft geklopt c.q. gebonkt en dat hij vanaf het moment dat hij en medeverdachte hun woning in Putten hadden verlaten, steeds een mes in zijn hand heeft gehad.12

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ruit van aangever heeft stuk gemaakt. Het verweer van verdachte ter zitting dat hij geen opzet had op vernieling van de ruit, maar dat hij enkel hard op de ruit heeft gebonkt om hulp te zoeken, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Uit de verklaringen van medeverdachte volgt namelijk dat hij de ruit van de deur kapot heeft gemaakt omdat hij deze van binnenuit wilde openen. Ook heeft getuige [getuige 2] doffe klappen gehoord. Dit past bij hard slaan in plaats van het op een ruit bonken om hulp te zoeken. De rechtbank acht het feit dan ook bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het procesdossier en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen voor de conclusie dat sprake is van medeplegen zodat zij verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

Feit 5

Bewijsmiddelen

Aangeefster [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij op 9 juni 2017 met haar Volvo ( [kenteken] ) over de [straatnaam 1] in Putten reed, toen een Poolse man en een jonge vrouw over de weg zwalkten. De vrouw probeerde het bijrijdersportier van aangeefster te openen en vroeg in het Engels om hulp. Direct daarop zag aangeefster dat de man de vrouw aan de kant duwde en met een mes op het raam van het bijrijdersportier begon te krassen. Hierdoor zijn er twee krassen op de ruit ontstaan.13

Op 9 juni 2017 kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de [straatnaam 3] in Putten. Ter plaatse zagen zij een voertuig voorzien van kenteken [kenteken] . Verbalisanten zagen dat op het raam aan de bijrijderszijde van het voertuig een kras zat.14

Verdachte heeft verklaard dat een mevrouw in een auto bij een rotonde is gestopt en tegen hem en medeverdachte zei dat zij hen niet ging helpen. Ook heeft hij verklaard dat hij vanaf het moment dat hij en medeverdachte hun woning in Putten hadden verlaten, steeds een mes in zijn hand heeft gehad.15

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een mes op het autoportier van aangeefster heeft gekrast en hierdoor het portier opzettelijk heeft beschadigd. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het procesdossier en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen voor de conclusie dat sprake is van medeplegen zodat zij verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Feit 1 en 2

Bewijsmiddelen

Gelet op de samenhang tussen feit 1 en 2 zal de rechtbank de van belang zijnde bewijsmiddelen gezamenlijk behandelen, waarbij elk bewijsmiddel slechts is gebruikt voor het feit waarop het volgens zijn inhoud betrekking heeft.

Aangever [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat hij op 9 juni 2017 samen met zijn dochter met de auto in Putten reed en dat bij een rotonde (ter hoogte van de [straatnaam 4] en de [straatnaam 1] ) een jong stel stond te zwaaien en te gebaren. Hij kreeg de indruk dat de man en de vrouw hulp nodig hadden en liet hen achterin instappen. Ze wilden naar het politiebureau. De vrouw ging achter hem zitten en de man nam schuin rechts van hem, achter de bijrijdersstoel, plaats. Tijdens het rijden kwam de man als een dolle stier tussen de stoelen naar voren en begon aangever als een gek te stompen. [slachtoffer 1] heeft de auto op de handrem gezet, in zijn vrij. Hij deed zijn portier open en wilde uitstappen. De man was toen al achter de auto langs naar [slachtoffer 1] toegelopen en begon hem weer te stompen. Ook toen [slachtoffer 1] de auto indook om de autosleutel te pakken, heeft de man hem nog gestompt.16

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man ineens in het midden van de achterbank ging zitten en vanuit het niets met zijn hand snelle slaande bewegingen maakte richting de schouder, nek en het hoofd van haar vader. Zij zag direct bloed op haar vader en op het stuur van de auto. Hierop probeerde zij de man te slaan. Zij pakte de arm van de man vast, maar die rukte zich los. Terwijl [slachtoffer 2] nog naar de man zat gedraaid en hem probeerde te slaan, zag zij dat de man haar probeerde te steken en stekende/slaande bewegingen in haar richting maakte. Zij zag dat hij haar in haar rechter arm probeerde te steken. Ze kon haar arm op tijd wegtrekken.17 Zij zag en voelde dat de vrouw, met haar beide armen en handen, onder de armen van die man door, krachtig tegen haar armen en handen begon te duwen. Zij deed dit meermalen. De vrouw duwde haar naar achteren toe. Hierdoor kon zij niet langer haar vader helpen.18

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij aangever in de auto heeft aangevallen en hem meerdere malen met een mes heeft gestoken.19 Het mes waarmee verdachte heeft gestoken, heeft een lemmet van circa 9 centimeter en een driehoekige spitse punt.20

Uit een geneeskundige verklaring letselbeschrijving, opgesteld door een forensische arts van de GGD, blijkt dat op 14 juni 2017 onder meer het volgende letsel bij aangever is waargenomen: vele scherprandige huidverwondingen waaronder op de overgang van de rechter schouder naar de nek (20 mm), op de rechter wang (25 mm), linker oorschelp, rechter borst (20 mm) en linker borst (20 mm), huidinkervingen door scherprandig voorwerp (10 mm) achterzijde midden onder de nek en rechter schouder, 80 mm lange verticale snijverwonding aan de rechter hals. Gehecht zijn: huidletsels, letsel zenuw, drie pezen en slagader in rechter onderarm. Ook moest een klaplong (links) worden behandeld en was sprake van twee gebroken ribben rechts en links op de plaats van de messteken.

De arts heeft geconcludeerd dat de waargenomen letsels zijn toegebracht door een scherp voorwerp zoals een mes. De (mes)steken in de borst hadden vitale structuren zoals het hart(zakje) of de aorta kunnen raken. De linker long is geraakt, hetgeen heeft geleid tot een klaplong. Indien de (mes)steken enkele centimeters verderop terecht waren gekomen, zou een groot risico zijn ontstaan op een dodelijk verloop door ernstige verbloeding in de borstkas. In een dergelijke situatie kan een slachtoffer binnen 30 tot 60 minuten dodelijk verbloeden. De (mes)steken in de nekregio en hals hebben geen vitale structuren geraakt. Indien dat wel het geval was geweest, dan was een dodelijk beloop of levenslang neurologisch uitval denkbaar geweest. De (mes)steken in de rechter arm zijn potentieel ernstig invaliderend. Tijdig afdrukken van de slagader en behandeling heeft de restschade beperkt. Ook een slagaderlijk bloeding uit de arm kan dodelijk verlopen. Naar verwachting van de plastische chirurg kan het herstel van de zenuwfunctie in de rechter hand 200 dagen duren en kan de restfunctie van de rechter onderarm- en hand pas later worden bepaald.21

Bewijsoverwegingen feit 1

Opzet op het toebrengen van dodelijk letsel

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht heeft gestoken met een mes met lemmet van ongeveer 9 centimeter. Dit was in eerste instantie van korte afstand in een kleine ruimte, te weten een auto. Hoewel [slachtoffer 1] al meermalen was geraakt en direct ernstig ging bloeden heeft verdachte hem ook nog gestoken buiten de auto. [slachtoffer 1] is geraakt in de hals, nek, borst en arm/hand. Dit zijn plekken van het lichaam waar zich kwetsbare en vitale organen bevinden zoals de longen en het hart. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de messteken tot de dood van [slachtoffer 1] hadden kunnen leiden, als deze enkele centimeters verder in het lichaam terecht waren gekomen, waar zich vitale structuren bevinden, of indien de slagaderlijke bloeding in de rechter arm niet tijdig was afgedrukt en behandeld.

Vanwege de aard van het mes, de kracht van het steken, de veelvuldigheid van het steken en de plaatsen waar [slachtoffer 1] is geraakt, concludeert de rechtbank dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is geweest op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank vindt de poging doodslag daarom bewezen.

Medeplegen of medeplichtigheid

Medeverdachte heeft in de auto meerdere malen met kracht geduwd tegen de armen en de handen van [slachtoffer 2] . Zij heeft er daardoor voor gezorgd dat [slachtoffer 2] haar vader niet langer kon helpen en dat verdachte in ieder geval enige tijd ongehinderd zijn gang kon gaan.

De vraag is of dit handelen is aan te merken als medeplegen of medeplichtigheid.

De rechtbank vindt dat de bijdrage van medeverdachte van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking met verdachte die was gericht op de dood van [slachtoffer 1] . Medeverdachte is weliswaar samen met verdachte in de auto gestapt om hulp te halen en wist dat verdachte een mes bij zich had, maar uit het dossier blijkt onvoldoende dat zij al eerder wist dan wel redelijkerwijs had kunnen of moeten vermoeden dat verdachte in de auto zou gaan steken. Dat zij [slachtoffer 2] gaat duwen op het moment dat verdachte al op [slachtoffer 1] aan het steken is, maakt dit niet anders. Het duwen is beperkt gebleven tot enige momenten in de auto, terwijl verdachte ook is blijven steken toen [slachtoffer 1] al de auto uit was. Medeverdachte heeft zich toen afzijdig gehouden door in de auto te blijven. Nu het aandeel van de medeverdachte in tijd en handelingen beperkt is gebleven, vindt de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken. Dit oordeel wordt niet anders doordat medeverdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 1] op enig moment heeft geschopt. Uit haar verklaringen noch uit de overige bewijsmiddelen is op te maken op welk moment en onder welke omstandigheden zij [slachtoffer 1] heeft geschopt zodat niet is vaststellen of zij hiermee een bijdrage heeft geleverd dan wel had kunnen leveren aan het feit.

Bewijsoverwegingen feit 2

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte in de auto tevens stekende bewegingen in de richting van haar arm heeft gemaakt. Het verweer van de raadsman, dat de verklaringen van aangeefster niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, slaagt niet. Uit de bewijsmiddelen die hierboven zijn vermeld, blijkt immers dat verdachte in de auto als een dolle stier te keer ging en dat hij met een mes in zijn hand met kracht stekende bewegingen maakte richting [slachtoffer 1] . Aangeefster heeft vervolgens geprobeerd haar vader te helpen en heeft verklaard dat, direct voordat verdachte in haar richting begon te steken, zij probeerde om verdachte te slaan teneinde hem te stoppen haar vader aan te vallen. Deze verklaring van aangeefster vindt de rechtbank aannemelijk nu deze naadloos past in hetgeen zich heeft voorgedaan in de auto. Zij wilde haar vader helpen waarop de belager van haar vader zich tegen haar keerde.

Niet voor ieder bestanddeel van de tenlastelegging is bovendien een tweede bewijsmiddel noodzakelijk. Het feit dat alleen aangeefster heeft verklaard over het steken richting haar, is in het licht van de andere aanwezige bewijsmiddelen daarom geen belemmering om tot een bewezenverklaring te komen.

Op grond van de hierboven beschreven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte vanuit de achterbank – aldus van korte afstand en in een kleine ruimte – met een scherp mes in zijn hand stekende bewegingen in de richting van de arm van aangeefster heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door deze handelswijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat, indien aangeefster haar arm niet tijdig had weggetrokken, zij zodanig zou zijn geraakt in haar arm dat zij zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat met het steken naar iemands arm de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de ander de dood hierdoor zal vinden. Om die reden komt de rechtbank niet tot bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging doodslag.

De rechtbank vindt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te bewijzen dat verdachte ook richting het hoofd van aangeefster heeft gestoken. Aangeefster heeft verklaard dat zij in paniek uit de auto is gesprongen en dat zij toen voelde dat er iets langs haar hoofd door haar haren ging. Aangeefster zag dat de hand van verdachte tussen de hoofdsteun en het portier in haar richting ging. Nu de rechtbank in deze panieksituatie teveel ruimte ziet voor misinterpretatie van hetgeen er is gebeurd, acht zij de enkele verklaring van aangeefster over deze specifieke situatie te weinig om de overtuiging te bekomen dat verdachte heeft geprobeerd aangeefster in de richting van haar hoofd te steken.

Voor zover verdachte vervolgens met het mes in de hand achter aangeefster is aangerend, overweegt de rechtbank dat deze enkele handeling geen poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk – laat staan levensbedreigend – letsel oplevert.

De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken. Wel komt zij, gezien hetgeen eerder is overwogen, tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van medeplegen.

Bespreking (algemeen) opzetverweer feit 1 tot en met 5

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte volledig heeft gehandeld vanuit een psychose zodat er geen sprake is van opzet. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van opzet in de weg staat, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal overigens slechts bij hoge uitzondering sprake zijn

(ECLI:NL:HR:2010:BK8507, vgl. HR 9 december 2008, LJN BD2775, NJ 2009, 157).

Uit de verklaringen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte op verschillende momenten keuzes heeft gemaakt. Uit die keuzes blijkt dat hij wel enig inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen had. Zo heeft verdachte verklaard dat hij hun (vermeende) belagers in de woning wilde afleiden en dat hij hiertoe brand heeft gesticht om zo rook te produceren. Het was een afleidingsmanoeuvre om zo de woning te kunnen ontvluchten. Ook heeft hij verklaard dat hij de ruit van de woning heeft ingeslagen omdat hij de bewoners binnen om hulp wilde vragen en dat hij aangever in de auto met het mes heeft gestoken omdat hij bang was dat aangever hen ook wat aan wilde doen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten niet was verstoken van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zodat zijn psychose niet aan de bewezenverklaring van opzet in de weg staat.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp en/of met een schaar, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en of snijdend voorwerp, in de nek/hals en/of in het bovenlichaam heeft/hebben gestoken/geprikt en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als volgt heeft gehandeld, hebbende hij, verdachte:

- met zijn hand(en) een stekende beweging gemaakt in de richting van de armen en/of het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, op dat moment een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn hand vasthield/had en/of (toen die [slachtoffer 1] te voet vluchtte voor verdachte)

- al rennend die [slachtoffer 1] achtervolgd/gevolgd, terwijl hij, verdachte, op dat moment (nog immer) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn hand vasthield/had,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door de vlam van een aansteker en/of de vlam van een lucifer, in ieder geval open vuur in aanraking te brengen met kledingstukken, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan in een kamer (in een woning waarin kamers worden verhuurd) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inventaris/meubilair van die woning en/of de andere kamers en/of de inventaris/meubilair in die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige (mede)bewoner(s) van (andere) kamer(s) in die woning, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige (mede)bewoner(s) van (andere) kamer(s) in die woning, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele toebehoorde aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [slachtoffer 3] , heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk en wederrechtelijk een auto(ruit), merk Volvo,

in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele toebehoorde aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [slachtoffer 4] , heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Voor zover er in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Ten aanzien van feit 5:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Toerekeningsvatbaarheid

Psychiater L.H.W.M. Kaiser (hierna: Kaiser) heeft onderzoek gedaan naar de geestelijke gesteldheid van verdachte (rapport 12 september 2017) en is hierover ter zitting gehoord. Uit het onderzoek komt kort gezegd naar voren dat ten tijde van het ten laste gelegde bij verdachte waarschijnlijk sprake was van een kortdurende psychotische stoornis. Verdachte verkeerde in een paranoïde waan, waardoor hij ervan overtuigd was dat hij werd bedreigd door medebewoners. De paranoïde waan is veroorzaakt door het gebruik van amfetamine op een moment dat verdachte reeds achterdocht had naar zijn medebewoners. Verdachte kende het effect van amfetamine- en alcoholgebruik en heeft in zijn jeugd bij zijn vader gezien dat alcoholgebruik tot agressie kan leiden. Er zijn geen aanwijzingen voor persoonlijkheids-problematiek.

Samenvattend komt Kaiser tot de conclusie dat verdachte niet geheel vanuit de psychose heeft gehandeld en verschillende keuzemomenten heeft gehad, maar dat hij wel de keuze maakte om zo te handelen op basis van zijn paranoïde waandenken. Gelet hierop dient verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd, aldus Kaiser.

Ook psycholoog M.L. de Groot (hierna: De Groot) concludeert in haar onderzoek (rapport 11 september 2017) en haar mondelinge toelichting hierop ter zitting dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose verkeerde. Volgens haar heeft het gebruik van drugs en alcohol een hoofdrol gespeeld in het uitlokken van de psychose. Vanuit de psychose van verdachte was er sprake van een volledige paranoïde inkleuring en perceptie van gebeurtenissen, omgevingsfactoren, maar ook beweegredenen van mensen die hem te hulp kwamen. Hierdoor was er geen enkele ruimte voor verdachte om vrije keuzes te maken, hetgeen in beginsel tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid leidt. Anderzijds heeft verdachte bij zijn volle verstand drugs en alcohol gebruikt en zijn er geen aanwijzingen voor een mogelijk onderliggende persoonlijkheidspathologie en/of verslavingsproblematiek samenhangend met zijn middelengebruik. Op grond van het voorgaande adviseert De Groot om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vaststaat dat verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde amfetamine en vervolgens wodka heeft gebruikt. Volgens verdachte gaat het om twee derde gram amfetamine en heeft hij samen met medeverdachte een vijfde van een fles Wodka van ongeveer 0,5 of 0,7 liter gedronken. Verder volgt uit de verklaringen van verdachte dat hij vaker amfetamine heeft gebruikt en dat hij wist dat het gebruik van amfetamine effect heeft op zijn psychische toestand, dat hij hiervan opgewonden raakt. Ook heeft hij bij zijn vader gezien dat het gebruik van alcohol tot agressie kan leiden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte kon weten dat het gebruik van bovenstaande middelen niet geheel ontbloot is van enige risico en dat deze middelen zijn functioneren zodanig konden beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het psychisch functioneren na het gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt. Dat het gebruik daarvan voor verdachte zó verstrekkende gevolgen heeft gehad, namelijk dat hij daardoor in een psychose is geraakt, heeft hij kennelijk op de koop toegenomen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen, maar in verminderde zin. De rechtbank zal dan ook de conclusies van de deskundigen overnemen en verdachte verminderd toerekeningsvatbaar achten.

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, het onder 2 primair en het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van de tijd die verdachte al preventief heeft vastgezeten. In de strafeis is rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verwezen naar de bepleite vrijspraak dan wel het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging en zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de strafeis van de officier van justitie geen recht doet aan de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 oktober 2007;

- een verdachte betreffend psychiatrisch onderzoek van 12 september 2017, opgesteld door psychiater Kaiser;

- een verdachte betreffend psychologisch onderzoek van 26 augustus 2017, opgesteld door psycholoog De Groot; en

- verdachte betreffende reclasseringsadviezen van 12 juni en 9 oktober 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in deze zaak in het bijzonder het volgende in

aanmerking genomen.

Verdachte en medeverdachte komen in april 2017 naar Nederland om te werken en krijgen in

dat verband op 9 juni 2017 een kamerwoning in Putten tot hun beschikking. Hun eerste indruk

van de kamer is niet goed en zij voelen zich er niet thuis. Omdat zij een paar dagen vrij hebben,

willen zij zich een avond laten gaan. Zij delen een gram amfetamine met elkaar. Dit resulteert

erin dat hun al aanwezige onbehagen versterkt wordt en zij achterdochtig en angstig

worden. Zij worden bang dat de andere mensen in de woning hen wat willen aandoen. Zij

drinken ondertussen ieder twee à drie glazen wodka. Dit versterkt hun inmiddels paranoïde

gedachten waardoor zij omgevingsgeluiden en goede bedoelingen van medebewoners verkeerd

interpreteren en gezamenlijk volledig in een waan raken. Vanuit een paranoïde waan dat

medebewoners hen, vooral medeverdachte, wat aan willen doen, willen zij de woning

ontvluchten. Verdachte wil daartoe een afleidingsmanoeuvre creëren en steekt eerst kleren op

een tafel in de brand om zo rook te ontwikkelen. De brand, die levensgevaar voor anderen heeft

veroorzaakt, wordt tijdig opgemerkt en geblust door een medebewoner. Beide verdachten

rennen ondertussen weg bij de woning op zoek naar hulp. Aangekomen bij een huis in de buurt

vernielt verdachte met een mes een ruit van deze woning – naar zijn zeggen omdat hij klopte om

om hulp te vragen. Omdat er niemand thuis is, lopen zij verder en komen zij op de openbare

weg. Zij zwaaien naar voorbijgaande auto’s voor hulp. Verdachte bekrast het raam van een

voorbijkomende auto, terwijl medeverdachte de bestuurder verward aanklampt voor hulp. Ten

slotte mogen zij instappen bij vader en dochter [slachtoffer 1] omdat vader vermoedt dat de beide

verdachte geen hulp krijgen omdat zij de taal niet spreken. De vluchttocht van beide verdachten

eindigt tenslotte in een voor vader en dochter [slachtoffer 1] bijna fatale en vermoedelijk levenslang

traumatiserende avond.

Vader [slachtoffer 1] rijdt die avond met zijn 15-jarige dochter in de auto en ziet verdachten in de

schemering op straat in paniek zwaaien en gebaren. Ondanks de bedenkingen van zijn dochter,

besluit hij verdachten te helpen en hen op hun verzoek naar het politiebureau te brengen. Kort

nadat verdachten achterin de auto zijn ingestapt, komt hen een politieauto tegemoet rijden.

Omdat vader [slachtoffer 1] niet stopt voor deze politieauto beginnen de verdachten ook vader [slachtoffer 1] te

wantrouwen. Als vader [slachtoffer 1] een rustige weg inslaat die naar het politiebureau in Putten leidt,

interpreteert verdachte dit vanuit zijn waan alsof [slachtoffer 1] in het complot hoort van de mensen in de

woning die hen wat wilden aan doen. Verdachte begint daarop als een dolle stier met een mes

op vader [slachtoffer 1] in te steken. Als dochter [slachtoffer 1] haar vader te hulp wil komen, steekt verdachte

ook in de richting van haar arm. Medeverdachte belet dochter [slachtoffer 1] haar vader te

beschermen door haar meerdere malen weg te duwen. Uit angst voor haar leven springt dochter

[slachtoffer 1] uit de langzaam rijdende auto, waardoor ze haar vader noodgedwongen alleen met

verdachten achterlaat. Uiteindelijk lukt het vader [slachtoffer 1] , die zwaar gewond is en hevig bloedt,

nog net om de intercom van het politiebureau te bereiken. Hij wordt met de ambulance naar het

ziekenhuis gebracht, waar hij wordt geopereerd. In het ziekenhuis wordt duidelijk dat hij een

groot aantal diepe messteken in zijn nek, hals, borst, armen, handen en zijn gezicht heeft. Ook is

zijn linker long geraakt, waardoor hij een klaplong krijgt. Later blijkt dat meerdere letsels

potentieel dodelijk waren en het op een haar na had gescheeld of hij had de aanval niet

overleefd. Hierna volgt voor vader [slachtoffer 1] een lange revalidatie. Hij heeft ernstig functieverlies in

zijn rechter arm en het is onzeker of hij – ook na een nieuwe nog plaats te vinden operatie - ooit

volledig zal herstellen en zijn werkzaamheden weer zal kunnen uitvoeren. Tevens heeft hij een

groot aantal blijvend zichtbare littekens op zijn lichaam en zijn gezicht.

Ter zitting hebben vader, dochter en moeder [slachtoffer 1] op heldere en krachtige wijze tot uiting

gebracht hoe zij dagelijks worden geconfronteerd met de fysieke en psychische gevolgen van

het handelen van verdachten en hoe pijnlijk het voor hen is om steeds weer aan deze vreselijke

avond te worden herinnerd. Dochter [slachtoffer 1] heeft op jonge leeftijd moeten zien hoe haar vader

voor haar ogen in hun auto werd neergestoken. Ook heeft verdachte naar haar een stekende

beweging gemaakt, hetgeen bij haar eveneens tot hevige gevoelens van angst heeft gezorgd. Het

handelen van verdachten heeft bij haar een acute stressstoornis veroorzaakt en voorts negatieve

gevolgen gehad voor haar herstel van reeds bestaande psychische problemen. Haar ouders

maken zich ernstig zorgen om haar gezondheid en verdere ontwikkeling. Ook het leven van

vader [slachtoffer 1] is voorgoed veranderd. Hij is fysiek beperkt aan zijn rechter hand en heeft continu

pijn, terwijl het werken met zijn handen zijn lust en zijn leven is en hij altijd actief bezig was.

Als gevolg van de gebeurtenissen is bij vader [slachtoffer 1] een depressieve stoornis en een acute

stressstoornis ontstaan, waarvoor hij onder behandeling staat en medicatie gebruikt. Tevens is

hij angstig geworden om anderen te helpen.

Verdachte heeft zich (onder meer) schuldig gemaakt aan een levensdelict, een van de ernstigste

strafbare feiten. Terwijl vader [slachtoffer 1] verdachten enkel wilde helpen, heeft verdachte hem vele

malen gestoken met een mes en tevens een stekende beweging naar dochter [slachtoffer 1] gemaakt, die

haar ernstig had kunnen verwonden. Door zijn handelen heeft verdachte een zeer ernstige

inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van vader en dochter [slachtoffer 1] en

het grootste bezit van vader [slachtoffer 1] , zijn leven, op het spel gezet. Verdachte mag van geluk

spreken dat het letsel van vader [slachtoffer 1] niet fataal is geweest. Daarnaast heeft verdachte brand

gesticht, waardoor levensgevaar voor anderen is ontstaan, en vernielingen veroorzaakt.

Voor ernstige feiten als deze past alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

De rechtbank zal daartoe ook overgaan maar komt tot een aanzienlijk lagere straf dan de officier

van justitie heeft geëist. Dat heeft de volgende redenen.

In de eerste plaats heeft de rechtbank minder bewezen verklaard dan de officier van justitie. Zo

heeft zij medeverdachte aangemerkt als medeplichtige en niet als medepleger. Ten aanzien van

dochter [slachtoffer 1] heeft de rechtbank niet de poging doodslag bewezenverklaard maar de poging

zware mishandeling.

Daarnaast wordt een gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie doorgaans alleen

opgelegd bij een levensdelict waarbij het slachtoffer ook daadwerkelijk is overleden én de dader

volledig toerekeningsvatbaar is. Hoewel het in dit geval slechts een haar scheelde of [slachtoffer 1]

had werkelijk dodelijk letsel opgelopen, heeft hij de aanval gelukkig overleeft en heeft zijn

dochter geen fysiek letsel opgelopen. Het bewezen verklaren van een poging heeft tot gevolg dat

aanzienlijk minder straf wordt opgelegd dan bij een voltooid delict.

Vervolgens worden de feiten die verdachte heeft gepleegd hem verminderd toegerekend omdat

hij handelde vanuit een waan en hij zijn beslissingen volledig baseerde op die waanvoorstelling.

Dat de feiten hem desondanks voor een deel wel worden aangerekend, komt omdat hij die waan

zelf heeft veroorzaakt. Hij had amfetamine en alcohol gebruikt. Overigens niet in dusdanig hoge

mate dat het past om hem hier een zeer fors verwijt van te maken. Dit maakt dat de verminderde

toerekeningsvatbaarheid sterk in de strafmaat tot uitdrukking wordt gebracht.

Tot slot is verdachte een 25-jarige jongeman die niet eerder met politie en justitie in aanraking is

geweest. Tot aan die negende juni leidde hij een niet ongebruikelijk leven dat erop gericht was

om samen met zijn vriendin voldoende geld te verdienen om een toekomst op te bouwen. In

plaats van dat dit gelukt is, is het de negende juni volledig uit de hand gelopen en in een bizarre

avond geëindigd. Daarbij heeft ook het leven van verdachte een wending genomen die hij niet

had gewild en die hij maar heel beperkt heeft kunnen voorzien. Hoewel verdachte zijn emoties

niet gemakkelijk kon uiten, heeft hij wel aangegeven zijn handelen richting vader en dochter

[slachtoffer 1] als een levensmislukking te zien. Ook hij moet de rest van zijn leven met de gevolgen van

zijn handelen leven.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de

duur van 3 jaar opleggen.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich ter zake van feit 1 in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 40.125,89, waarvan € 25.000,- aan immateriële schade. Het resterende bedrag aan materiële schade bestaat – zakelijk weergegeven – uit medische kosten, schade aan de auto, telefoon, kleding, kosten huishoudelijke hulp en zelfredzaamheid en gederfde inkomsten. Tevens is toepassing van de wettelijke rente, te rekenen vanaf 9 juni 2017, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, waarbij is verzocht verdachte en medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade.

Ook namens benadeelde partij [slachtoffer 2] is een verzoek tot schadevergoeding ingediend, dat betrekking heeft op zowel feit 1 als feit 2. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 20.000,- voor geleden immateriële schade. Door het handelen van verdachte heeft benadeelde psychisch letsel oplopen. Verdachte heeft geprobeerd haar te steken, waardoor zij vreesde voor haar leven. Ook is haar vader voor haar ogen meerdere malen gestoken en was zij bang dat hij het niet zou overleven. Tevens is verzocht om toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tot slot heeft zich de benadeelde [slachtoffer 4] in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van feit 5. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 650,- in verband met krassen op haar auto(portier), te vermeerderen met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen ingediend door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig toe te wijzen. Volgens haar zijn de vorderingen inhoudelijk niet al te gecompliceerd van aard en goed onderbouwd. Verder zijn de bedragen van de immateriële schade alleszins redelijk, gelet op de ernst van de strafbare feiten en in het licht van schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken zijn toegewezen.

Ten aanzien van de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 4] , heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden toegewezen, daar het geschatte bedrag in het licht van de geconstateerde schade niet meer dan redelijk is.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman gesteld dat de vorderingen, ingediend door bovenstaande benadeelde partijen, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, waarbij is verwezen naar de bepleite vrijspraak dan wel het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman voor wat betreft de vorderingen ingediend door benadeelde partijen [slachtoffer 1] aangevoerd dat deze buitengewoon lijvig en zodanig gecompliceerd zijn dat behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien worden diverse door benadeelde [slachtoffer 1] opgevoerde posten betwist. Ten aanzien van de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de raadsman tevens naar voren gebracht dat de geschatte geleden schade niet met stukken is onderbouwd, terwijl dit wel had gekund want het feit heeft maanden geleden plaatsgevonden zodat ook om die reden niet-ontvankelijkheid moet volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank als

volgt. Vaststaat dat benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit. De rechtbank neemt in aanmerking de ernst van het bewezenverklaarde feit, het aantal en de aard van de toegebrachte verwondingen, de blijvend zichtbare littekens in zijn nek, gezicht, borst, arm en handen, het functieverlies in zijn rechterhand, de lange revalidatie, de onzekerheid of hij ooit volledig zal herstellen en zijn werkzaamheden weer zal kunnen uitoefenen, alsmede de psychische stoornis(sen) die hij als gevolg van het feit heeft ontwikkeld.

Daar de medische eindsituatie van benadeelde thans nog onduidelijk is, acht de rechtbank volledige toewijzing van de immateriële schade in dit stadium prematuur en zal het toegekende bedrag om die reden lager uitvallen dan de vordering. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade redelijk acht. Daarbij heeft de rechtbank tevens aansluiting gezocht bij bedragen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn toegewezen.

De geleden materiële schade komt ook voor toewijzing in aanmerking met uitzondering van onderstaande posten.

  • -

    Voor wat betreft de auto blijkt uit de stukken dat verdachte zo’n € 500,- heeft moeten inleveren op de dagwaarde van de auto als gevolg van mankementen veroorzaakt door het feit. Daarbij opgeteld de reinigingskosten van de auto die € 1.000,- bedragen, zal de rechtbank de schadevergoeding voor de auto bepalen op € 1.500,-.

  • -

    Verder overweegt de rechtbank dat informatie over het type/model mobiele telefoon, die als gevolg van het feit moest worden vervangen, ontbreekt. De rechtbank acht voor de telefoon daarom een schadevergoeding van schattenderwijs € 100,- redelijk.

  • -

    Voor wat betreft de gemaakte reiskosten voor het vervoer naar de rechtbank op 17 november 2017, naar de advocaat en de officier van justitie, zal de rechtbank een standaardkilometervergoeding van € 0,19 in plaats van € 0,26 toepassen, omdat de Letselschade Richtlijn hierop niet van toepassing is.

1425,8 gemaakte kilometers minus:

o 139,8 (advocaat)

o 116 (officier van justitie)

o 103 (bijwonen zitting)

o 103 (bijwonen uitspraak: benadeelde liet later weten niet te komen)

= 964 kilometers x 0,26 = € 250,64

358 gemaakte kilometers (advocaat, officier van justitie, zitting) x 0,19 = € 68,17

De rechtbank zal de schadevergoeding voor wat betreft de reiskosten daarom naar beneden bijstellen tot € 250,64 + € 68,17 = € 318,81. Daarbij zal de rechtbank de reiskosten gemaakt in het kader van de strafzaak van benadeelde, begroot op € 68,17, aanmerken als proceskosten.

  • -

    Ten aanzien van het salarisverlies van de echtgenote van benadeelde is de rechtbank van oordeel dat de (gestelde) daadwerkelijke schade onvoldoende is onderbouwd. Wel ziet zij in hetgeen is aangevoerd aanleiding om aansluiting te zoeken bij de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp en daarbij € 1.000,- op te tellen voor de zelfredzaamheid. Dit maakt dat de rechtbank uitkomt op een bedrag van € 2.050,- , zoals subsidiair gevorderd.

  • -

    Voor wat betreft de gederfde inkomsten van benadeelde tot nu toe, overweegt de rechtbank dat deze onvoldoende zijn onderbouwd nu de brief van Nimatech B.V. van 14 november 2017 geen concrete salarisinformatie bevat en deze informatie, zoals een loonstrook, ook overigens ontbreekt.

  • -

    Voor de gevorderde toekomstige schade geldt dat deze onvoldoende gemotiveerd is gesteld en om die reden eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Gezien het voorgaande bepaalt de rechtbank de materiële schade op € 6.973,32 zodat het totale schadebedrag wordt vastgesteld op € 6.973,32 + € 20.000,- = € 26.973,32, te vermeerderen met de wettelijk rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017. Daarnaast worden de door de benadeelde gemaakte proceskosten, in de zin van reiskosten gemaakt ten behoeve van de strafzaak, tot op heden begroot op € 68,17.

Verder ziet de rechtbank, gezien de rol van medeverdachte als medeplichtige aan feit 1, aanleiding verdachte en medeverdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door benadeelde geleden schade en aan hen hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, te vermeerderen met de wettelijk rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017. Ook is medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 68,17.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het aannemelijk dat benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat verdachte geprobeerd heeft haar te steken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat
[slachtoffer 2] schade heeft geleden doordat zij heeft moeten zien dat haar vader veelvuldig werd gestoken en ernstig bloedde. De situatie was daarnaast heel hectisch, zij raakte begrijpelijkerwijs in paniek en vluchtte met achterlating van haar vader. Toen zij terugkwam heeft zij haar vader ernstig verwond zien liggen, onder het bloed en heeft zij telefonisch hulp moeten zoeken. Zij heeft zijn hoofd op haar schoot gelegd en was afscheid aan het nemen van hem omdat zij echt dacht dat hij dood ging.

Het mag voor zich spreken dat dit alles voor een 15-jarige zeer ingrijpend is geweest. Door het direct waarnemen van de ingrijpende gebeurtenissen en de ernstige gevolgen dan, is sprake van een hevige emotionele schok waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Dit is door de benadeelde partij onderbouwd (medische stukken van 14 november 2017). De bewezenverklaarde gebeurtenissen hebben een negatieve invloed (gehad) op het herstel van een eerder bij haar geconstateerde depressie. Terwijl benadeelde in mei 2017 nog een duidelijke vooruitgang liet zien en de behandeling werd afgebouwd, moest de therapie na de zomer worden geïntensiveerd vanwege hevige angstgevoelens, herbelevingen, nachtmerries en een neerwaartse stemming. De geschatte behandelduur bedraagt zes tot twaalf maanden, aldus de behandelend psychologen. Bovendien hebben de bewezenverklaarde feiten volgens de medische stukken een aanvullende psychische stoornis veroorzaakt (acute stressstoornis). Er is daarmee sprake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De rechtbank concludeert dat sprake is van aantasting in de persoon van [slachtoffer 2] in de vorm van ‘shockschade’. De rechtbank heeft voor het bepalen van de hoogte van de schade aansluiting gezocht bij min of meer soortgelijke zaken. Het gevorderde bedrag van € 20.000,- vindt de rechtbank te hoog. Doorgaans wordt pas meer dan € 10.000, toegekend in geval van een confrontatie met een overlijden. Nu [slachtoffer 2] zelf ook slachtoffer is geworden van een poging zware mishandeling en een deel van haar schade ook daaruit voortvloeit, wordt een bedrag van € 10.000,- echter te laag geacht. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 11.000,-, waarvan € 10.000,- geldt als ‘shockschade’ voor feit 1 en de overige € 1.000,- als schade voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de pleegdatum, te weten 9 juni 2017. Voor het overige zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Verder ziet de rechtbank, mede gelet op de rol van medeverdachte als medeplichtige aan feit 1, aanleiding verdachte en medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor vergoeding van de door benadeelde als gevolg van feit 1 geleden schade, te weten € 10.000,-. Voor betaling van het resterende schadebedrag van € 1.000,- voor feit 2 is alleen verdachte aansprakelijk. Tevens zal de rechtbank aan verdachte en medeverdachte hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor bovenstaand bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijk rente met ingang van 9 juni 2017. Voor het resterende schadebedrag van € 1.000,- zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel alleen aan verdachte opleggen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 9 juni 2017.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]

Ten aanzien van de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 4] tot slot, overweegt de rechtbank dat de geleden schade rechtstreeks voortkomt uit het bewezenverklaarde feit. Daar de hoogte van de schade niet nader is onderbouwd, acht de rechtbank een vergoeding van € 150,- redelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 9 juni 2017. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9 Beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer en de in beslag genomen kleding wordt geretourneerd.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte het in beslag genomen (klap)mes heeft gebruikt bij het plegen van bovenstaande strafbare feiten en dat dit derhalve dient te worden onttrokken aan het verkeer. Verder dient de onder verdachte en de onder [slachtoffer 1] in beslag genomen kleding aan hen te worden geretourneerd (zie beslaglijst van 17 november 2017).

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57, 157, 287, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van feit 1 toe tot het hierna te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 26.973,32 (zegge zesentwintigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 veroordeelt veroordeelde ter zake van feit 1 in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op € 68,17 (zegge achtenzestig euro en zeventien eurocent) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] bovenstaand bedrag aan proceskosten, is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van feit 1 en 2 toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 11.000,- (zegge elfduizend) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] een deel van het schadebedrag groot € 10.000,- (zegge tienduizend euro) is betaald, veroordeelde daarvan ten aanzien van dit deel van het schadebedrag zal zijn bevrijd;

 verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van feit 5 toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt veroordeelde tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 150,- (zegge honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] ter zake van feit 1 te betalen een bedrag van € 26.973,32 (zegge zesentwintigduizend negenhonderddrieënzeventig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal (bij wettelijke rente) van de hoofdsom, 169 (honderdnegenenzestig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader [medeverdachte] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] ter zake van feit 1 en 2 te betalen een bedrag van € 11.000,- (elfduizend) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal (bij wettelijke rente) van de hoofdsom, 90 (negentig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door [medeverdachte] een deel van het schadebedrag, te weten € 10.000,- (tienduizend euro) ter zake van feit 1 is betaald, veroordeelde daarvan ten aanzien van dit deel van het bedrag zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 150,- (honderdvijftig) euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal (bij wettelijke rente) van de hoofdsom, 3 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4], daarmee de verplichting van veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het onder veroordeelde in beslag genomen (klap)mes;

 gelast de teruggave van de onder benadeelde partij [slachtoffer 1] in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding (zie beslaglijst van 17 november 2017);

 gelast de teruggave van de onder veroordeelde in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding (zie beslaglijst van 17 november 2017).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en
mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2017.

1 De volledige tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht in bijlage I.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL201707040931.zsd, gesloten op 14 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Proces-verbaal van aangifte p. 143.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2017.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] p. 282.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 155.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 146.

8 Proces-verbaal sporenonderzoek p. 196-198.

9 Proces-verbaal aangifte p. 111.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 113-114.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] p. 283.

12 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2017.

13 Proces-verbaal van verhoor aangever p. 125-127.

14 Proces-verbaal van bevindingen p. 131.

15 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2017.

16 Proces-verbaal van verhoor aangever p. 26 en 28.

17 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] p. 69.

18 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] , p. 75.

19 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2017.

20 Proces-verbaal van sporenonderzoek, foto 9, p. 141.

21 Geneeskundige verklaring letselbeschrijving p. 1-2 (niet doorgenummerd in het dossier).