Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:617

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
05/881181-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een man 28-jarige man uit Nijmegen veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan de helft voorwaardelijk, wegens mishandeling, vernieling en bedreiging van meerdere personen. De opgelegde bijzondere voorwaarden en de bevolen vrijheidsbeperkende maatregelen heeft de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881181-16

Datum uitspraak : 2 februari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman: mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 19 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de maand april 2016 te Nijmegen (in cafe de drie gezusters)

[slachtoffer 1] (verdachtes ex-vriendin) heeft mishandeld door haar een

kopstoot in haar gezicht, althans tegen haar hoofd te geven;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 mei 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, opzettelijk

en wederrechtelijk een autobinnenspiegel, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 29 mei 2016 tot en met 19 juni 2016 te

Nijmegen, althans in Nederland (telkens)

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (via sms-berichten of ingesproken berichten)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling

en/of met verkrachting en/of met brandstichting, immers heeft verdachte

opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend

de woorden toegevoegd :

"wat praat jij een onzin met [naam 3] laatst beter doe je niet zo stoer sla jou ook je oogkas kapot als je nog een keer wat hoor

"en/of:

" komen elkaar nog wel tegen :) 1 rechtzaak meer maak ook geen verschil, kom

zo wel even naar je huis"

en/of:

"jij hebt 1 grote fout gemaakt onthoudt dat, you can run but you can't

hide!!! "en/of: "misschien sta ik wel eens naast je bed of in de achtertuin 's

avonds"

en/of: "Als mij mij denk de dreigen via [naam 4] moet je vooral doen

dan pak ik jou en je kind en je honden eindigen op de bodem van het kanaal"

en/of: "hoop dat ze jou verkrachten voor de ogen van je kind dat die toe moet

kijken"

en/of: "zodra je in Nijmegen bent mensen gaan mij een seintje geven"

en/of ( [slachtoffer 2] )"ik steek de voliére van je vader in de fik"

, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Nijmegen

[slachtoffer 3] (in een telefoongesprek) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling

en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 3] dreigend de

woorden toegevoegd :" ik gooi een brandbom naar binnen" en/of: " ik steek je

banden lek, ik steek je auto in de fik, ik steek je huis in de fik, ik gooi

een handgranaat naar binnen en ik schiet met een pistool naar binnen",

", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling, de onder 2 ten laste gelegde vernieling en de onder 3 en 4 ten laste gelegde bedreigingen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 4 bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman betoogd dat [slachtoffer 1] in haar aangifte van 3 augustus 2016 diverse incidenten heeft benoemd, maar niet de mishandeling waarvan zij op 23 juni 2016 aangifte heeft gedaan. Verder heeft zij haar vader niet verteld van de mishandeling en heeft zij bij getuige [getuige 1] aanvankelijk een andere verklaring voor haar letsel gegeven. Nu verdachte ontkent en zijn broer en vriend verklaren dat verdachte geen kopstoot heeft gegeven, meent de raadsman dat verdachte moet worden vrijgesproken. Wat betreft feit 2 ontkent verdachte dat hij tegen [getuige 2] heeft gezegd dat hij de autospiegel kapot heeft geslagen. Hij suggereert dat [getuige 2] dit van [slachtoffer 1] heeft gehoord. Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman betoogd dat verdachte ontkent [slachtoffer 3] te hebben bedreigd. De stemherkenning is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, nu [slachtoffer 3] op dat gebied niet deskundig is.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bedreiging ten laste gelegd onder feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op een zaterdag eind april 2016 in café De Drie Gezusters in Nijmegen was. Ze was met [getuige 3] , naar de rechtbank begrijpt: [getuige 3] . Aangeefster zag verdachte. Ze negeerden elkaar. Toen ze langs hem liep om een ander deel van het café binnen te gaan kreeg ze ineens vanuit het niets een kopstoot van verdachte. Ze voelde pijn en het begon te bloeden tussen haar wenkbrauwen boven haar neus en ze voelde dat het begon te zwellen.2

Volgens getuige [getuige 3] is [slachtoffer 1] een keer op een zaterdag mishandeld in café De Drie Gezusters in Nijmegen. Zij en [slachtoffer 1] wilden naar het bredere deel van het café en moesten daartoe het smallere gedeelte voorbij. Ze wisten niet dat verdachte er ook was en moesten hem op het smalle gedeelte passeren. Vanuit het niets gaf verdachte [slachtoffer 1] een kopstoot.3

Getuige [getuige 6] , de neef van verdachte, heeft verklaard dat hij van [slachtoffer 1] en van verdachte heeft gehoord dat verdachte [slachtoffer 1] een kopstoot heeft gegeven. [slachtoffer 1] had volgens hem een dikke bult op haar voorhoofd.4

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen af dat verdachte [slachtoffer 1] in april 2016 een kopstoot heeft gegeven in café De Drie Gezusters in Nijmegen. [getuige 3] was hiervan getuige en [getuige 6] heeft het dezelfde avond van zowel verdachte als van [slachtoffer 1] gehoord. Voor zover de raadsman heeft gewezen op de schriftelijke verklaringen van [naam 1] en [naam 2] , die hij ter terechtzitting heeft overgelegd, overweegt de rechtbank dat deze verklaringen geen enkele tijdsaanduiding bevatten. Uit het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte wekelijks met [naam 1] en [naam 2] gaat/ging stappen bij De Drie Gezusters dan wel andere cafés in de directe omgeving. Aan voornoemde verklaringen hecht de rechtbank daarom geen waarde, nog daargelaten het feit dat de rechtbank het niet aannemelijk vindt dat beide getuigen verdachte op geen enkel moment uit het oog zouden hebben verloren, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Het is daarom niet uit te sluiten dat de getuigen niet bij verdachte waren ten tijde van de kopstoot. Evenmin is uit te sluiten dat de getuigen, zo zij verdachte wel vergezelden, het incident niet hebben gezien. De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling bewezen.

Feit 2

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze op zaterdag 21 mei 2016 naar de moeder van verdachte in Nijmegen zouden gaan. In de auto flipte verdachte. Hij begon te schreeuwen, te schelden en te dreigen en gaf met een gebalde vuist een klap op de binnenspiegel. De spiegel viel er daardoor af en het glas ging kapot. Ze reden in de auto van aangeefster.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte aan haar heeft verteld dat hij ruzie had met [slachtoffer 1] en dat hij haar autospiegel aan de binnenkant van haar auto kapot had geslagen. Volgens [getuige 2] heeft verdachte dit aan haar verteld voordat zij later diezelfde dag een klap van hem kreeg. Nadat hij haar had geslagen heeft zij ’s avonds via Facebook contact gezocht met [slachtoffer 1] , die zij alleen van gezicht kende maar nooit had ontmoet.6

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en [slachtoffer 1] in de auto zaten, dat zij een discussie hadden en dat hij boos was.7

De rechtbank acht de ten laste gelegde vernieling van de autospiegel bewezen. De verklaring van [getuige 2] bevat geen aanwijzingen op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij de informatie van [slachtoffer 1] heeft gekregen. Integendeel, [getuige 2] heeft verklaard dat zij, nadat zij deze informatie van verdachte had gekregen en nadat ze door hem was geslagen, zelf contact heeft gezocht met [slachtoffer 1] die zij verder niet anders dan van gezicht kende. Verdachtes verklaring dat hij de spiegel niet heeft vernield vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk en zij gaat hieraan voorbij.

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht de bedreiging bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer 1]8;

- de aangifte van [slachtoffer 2]9;

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]10;

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie11 en ter terechtzitting12.

Feit 4

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 19 juni 2016 anoniem werd gebeld op zijn telefoon. Hij hoorde een rustige stem zeggen : “ik steek je banden lek, ik steek je auto in de fik, ik steek je huis in de fik” en “Ik gooi een handgranaat naar binnen en ik schiet met een pistool naar binnen” en “ik zet je moeder achter de ramen”. Aangever wist dat het verdachte moest zijn omdat [slachtoffer 1] met dezelfde dingen werd bedreigd. Aangever is direct naar [slachtoffer 1] gereden en was 10 minuten later bij haar toen verdachte haar opbelde. [slachtoffer 1] heeft met een andere telefoon het telefoongesprek met verdachte opgenomen. Aangever herkende de stem als de stem van degene die hem even daarvoor belde.13

Aangevers broer [getuige 5] heeft verklaard dat hij op een zondag bij zijn ouders in Velp was. Zijn broer [slachtoffer 3] kreeg telefoon, ging naast hem staan en zette de telefoon op de speaker. [getuige 5] hoorde dat er door een man dreigementen werden geuit en dat in kalmte werd gesproken. Hij hoorde zeggen: “Ik gooi een brandbom naar binnen” of woorden van gelijke strekking. Ook hoorde hij : “Ik steek de auto’s in de fik die van je ouders en die van [slachtoffer 1] ” en “pas maar op er gebeurt van zelf wel wat”.14

Uit onderzoek is gebleken dat er op 19 juni 2016 om 17.26 uur een belcontact is geweest tussen de telefoons van [slachtoffer 3] en verdachte. Tien minuten na dit gesprek is een belcontact geweest tussen de telefoons van [slachtoffer 1] en verdachte.15

[slachtoffer 1] heeft over dat telefoongesprek op 19 juni 2016 verklaard dat ze de stem van verdachte herkende en dat verdachte in het gesprek tegen haar heeft gezegd: “dat vogelhok van je vader gaat in de brand waar hij een half jaar aan heeft gebouwd.16

Verdachte heeft na het horen van het geluidsfragment van laatstgenoemd gesprek verklaard dat het zijn stem is en dat hij die bedreigingen aan [slachtoffer 2] heeft geuit.17

De rechtbank acht, de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 3] niet heeft gebeld en bedreigd en dat hij zijn telefoon heeft uitgeleend, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt dat uit onderzoek is gebleken dat met de telefoon van verdachte op 19 juni 2016 om 17.26 uur naar [slachtoffer 3] is gebeld. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij na het telefoongesprek direct naar [slachtoffer 1] is gegaan. Toen [slachtoffer 1] 10 minuten na het gesprek met [slachtoffer 3] werd gebeld, herkende [slachtoffer 3] de stem van de beller als dezelfde stem die hem kort daarvoor had gebeld. Verdachte heeft bevestigd dat hij het telefoongesprek met [slachtoffer 1] , waarvan hij een geluidsfragment heeft gehoord, heeft gevoerd en tijdens dat gesprek bedreigingen heeft geuit aan het adres van de vader van [slachtoffer 1] . Niet valt in te zien dat [slachtoffer 3] de stem niet zou kunnen hebben herkennen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking het korte tijdsbestek dat tussen beide gesprekken heeft gezeten. Speciale deskundigheid is daarvoor, anders dan door de verdediging is betoogd, niet vereist. De rechtbank acht de bedreiging van [slachtoffer 3] gelet op het voorgaande bewezen en verwerpt het verweer.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de maand april 2016 te Nijmegen (in café de Drie Gezusters) [slachtoffer 1] (verdachtes ex-vriendin) heeft mishandeld door haar een kopstoot in haar gezicht, althans tegen haar hoofd te geven;

2.

hij op of omstreeks 21 mei 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een autobinnenspiegel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 29 mei 2016 tot en met 19 juni 2016 te Nijmegen, althans in Nederland (telkens) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (via sms-berichten of ingesproken berichten) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"wat praat jij een onzin met [naam 3] laatst beter doe je niet zo stoer sla jou ook je oogkas kapot als je nog een keer wat hoor" en/of "komen elkaar nog wel tegen ;) 1 rechtzaak meer maak ook geen verschil” en/of “kom zo wel even naar je huis" en/of "jij hebt 1 grote fout gemaakt onthoudt dat;)” en/of “You can run but you can't hide!!!" en/of "Misschien sta ik wel eens keer naast je bed of in de achtertuin savonds" en/of "Als je mij denkt te dreigen via [naam 4] moet je vooral doen dan pak ik jou en je kind en je honden eindigen op de boden van het kanaal" en/of "Hoop dat ze jou verkrachten voor de ogen van je kind dat die toe moet kijken" en/of "Zodra jij in nijmegen bent mensen gaan mij een seintje geven" en/of ( [slachtoffer 2] ) "ik steek de volière van je vader in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Nijmegen [slachtoffer 3] (in een telefoongesprek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "ik gooi een brandbom naar binnen" en/of " ik steek je banden lek, ik steek je auto in de fik, ik steek je huis in de fik, ik gooi een handgranaat naar binnen en ik schiet met een pistool naar binnen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Mishandeling;

Feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

Feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en

bedreiging met zware mishandeling en

bedreiging met brandstichting;

Feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en

bedreiging met zware mishandeling en

bedreiging met brandstichting.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Daarbij dienen volgens de officier van justitie de volgende bijzondere voorwaarden te worden opgelegd:

  • -

    een meldplicht;

  • -

    een ambulante behandelverplichting bij Kairos Nijmegen of een soortgelijke ambulante forensische zorg;

  • -

    een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ;

  • -

    een locatieverbod betreffende de bebouwde kommen van de plaatsen Arnhem en Velp (provincie Gelderland) met elektronische controle zolang als de reclassering nodig acht;

  • -

    de verplichting mee te werken aan het dagprogramma van De Hulzen in Nijmegen.

De officier van justitie heeft de dadelijk uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

De officier van justitie heeft daarnaast oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd voor de duur van 3 jaar, inhoudend dat verdachte geen contact zal zoeken met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Per overtreding dient verdachte volgens de officier van justitie één week vervangende hechtenis te worden opgelegd. De officier van justitie heeft ook ten aanzien van de maatregel de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een gevangenisstraf bepleit waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Tevens heeft hij opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis verzocht. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte inziet dat hij zijn leven moet veranderen. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de raadsman, gelet op de wens van verdachte om betaalde arbeid te verrichten, verzocht de verplichting om mee te werken aan dagbesteding bij De Hulzen niet op te leggen. Wat betreft het locatieverbod meent de raadsman dat de gemeente Arnhem kan worden geschrapt. Het opleggen van een locatieverbod voor Arnhem is een niet onderbouwde, disproportionele inperking van de bewegingsvrijheid van verdachte, te meer nu in Arnhem vrienden en kennissen van hem wonen. Over het contactverbod heeft de raadsman nog opgemerkt dat verdachte nooit contact meer heeft gezocht met de slachtoffers. Het opleggen van een contactverbod is daarom niet nodig en dient te worden afgewezen.

De raadsman heeft verzocht niet de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte zich gedurende de schorsing aan de voorwaarden heeft gehouden. Hij is coöperatief naar de reclassering, wil geen contact meer met [slachtoffer 1] en wil meer grip krijgen op zijn leven.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 7 december 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 16 januari 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner, vernieling van haar autospiegel en bedreiging van haar vader en de vader van haar kindje. De gedragingen van verdachte hebben geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij met name [slachtoffer 1] en haar vader. Uit de stukken komt naar voren dat [slachtoffer 1] zich zo angstig en onveilig heeft gevoeld dat zij niet meer in haar woning durfde te blijven en bij haar vriendin en/of haar ouders is gaan verblijven. Daarnaast is zij aangesloten op een mobiel alarmsysteem van de politie. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij tijdens de (telefonische) contacten met [slachtoffer 1] refereerde aan strafbare feiten die kort daarvoor ten aanzien van haar auto waren gepleegd dan wel korte tijd na dat contact zijn gepleegd en waarvan verdachte kennelijk kennis had. Het feit dat het dreigement aan de telefoon dat haar auto in brand zou worden gestoken kort daarna ook ten uitvoer is gebracht, moet voor [slachtoffer 1] bijzonder beangstigend zijn geweest. Dit gegeven èn de gedragingen en dreigementen van verdachte hebben ook grote impact gehad op haar vader, [slachtoffer 2] . Uit de stukken komt naar voren dat bij hem een PTSS uit het verleden door deze gebeurtenissen weer is opgespeeld, dat hij in korte tijd veel afviel en door de huisarts is verwezen naar een therapeut voor EMDR-therapie.

De rechtbank overweegt dat het niet de eerste keer is dat verdachte zich voor dergelijke delicten moet verantwoorden. Op de justitiële documentatie van verdachte komen meerdere bedreigingen en mishandelingen voor, waarvoor verdachte is veroordeeld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende straf is. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf te fors en zal daarom een gevangenisstraf opleggen van 8 maanden. Om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt, zal een deel daarvan, te weten 4 maanden, in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. De rechtbank zal daaraan alle bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd in haar rapport van 16 januari 2017 met dien verstande dat ten aanzien van het locatieverbod het verbod wordt beperkt tot de bebouwde kom van de plaatsen Arnhem en Velp. Met betrekking tot de verplichting de dagbesteding bij De Hulzen in Nijmegen te volgen merkt de rechtbank op dat de reclassering kan bepalen dat verdachte in plaats van dagbesteding bij De Hulzen betaalde arbeid mag verrichten, maar uitsluitend indien de reclassering dit wenselijk en/of noodzakelijk acht.

Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding in afwijking van de vordering van de officier van justitie de proeftijd vast te stellen op drie jaren.

De rechtbank zal verder de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. Gelet op de documentatie van verdachte, zijn houding ten opzichte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter zitting en vooral ook het feit dat de behandeling van de bij verdachte spelende problematiek – die aan de bewezenverklaarde feiten ten grond slag ligt – pas in januari 2017 van start zal gaan terwijl volgens de reclassering de kans op herhaling aanwezig is en een eerder toezicht voortijdig is beëindigd, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank zal tevens aan verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de reclassering heeft vastgesteld dat een recidiverisico aanwezig is. Verdachte zelf heeft bij de reclassering verklaard dat als hij in een mindere periode zit, hij meer beïnvloedbaar is en de kans op negatief gedrag toeneemt. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank daarom een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer 1] ,

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opleggen voor de duur van drie jaren. Daarnaast zal de rechtbank een locatieverbod met betrekking tot de bebouwde kommen van Arnhem en Velp (gemeente Gelderland) opleggen voor de duur van drie jaren. De rechtbank zal bepalen dat iedere keer dat door verdachte niet aan deze maatregelen wordt voldaan een week hechtenis zal worden toegepast.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder de bij de motivering van de dadelijke uitvoerbaarverklaring van de bijzondere voorwaarden genoemde argumenten, is de rechtbank verder van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens voornoemde persoon of personen. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 38v, lid 4, van het Wetboek van Strafrecht de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregelen bevelen.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.045,70 te verhogen met de wettelijke rente, waarvan € 1.045,70 voor materiële schade en € 1.000,- voor immateriële schade. Ter terechtzitting is verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren voor zover dit de materiële schade betreft, nu de brandstichting van de auto niet aan verdachte is ten laste gelegd en de materiële schade daarmee verband houdt. Namens [slachtoffer 1] is naar voren gebracht dat de immateriële schade gesplitst dient te worden in een bedrag van € 300,- voor de mishandeling en een bedrag van € 700,- voor de bedreigingen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde bedragen reëel en toewijsbaar zijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor feit 1 betoogd dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen. Ook voor zover de vordering ziet op immateriële schade als gevolg van de dreigementen van feit 3 heeft de raadsman verzocht om matiging van de vordering. Hij acht een bedrag van € 200,- redelijk. In dit verband heeft de raadsman naar voren gebracht dat het leksteken van de autobanden en de brandstichting van de auto geen rol mogen spelen bij het bepalen van de hoogte van de schade.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Zij heeft immers door de kopstoot lichamelijk letsel opgelopen (art. 6:106, lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 300,- billijk, gelet op de aard en ernst van het feit (geen droge klap, maar een kopstoot), de gevolgen voor het slachtoffer en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. De vordering is in zoverre voor toewijzing vatbaar.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij ook als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in geval van bedreiging niet steeds recht op smartengeld bestaat. Voldaan moet zijn aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten zoals uitgewerkt in art. 6:106, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, te weten de daarin limitatief opgesomde gronden voor smartengeld genoemd onder b van die bepaling en de voor dit geval in het bijzonder toepasselijke grond ‘anderszins in de persoon aangetast’. Daarvan is onder meer sprake ingeval door het bewezenverklaarde feit bij de benadeelde partij aantoonbaar geestelijk letsel is ontstaan, waarvoor in het algemeen is vereist dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dat dit het geval is, is op grond van de kale stelling van de benadeelde partij dat haar depressie weer is opgeleefd, onvoldoende komen vast te staan. Echter, als onweersproken staat vast dat [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van verdachte uit angst en gevoelens van onveiligheid haar woning – juist de plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen – heeft verlaten. Hoewel niet is komen vast te staan dat verdachte haar autobanden heeft lek gestoken en haar auto in brand heeft gestoken, heeft verdachte in zijn dreigementen richting haar aan deze gebeurtenissen gerefereerd. Haar hevige onveiligheidsgevoelens en het verlaten van haar huis zijn mede hierdoor veroorzaakt en zijn daarom aan te merken als direct gevolg van het bewezenverklaarde, met name dat onder feit 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bewezenverklaarde handelen van verdachte een ernstige inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij opgeleverd, die door de rechtbank wordt aangemerkt als een andere vorm van ‘aantasting in de persoon anderszins’ zoals bedoeld in de genoemde wetsbepaling. De rechtbank acht hiervoor een bedrag van € 450,- aan smartengeld billijk, op grond van dezelfde afweging als hiervoor is overwogen met betrekking tot het andere deel van het smartengeld. De vordering zal tot dit bedrag te worden toegewezen.

De wettelijke rente over het bedrag van € 300,-- is toewijsbaar met als ingangsdatum 30 april 2016 (de laatste zaterdag van april 2016). Over het bedrag van € 450,-- is de ingangsdatum van de wettelijke rente 19 juni 2016 (de laatste dag van de voor feit 3 bewezenverklaarde periode).

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

[slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken, waaronder met name die van de behandelend psycholoog, naar voren komt dat bij [slachtoffer 2] als gevolg van de gedragingen van verdachte een psychiatrische stoornis waarvoor hij in het verleden is behandeld (een posttraumatische stressstoornis; hierna: ptss) weer tot leven is gewekt. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij niet zo snel bang is, maar dat hij nu wel heel bang was dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou brengen. Deze angst is mede veroorzaakt door het feit dat verdachte bij de bedreigingen heeft gerefereerd aan strafbare feiten die kort daarvoor ten aanzien van de auto van [slachtoffer 1] waren gepleegd en waarvan verdachte kennelijk kennis had en dat hij heeft gerefereerd aan een strafbaar feit, dat zich na de bedreiging ook heeft voltrokken. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat bij de benadeelde partij geestelijk letsel, in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Dit geestelijk letsel levert een aantasting in de persoon ‘anderszins’ op zoals bedoeld in art. 6:106, lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Hieraan doet niet af dat de ptts vóór het strafbare feit al bestond. Genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij voor deze ptss niet meer in behandeling was, maar dat deze is gereactiveerd door toedoen van verdachte, waardoor opnieuw behandeling nodig is. Daarom kan dit geestelijk letsel als gevolg van het handelen van verdachte aan hem worden toegerekend. Het komt voor zijn risico dat hij met zijn bedreiging een al kwetsbaar slachtoffer heeft getroffen. De rechtbank acht gelet op het voorgaande het gevorderde bedrag van € 300,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 19 juni 2016, billijk. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen ten behoeve van genoemde benadeelde partijen, met als ingangsdata van de wettelijke rente de hiervoor genoemde data.

Bij de bepaling van de vervangende hechtenis zal de toegewezen wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 36f, 27, 38v, 38w, 57, 63, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het uitspreken van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland locatie Nijmegen, Stieltjesstraat 1 Nijmegen, en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1988 en wonend aan de [adres 2] ), [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1950 en wonend aan de [adres 3] ) en
[slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] 1989 en wonend aan de [adres 4] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden binnen de bebouwde kommen van de plaatsen Arnhem en Velp (provincie Gelderland), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Kairos Nijmegen of een soortgelijke ambulante forensische zorg teneinde zich (verder) te laten behandelen voor zijn agressie/persoonlijkheid en middelengebruik, (mede) in het kader van het al opgestarte zorgaanbod, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan het dagprogramma van De Hulzen in Nijmegen of een (door de reclassering te bepalen) andere dagbesteding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde, bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    beveelt bij wijze van vrijheidsbeperkende maatregelen dat verdachte gedurende een periode van drie jaren

  • -

    op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1988 en wonend aan de [adres 2] ), [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1950 en wonend aan de [adres 3] ) en [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] 1989 en wonend aan de [adres 4] ) en

  • -

    dat verdachte zich niet zal begeven binnen de bebouwde kommen van de plaatsen Arnhem en Velp (provincie Gelderland);

  • -

    beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op;

  • -

    beveelt dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 300,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 450,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 300,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag van € 300,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2016 en een bedrag van € 450,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 15 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 300,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. C.M.E. Lagarde en mr. G. Noordraven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20160629.1100, gesloten op 26 oktober 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , bijlage 1, p. 3.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , bijlage 15, p. 2.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , bijlage 21, p. 4.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , bijlage 1, p. 3.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , bijlage 14, p. 2.

7 Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting.

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , bijlage 1, p. 4-5.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , bijlage 6, p. 2.

10 Proces-verbaal van bevindingen, bijlage 34, p. 1-2 en overzicht met sms-berichten, p. 1-2.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , bijlage 61, p. 5-7.

12 Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting.

13 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , bijlage 7, p. 2.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , bijlage 20, p 1-2.

15 Proces-verbaal van bevindingen mbt telefonische bedreiging naar [slachtoffer 3] , bijlage 33, p. 1-2.

16 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , bijlage 1, p. 4-5.

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , bijlage 61, p. 5.