Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6132

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
05/740190-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

7 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740190-17

Datum uitspraak : 29 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in het HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 augustus 2017, 11 oktober 2017 en 15 november 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 april 2017 te Nijmegen [slachtoffer] opzettelijk

en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door deze meermalen met

kracht met een mes in het (onder)lichaam te steken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte gedurende een tijdsbestek van 40 minuten de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Vast staat dat verdachte ook gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid tot nadenken. Na het ophalen van het mes waren er meerdere momenten waarop verdachte op zijn voorgenomen daad kon terugkomen. Er is geen sprake van contra-indicaties, dan wel komen aan deze contra-indicaties te weinig gewicht toe, zodat de objectieve indicaties voor voorbedachte raad zwaarder dienen te wegen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde voorbedachte raad. Hiertoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enig moment besloten heeft [slachtoffer] te gaan doden. Het handelen van verdachte was het gevolg van een plotseling hevige drift, een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat sprake is van doodslag.

Beoordeling door de rechtbank

Moord of doodslag

Bij doodslag handelt de dader in een opwelling, bijvoorbeeld uit woede. Van moord is sprake als de dader besluit het slachtoffer te doden, hij enige tijd nadenkt over de gevolgen van dit besluit en vervolgens zijn slachtoffer dood. Daarom is de maximumstraf voor moord veel zwaarder dan voor doodslag.

Het kan lastig zijn om moord te bewijzen. Alleen de dader weet immers of hij over de gevolgen van zijn daad heeft nagedacht. Als de dader moord ontkent en ander bewijs ontbreekt, kan de rechter toch tot een bewezenverklaring van moord komen. Ten eerste moet dan vaststaan dat verdachte de tijd had om over de gevolgen van zijn daad na te denken. Als dat het geval is, moet worden nagegaan of er contra-indicaties zijn: feiten en omstandigheden die er op wijzen dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Daarom zet de rechtbank eerst de gebeurtenissen op een rij.

Mishandeling in café “ [café] ”

Op 30 april 2017 omstreeks 00:30 uur was verdachte in café “ [café] ” in Nijmegen. [slachtoffer] was daar ook. In het toilet van het café vond een vechtpartij plaats tussen beiden, waarbij verdachte door [slachtoffer] werd geslagen. Als gevolg van de vechtpartij was de tandprothese van verdachte door midden gebroken.2

Bezoek aan het politiebureau

Verdachte is daarop naar het politiebureau gelopen om aangifte te doen van mishandeling. Op de stoep voor het politiebureau heeft hij twee politieagenten aangesproken.3 Verdachte vertelde dat hij op het toilet in café “ [café] ” was mishandeld. Hij liet zijn (gebroken) kunstgebit aan de verbalisanten zien. Er is geen aangifte opgenomen. Verdachte moest later terugkomen en kreeg het advies om getuigen te zoeken. Verdachte heeft toen tegen de verbalisanten gezegd dat hij het zelf wel op zou lossen.4

Verdachte gaat naar huis

Vervolgens is verdachte regelrecht naar zijn auto gelopen, die geparkeerd stond aan de Koninginnelaan.5 Dit wordt bevestigd door camerabeelden waarop te zien is dat verdachte om 01.45 uur de stad uit loopt in de richting van de Koninginnelaan.6 Verdachte is daarna met zeer hoge snelheid naar zijn woning in Beuningen gereden. Daar heeft hij een groot vleesmes uit de keukenla gepakt. Daarna is hij weer met hoge snelheid naar het centrum van Nijmegen gereden.7

Verdachte gaat terug naar café “ [café] ”

Om 02:07:17 uur heeft verdachte voor de ingang van café “ [café] ” geprobeerd te bellen met [getuige 1] , die getuige was geweest van het eerdere incident.8 Getuige [getuige 2] heeft het café “ [café] ” rond twee uur verlaten en heeft verdachte op dat moment zien telefoneren. Zij heeft hem gevraagd waarom hij eerder die nacht het café is uitgezet. De getuige vond dat verdachte duidelijk gefrustreerd was. Zij leidde dit af uit zijn doen en laten en de manier waarop hij zijn gebit liet zien. De getuige kent verdachte al acht jaar als een rustige jongen.9 Naar eigen zeggen was verdachte op zoek naar getuigen van het incident eerder die avond.10

Verdachte heeft verklaard dat hij liep te ijsberen voor de ingang van het café en op zoek was naar getuigen toen hij [slachtoffer] binnen zag staan. Op dat moment knapte er iets en raakte hij de controle kwijt.11 Om 02:09 uur is verdachte het café binnen gelopen en direct op [slachtoffer] afgelopen.12 Vervolgens heeft hij [slachtoffer] vier keer met het mes in de linkerzijde van zijn buik gestoken.13 De getuige [getuige 3] heeft om 02:10 uur de meldkamer (112) gebeld.14 [slachtoffer] is later die dag aan zijn verwondingen overleden.15

Omdat [slachtoffer] is overleden door de messteken van verdachte moet de rechtbank de vraag beantwoorden hoe dit handelen gekwalificeerd moet worden: moord of doodslag.

De officier van justitie leidt af uit:

  • -

    de woorden: “Dan los ik het zelf wel op”;

  • -

    het ophalen van het mes;

  • -

    en het toebrengen van de dodelijke verwondingen aan [slachtoffer] ;

dat verdachte het plan had om [slachtoffer] te doden en hij 40 minuten over zijn besluit kon denken.

De rechtbank volgt de conclusie van de officier van justitie niet. De woorden: “Dan los ik het zelf wel op”, hoeven niet te betekenen dat verdachte het slachtoffer wilde doden. Zij kunnen ook op andere gewelddadige of niet gewelddadige oplossingen slaan. Ook het ophalen van het mes hoeft niet te betekenen dat verdachte toen al van plan was om [slachtoffer] te doden. Het mes kan zijn bedoeld voor bedreiging of bescherming. Daarom onderzoekt de rechtbank of er nog andere feiten en omstandigheden zijn die wijzen op moord of doodslag.

Verdachte heeft verklaard dat:

 hij ‘in alle staten’ was toen hij het café “ [café] ” verliet en zich door alles en iedereen in de steek gelaten voelde;16

  • -

    hij na het gesprek met de verbalisanten totaal overstuur was, niet helder meer kon denken en het gevoel had dat de wereld onder hem vandaan zakte;

  • -

    hij niet weet waarom hij naar Beuningen is gereden. Hij was boos toen hij wegreed en dit ging op de automatische piloot;

  • -

    hij tijdens de terugrit hij op enig moment tot bezinning kwam en hij rustiger is gaan rijden;

  • -

    hij besloot dat hij getuigen zou gaan aanspreken bij het café;

  • -

    toen hij zag dat [slachtoffer] in het café plezier had, er iets knapte, hij op hem is afgelopen en hij hem meerdere keren met een mes heeft gestoken.17

De rechtbank begrijpt dat verdachte er belang bij heeft om te liegen over de vraag of het moord of doodslag was. Toch hecht de rechtbank waarde aan zijn verklaringen. Verdachte is verschillende keren gehoord en heeft hierover telkens gelijk verklaard. Verder zijn de verklaringen van verdachte -voor zo ver dat mogelijk was- door de politie gecontroleerd. Hierbij is hij niet op leugens betrapt.

De rechtbank vindt van belang dat vast staat dat:

 verdachte heeft voor het café geprobeerd te bellen met [getuige 1] , die getuige was van het conflict op het toilet van café “ [café] ”;

 getuige [getuige 2] verdachte rond twee uur (02:07:17 uur) heeft zien telefoneren als zij café “ [café] ” verlaat;

 getuige [getuige 2] verdachte op dat moment kort heeft gesproken over de vechtpartij in het toilet eerder die avond en heeft verklaard dat verdachte duidelijk gefrustreerd was.

Dit bevestigt de lezing van verdachte. Hij is immers niet direct café “ [café] ” binnengegaan om de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan. Als hij al van plan was om geweld te gebruiken, dan is hij op zijn oorspronkelijke plan terug gekomen en hij heeft getuigen gezocht om zijn aangifte te ondersteunen. Hij heeft voor het café met [getuige 1] gebeld. Daarna heeft hij [getuige 2] gesproken. Volgens [getuige 2] heeft verdachte haar niet gevraagd om te getuigen, maar beide verklaren dat ze over de vechtpartij eerder die avond hebben gesproken. Toen verdachte zag dat [slachtoffer] plezier had in het café “knapte er iets”, is hij op hem afgelopen en heeft hij hem meerdere keren met een mes gestoken. Tussen het bellen naar [getuige 1] en de steekpartij heeft twee minuten gezeten. In die tijd heeft verdachte ook nog met [getuige 2] gesproken. Daarom vindt de rechtbank dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Dit betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van moord, maar dat doodslag kan worden bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 30 april 2017 te Nijmegen [slachtoffer] opzettelijk

en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door deze meermalen met

kracht met een mes in het (onder)lichaam te steken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om een zeer ernstig feit. Verdachte heeft op een vreselijke manier een einde heeft gemaakt aan het leven van [slachtoffer] . De nabestaanden zullen dit verlies altijd met zich mee dragen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vijf jaren en daarbij te bepalen dat verdachte niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. Daarnaast heeft de verdediging verzocht de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het feit en dat hij ter vermindering van de kans op herhaling dient te worden behandeld voor zijn stoornis. Volgens de deskundigen kan dit gevaar voldoende worden verminderd door middel van een behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 oktober 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 8 november 2017;

- een multidisciplinair rapport van drs. W.J.P. Gaertner, GZ-psycholoog, gedateerd 18 augustus 2017 en van P.K.J. Ronhaar, psychiater supervisor, en P.N. van Harten, psychiater supervisant, gedateerd 16 augustus 2017.

Verdachte heeft [slachtoffer] gedood na een eerder conflict die avond. Over de vraag wie de eerste klap heeft uitgedeeld, wordt verschillend verklaard. Volgens verdachte zou [slachtoffer] hem uit het niets een harde klap hebben gegeven, waardoor hij even het bewustzijn heeft verloren en zijn kunstgebit is gebroken. Toen niemand het in het café voor verdachte opnam en de politie niet reageerde zo als hij wilde, raakte verdachte zeer gefrustreerd. Hij ging naar huis om een mes op te halen. Op de terugweg werd verdachte weer wat rustiger, maar toen hij [slachtoffer] weer zag, liep hij op hem af en stak hem vier keer met een mes. Ondanks twee operaties is [slachtoffer] die ochtend door deze messteken overleden.

Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat verdachte de familie en vrienden van [slachtoffer] onherstelbaar veel leed heeft toegebracht. Zij missen [slachtoffer] nog dagelijks.

Zijn vriendin was direct na de steekpartij bij [slachtoffer] en heeft gezien hoe ernstig het letsel was. Zij is in de ambulance mee gereden naar het ziekenhuis. Omdat [slachtoffer] onrustig was, heeft zij hem op verzoek van de artsen rustig proberen te houden. Zij was in het ziekenhuis toen haar vriend tot twee keer toe werd geopereerd. Uiteindelijk kreeg zij te horen dat [slachtoffer] was overleden. Deze nacht moet verschrikkelijk voor haar zijn geweest.

In verband met de strafoplegging moet de rechtbank de volgende vragen beantwoorden:

  • -

    is verdachte toerekeningsvatbaar?

  • -

    is er recidivegevaar?

  • -

    hoe hoog moet de straf zijn en

  • -

    moet een maatregel worden opgelegd en zo ja welke?

In de rapporten van de psychiater en de psycholoog (verder: de deskundigen) staat dat verdachte een ernstige persoonlijkheidsstoornis heeft met narcistische, autistische, paranoïde en borderline trekken. Hij kan zich niet verplaatsen in een ander, wat leidt tot relationele conflicten. Conflicten kunnen leiden tot driftige reacties en een enkele keer agressie waarbij hij weinig tot geen medelijden ervaart voor slachtoffers.

Verdachte heeft deze stoornissen al lang en deze waren aanwezig toen verdachte het feit pleegde. Het advies is om verdachte de doodslag op [slachtoffer] in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst is zonder behandeling matig. Maar op middellange tot lange termijn kunnen meerdere kwetsende ervaringen tot nieuwe feiten leiden. Een tbs-kader vinden de deskundigen daarom nodig. Omdat het recidivegevaar matig is, kan de behandeling in het kader van een tbs met voorwaarden plaatsvinden. Als een tbs met voorwaarden niet mogelijk is, kan volgens de deskundigen het recidivegevaar alleen door een tbs met dwangverpleging worden beperkt. De reclassering vindt behandeling in het kader van een tbs met voorwaarden mogelijk.

De rechtbank neemt deze adviezen over.

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar

Verdachte leed toen hij het feit pleegde aan een persoonlijkheidsstoornis. Na een vechtpartij voelde hij zich heel erg gekwetst. Omdat verdachte vond dat hij onvoldoende steun kreeg van omstanders en politie namen deze gevoelens toe. De stoornissen van verdachte hebben dus in belangrijke mate bijgedragen aan het feit. Daarom is verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Dat betekent dat de dood van [slachtoffer] verdachte niet volledig kan worden aangerekend. Daarom zal er een lagere gevangenisstraf kunnen worden opgelegd dan normaal bij dit soort ernstige feiten. Maar daarnaast zal verdachte ter beschikking worden gesteld.

Het recidivegevaar is matig

Verdachte heeft na een eerder conflict een man gedood. De deskundigen vinden het recidivegevaar matig. De rechtbank vindt het verloop van de gebeurtenissen zorgwekkend. Verdachte heeft na de eerste vechtpartij veel tijd gehad om af te koelen. Verdachte zegt zelf bovendien dat hij tijdens de rit vanaf zijn huis naar Nijmegen tot bezinning is gekomen. Maar als hij dan ziet dat het slachtoffer plezier heeft in het café, verliest hij iedere controle over zichzelf, loopt op hem af en steekt hem vier keer met een mes. Bij het opleggen van de strafrechtelijke maatregel, gaat de rechtbank uit van een matig recidivegevaar, maar dat als het tot recidive komt, het weer om een zeer ernstig feit kan gaan.

De hoogte van de gevangenisstraf

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder gewelddadige feiten heeft gepleegd. Verder realiseert de rechtbank zich dat het in het belang van verdachte is dat hij zo snel mogelijk met zijn behandeling kan beginnen. Verdachte heeft echter een zeer ernstig feit gepleegd. Hij verloor de controle over zichzelf en heeft een man gedood. De rechtbank ontkomt er dan ook niet aan om naast de tbs, ook een forse gevangenisstraf op te leggen. De officier van justitie eist een gevangenisstraf van tien jaren voor moord. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van moord en zal daarom een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank begrijpt dat iemand die een geliefde of een vriend heeft verloren, een zware straf wil voor de dader. Maar de rechtbank moet naast het belang dat de samenleving heeft bij het bestraffen van ernstige strafbare feiten, ook rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. En zowel verdachte als de samenleving heeft er belang bij dat verdachte voldoende is behandeld als hij in de samenleving terugkeert. De rechtbank legt daarom in dit geval een gevangenisstraf op van zeven jaar.

Geen ruimte voor een voorwaardelijke tbs

De deskundigen verwachten dat verdachte meewerkt aan zijn behandeling. Daarom heeft de verdediging verzocht om een voorwaardelijke tbs op te leggen.

De rechtbank gaat hier niet in mee. Verdachte heeft laten zien dat hij, als hij zich gekwetst voelt, letterlijk levensgevaarlijk kan worden. Daarom vindt de rechtbank dat de ernst van het feit, de ernst van de stoornis van verdachte en het herhalingsgevaar aan het opleggen van een voorwaardelijke tbs in de weg staat. De veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Verdachte heeft [slachtoffer] gedood, een grotere inbreuk op zijn lichamelijke integriteit is niet mogelijk. Daarom is de duur van de maatregel onbeperkt.

Wat betekent deze gevangenisstraf en de tbs in de praktijk?

Verdachte wordt na twee derde deel van de gevangenisstraf, dus na vier jaar en acht maanden jaar, in een besloten afdeling van een tbs-kliniek geplaatst. De tbs heeft niet als doel om verdachte te straffen, maar het doel is beveiliging van de maatschappij en resocialisatie van verdachte. Verdachte zal voor zijn persoonlijkheidsstoornis worden behandeld. Maar verdachte is dan nog steeds opgesloten. Pas als het recidivegevaar voldoende is afgenomen, krijgt hij geleidelijk meer vrijheid. Hij gaat eerst met begeleid verlof en als dat goed verloopt later met onbegeleid verlof. Uiteindelijk kan de tbs worden beëindigd. Hoe lang de plaatsing van verdachte in de tbs-kliniek duurt, valt nu niet te voorspellen. In 2011 was de gemiddelde duur van de tbs tien jaar. Een verdachte die volledig toerekeningsvatbaar is en de maximale gevangenisstraf voor doodslag krijgt, kan na tien jaar voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Het is waarschijnlijk dat de tbs van verdachte later wordt beëindigd.

Beslissing ten aanzien van het beslag

Ten aanzien van het volgens de officier van justitie nog resterende beslag overweegt de rechtbank als volgt.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van een jas, vest, shirt, broek, schoenen en mobiele telefoon aan de veroordeelde.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het bewezenverklaarde met behulp van dit mes is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde doodslag. De benadeelde partijen vorderen de volgende bedragen:

  • -

    [benadeelde 1] : € 436.531,34 (bestaande uit € 53.945,52 materiële schade, € 332.514,46 overlijdensschade, € 25.000,- shockschade, € 20.000,- affectieschade en € 5.071,36 buitengerechtelijke kosten);

  • -

    [benadeelde 2] : € 87.299,36 (bestaande uit € 65.228,- overlijdensschade, € 20.000,- affectieschade en € 2.071,36 buitengerechtelijke kosten);

  • -

    [benadeelde 3] : € 83.554,36 (bestaande uit € 61.483,- overlijdensschade, € 20.000,- affectieschade en € 2.071,36 buitengerechtelijke kosten);

  • -

    [benadeelde 4] : € 50,- (bestaande uit materiële schade);

  • -

    [benadeelde 5] : € 29.189,34 (bestaande uit € 1.689,34 materiële schade, € 7.500,- shockschade en € 20.000,- affectieschade);

  • -

    [benadeelde 6] : € 20.139,22 (bestaande uit € 139,22 materiële schade en € 20.000,- affectieschade);

  • -

    [benadeelde 7] : € 20.479,36 (bestaande uit € 479,36 materiële schade en € 20.000,- affectieschade).

Er wordt verzocht om bovengenoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de verschillende benadeelde partijen voor wat betreft de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Verder heeft de officier van justitie verzocht de vordering van [benadeelde 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 128.553,06 (bestaande uit verlies arbeidsvermogen, shockschade, geschat bedrag voor gederfd levensonderhoud, kosten voor lijkbezorging met uitzondering van de hanger, reiskosten en buitengerechtelijke kosten). De vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn hier reeds bij inbegrepen, zodat zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4] heeft de officier van justitie verzocht een bedrag van € 25,- voor gemaakte telefoonkosten toe te wijzen.

Voorts heeft de officier van justitie verzocht de vordering van [benadeelde 5] toe te wijzen tot een bedrag van € 1.649,06 voor de gemaakte reiskosten en kosten van de crematie. Ten aanzien van de door haar gevorderde shockschade heeft de officier van justitie verzocht benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu niet is onderbouwd dat benadeelde als gevolg van de confrontatie met haar overleden broer psychisch letsel heeft opgelopen waarvoor zij behandeld dient te worden.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 6] heeft de officier van justitie verzocht een bedrag van € 69,61 voor de gemaakte reis- en telefoonkosten toe te wijzen.

Tot slot is verzocht de vordering van [benadeelde 7] voor wat betreft de reis- en telefoonkosten en de kosten voor het voeren van de nalatenschapsprocedure toe te wijzen.

Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] primair op het standpunt gesteld dat deze vordering dient te worden afgewezen, omdat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er teveel onduidelijk is. De vordering wordt door de verdediging dan ook integraal betwist.

Door de verdediging is met betrekking tot de door de verschillende benadeelde partijen gevorderde affectieschade aangevoerd dat deze niet toewijsbaar is nu op dit moment een wettelijke basis voor vergoeding ontbreekt. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat als gevolg van het bewezenverklaarde handelen schade is geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank zal de vorderingen per benadeelde partij bespreken aan de hand van de gevorderde materiële schade, overlijdensschade, shockschade en de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Tot slot zal zij ingaan op de door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en

[benadeelde 3]

Materiële schade

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een bedrag van € 18,72 gevorderd voor gemaakte reiskosten in verband met bezoeken aan een psycholoog. Nu deze schadepost voldoende is onderbouwd en de rechtbank redelijk voorkomt, zal dit bedrag worden toegewezen.

Daarnaast heeft [benadeelde 1] een bedrag van € 1.276,80 gevorderd wegens verlies van arbeidsvermogen. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde feit enige tijd niet heeft kunnen werken en daardoor minder inkomsten heeft ontvangen. Over het exacte bedrag dat zij is misgelopen, is discussie mogelijk. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid om de hoogte van het toe te kennen bedrag vast te stellen. Naar schatting van de rechtbank zal in ieder geval voor een bedrag van € 1.000,- schade zijn geleden. Dat bedrag zal aan [benadeelde 1] worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 1.018,72 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 20 juli 2017. Deze datum ligt in het midden tussen 30 april 2017, de datum van overlijden van [slachtoffer] , en 9 oktober 2017, de datum waarop de vordering is ingediend. De rechtbank heeft hiervoor gekozen omdat de kosten gedurende deze periode op verschillende momenten zijn ontstaan en niet ten aanzien van alle kosten is vast te stellen wanneer de schade in de genoemde periode precies is ontstaan.

Door de benadeelde partij [benadeelde 1] zijn verder nog toekomstige schadeposten opgevoerd, te weten € 2.500,- aan medische kosten, € 150,- aan reiskosten voor bezoeken aan een psycholoog en € 50.000,- wegens verlies van arbeidsvermogen. Deze kostenposten zijn opgevoerd om in een eventueel hoger beroep de vordering te kunnen verhogen. Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten in de toekomst daadwerkelijk als gevolg van dit feit zullen worden gemaakt, zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Shockschade

Benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een bedrag van € 25.000,- aan shockschade gevorderd.

Met betrekking tot shockschade overweegt de rechtbank dat in het zogenaamde Taxibus-arrest is bepaald dat shockschade alleen wordt toegekend aan degene die het misdrijf heeft waargenomen of direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. Bovendien moet er sprake zijn van geestelijk letsel dat als gevolg van die confrontatie (welke confrontatie een hevige schok teweeg heeft gebracht) is ontstaan. Daar zal in het algemeen slechts bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld aan worden voldaan.

Uit de verklaring van [benadeelde 1] blijkt dat zij getuige was van de steekpartij. Zij heeft gezien dat de buik van het slachtoffer bebloed was en dat zijn darmen uit zijn buik kwamen. Tevens is zij met de ambulance meegereden naar het ziekenhuis, waar zij door de artsen werd verzocht het slachtoffer aan te spreken om hem te kalmeren. Nu daarmee naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat sprake is geweest van een directe confrontatie met het feit en de rechtstreekse gevolgen daarvan, is de vervolgvraag of als gevolg van deze confrontatie – welke een schok teweeg heeft gebracht – geestelijk letsel is ontstaan. Uit de brief van GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] van 7 juni 2017 volgt dat bij [benadeelde 1] een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld, namelijk een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft na verwachting 8 behandelingen nodig. De psycholoog benoemt daarbij dat deze klachten zijn ontstaan sinds het slachtoffer in haar bijzijn is neergestoken. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de posttraumatische stressstoornis en de confrontatie op 30 april 2017.

Gelet op al het voorgaande – in het bijzonder het feit dat benadeelde partij haar vriend onder gruwelijke omstandigheden heeft gezien –, de verwachtte duur van de behandeling en tot slot op de bedragen die in vergelijkbare gevallen van shockschade worden toegekend, zal de rechtbank de shockschade naar billijkheid begroten op een bedrag van € 15.000,-. Voor het overige zal de benadeelde partij met betrekking tot deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 30 april 2017.

Kosten lijkbezorging

Benadeelde vordert met betrekking tot deze schadepost een bedrag van € 1.232,46, bestaande uit kosten voor een bloemenkrans, rouwkleding, een urn en een hanger met daarin as van het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten voldoende onderbouwd en bovendien komen deze kosten – met uitzondering van de kosten voor de hanger (€ 689,-) – de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 543,46 toewijzen. Voor het overige zal de rechtbank [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Ook ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 543,46 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 20 juli 2017.

Kosten van gederfd levensonderhoud

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een bedrag van € 331.282,- voor kosten van gederfd levensonderhoud. Haar kinderen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] vorderen met betrekking tot deze kostenpost respectievelijk bedragen van € 65.228,- en € 61.483,-.

Aan dit onderdeel van de vorderingen ligt een overlijdensschadeberekening ten grondslag van [naam] van 2 oktober 2017.

In de berekening is tot uitgangspunt genomen dat [benadeelde 1] en het slachtoffer op hetzelfde adres woonachtig waren en dat zij gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen van [benadeelde 1] . Dit uitgangspunt werkt door in de verdere uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de berekening van het gederfde levensonderhoud in natura.

De rechtbank stelt voorop dat de begroting van toekomstige schade ingewikkeld is en dat de behandeling daarvan daarom al snel te belastend is voor het strafproces.

De rechtbank vindt dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van het in gezinsverband samenwonen. Er was geen sprake van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst. Dit is niet nodig voor het in gezinsverband samenwonen, maar hierdoor wordt het samenwonen wel aangetoond. Verder leverde [slachtoffer] geen financiële bijdrage aan de gezamenlijke huishouding, hield hij zijn woning (nog) aan en stond hij niet op het adres van [benadeelde 1] ingeschreven. Omdat de grondslag voor de vordering onvoldoende is onderbouwd, kan de rechtbank ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Nader onderzoek leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk zal verklaren in dit onderdeel van hun vorderingen.

Buitengerechtelijke kosten

Nu de rechtbank geen inhoudelijk oordeel zal geven over de vorderingen ten aanzien van de kosten van gederfd levensonderhoud, is een inhoudelijk oordeel over de buitengerechtelijke kosten die ten behoeve van die vorderingen zijn gemaakt niet op zijn plaats. De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van hun vorderingen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Materiële schade

Nu de vordering van [benadeelde 4] ten aanzien van de gevorderde telefoonkosten van € 25,- niet is betwist, voldoende is onderbouwd en de rechtbank redelijk voorkomt, zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 29 november 2017, de dag van de uitspraak.

Met betrekking tot de toekomstige schadepost telefoonkosten die is opgevoerd met het oog op een eventuele behandeling in hoger beroep overweegt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten in de toekomst daadwerkelijk als gevolg van dit feit zullen worden gemaakt. Gelet daarop zal zij de benadeelde partij voor wat betreft dit deel van de schadepost niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Materiële schade

Nu de vordering van [benadeelde 5] (telefoonkosten € 25,-, reiskosten € 36,36 en kosten naar aanleiding van de crematie € 1.602,98) niet is betwist, voldoende is onderbouwd en de rechtbank niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen.

Ten aanzien van het toegewezen bedrag voor de telefoonkosten en de reiskosten (€ 61,36) zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 29 november 2017, de dag van de uitspraak. Ten aanzien van de kosten voor de crematie (€ 1.602,98) zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 21 juli 2017. Deze datum ligt in het midden tussen 30 april 2017, de datum van overlijden van [slachtoffer] , en 10 oktober 2017, de datum waarop de vordering is ingediend. De rechtbank heeft hiervoor gekozen omdat de kosten gedurende deze periode op verschillende momenten zijn ontstaan en niet ten aanzien van alle kosten is vast te stellen wanneer de schade in de genoemde periode precies is ontstaan (wanneer de facturen zijn betaald).

Met betrekking tot de toekomstige schadepost telefoonkosten die is opgevoerd met het oog op eventuele behandeling in hoger beroep overweegt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten in de toekomst daadwerkelijk als gevolg van dit feit zullen worden gemaakt. Gelet daarop zal zij de benadeelde partij voor wat betreft deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Shockschade

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft een bedrag van € 7.500,- aan shockschade gevorderd, omdat zij haar broer na zijn overlijden heeft moeten identificeren en dit bij haar een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht.

De rechtbank begrijpt dat het identificeren van haar overleden broer voor benadeelde een ingrijpende gebeurtenis moet zijn geweest. Maar benadeelde was de betreffende avond niet in het café aanwezig en is geen getuige geweest van de steekpartij. Daar komt bij dat niet blijkt dat een deskundige (arts of psycholoog) bij benadeelde geestelijk letsel heeft vastgesteld, dat is veroorzaakt door het identificeren van haar overleden broer. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van haar vordering.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Materiële schade

Nu de vordering van [benadeelde 6] (telefoonkosten € 25,- en reiskosten € 44,61) niet is betwist, voldoende is onderbouwd en de rechtbank niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 29 november 2017, de dag van de uitspraak.

Met betrekking tot de toekomstige kostenposten telefoonkosten en reiskosten die zijn opgevoerd met het oog op een eventuele behandeling in hoger beroep overweegt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten in de toekomst daadwerkelijk als gevolg van dit feit zullen worden gemaakt. Gelet daarop zal zij de benadeelde partij voor wat betreft deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Materiële schade

De benadeelde partij [benadeelde 7] vordert een bedrag van € 25,- aan telefoonkosten, een bedrag van € 36,36 aan reiskosten en een bedrag van € 418,- aan kosten voor de nalatenschapsprocedure.

De gevorderde reiskosten zien op het bijwonen van de zittingen van de rechtbank op 2 augustus 2017, 11 oktober 2017 en 15 november 2017. De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 7] niet aanwezig was bij de inhoudelijke zitting op 15 november 2017. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de reiskosten een bedrag van € 24,24 toewijzen. Nu de vordering verder niet is betwist, voldoende is onderbouwd en de rechtbank niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank een bedrag van € 467,24 toewijzen. Voor het overige zal de benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Ten aanzien van de reiskosten (€ 24,24) zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 11 oktober 2017, de datum van de laatste zitting die door benadeelde is bijgewoond. Ten aanzien van de telefoonkosten en de kosten voor de nalatenschapsprocedure (€ 443,-) zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 25 juli 2017. Deze datum ligt in het midden tussen 30 april 2017, de datum van overlijden van [slachtoffer] , en 18 oktober 2017, de datum waarop de vordering is ingediend, omdat de schade gedurende deze periode is ontstaan en niet is vast te stellen wanneer de schade in de genoemde periode precies is ontstaan.

Affectieschade

Met betrekking tot de gevorderde affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank begrijpt en erkent dat aan de benadeelde partijen, de vriendin van [slachtoffer] en haar kinderen, zijn moeder, zijn zus, de dochter en zoon van [slachtoffer] , groot leed is aangedaan door het om het leven brengen van [slachtoffer] . De rechtbank dient de vorderingen echter te beoordelen naar het huidige recht. In het huidige Nederlands recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade ten aanzien van het verlies van een dierbare zeer beperkt. Vaste jurisprudentie is dat enkel de situatie als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, de shockschade, voor vergoeding in aanmerking kan komen. Affectieschade valt daar niet onder. Dat op 9 mei 2017 het wetsvoorstel vergoeding van Affectieschade door de Tweede Kamer is aangenomen, maakt dit niet anders. De rechter heeft immers niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet, een dergelijke vergoeding toe te kennen. De rechtbank zal de benadeelde partijen ten aanzien van dit onderdeel dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.

Conclusie

Bovenstaande houdt in dat de civiele vorderingen worden toegewezen tot de volgende bedragen:

  • -

    € 16.562,18 aan [benadeelde 1] ;

  • -

    € 25,00 aan [benadeelde 4] ;

  • -

    € 1.664,34 aan [benadeelde 5] ;

  • -

    € 69,61 aan [benadeelde 6] ;

  • -

    € 467,24 aan [benadeelde 7] .

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] worden voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] worden in hun geheel niet-ontvankelijk verklaard.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen wettelijke rente/vergoeding voor proceskosten is daar conform de landelijke oriëntatiepunten niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] is met betrekking tot het bedrag van € 15.000,- toewijsbaar vanaf 30 april 2017 en over het bedrag van € 1.562,18 toewijsbaar vanaf 20 juli 2017.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 5] is de wettelijke rente over het bedrag van € 1.602,98 toewijsbaar vanaf 21 juli 2017 en met betrekking tot het bedrag van € 61,36 toewijsbaar vanaf 29 november 2017.

De gevorderde wettelijke rente is met betrekking tot de vorderingen van [benadeelde 4] en [benadeelde 6] toewijsbaar vanaf 29 november 2017.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 7] is de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van het bedrag van € 443,- toewijsbaar vanaf 25 juli 2017 en over het bedrag van € 24,24 toewijsbaar vanaf 11 oktober 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36c, 37a, 37b, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op het beslag

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: een jas, een vest, een shirt, een broek, een paar schoenen en een mobiele telefoon.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1], van een bedrag van € 16.562,18 (zestienduizend vijfhonderdtweeënzestig euro en achttien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,- vanaf 30 april 2017 en over een bedrag van € 1.562,18 vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 16.562,18 (zestienduizend vijfhonderdtweeënzestig euro en achttien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,- vanaf 30 april 2017 en over een bedrag van € 1.562,18 vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 117 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 4], van een bedrag van € 25,00 (vijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , een bedrag te betalen van € 25,00 (vijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 5], van een bedrag van € 1.664,34 (zestienhonderdvierenzestig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.602,98 vanaf 21 juli 2017 en over een bedrag van € 61,36 vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] , een bedrag te betalen van € 1.664,34 (zestienhonderdvierenzestig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.602,98 vanaf 21 juli 2017 en over een bedrag van € 61,36 vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 26 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 6], van een bedrag van € 69,61 (negenenzestig euro en eenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] , een bedrag te betalen van € 69,61 (negenenzestig euro en eenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 7], van een bedrag van € 467,24 (vierhonderdzevenenzestig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 443,- vanaf 25 juli 2017 en over een bedrag van € 24,24 vanaf 11 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 7] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] , een bedrag te betalen van € 467,24 (vierhonderdzevenenzestig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 443,- vanaf 25 juli 2017 en over een bedrag van € 24,24 vanaf 11 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 9 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. H.P.M. Kester en mr. M.A. Jansen-van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa en mr. M.E. Bongers, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 november 2017.

mr. H.P.M. Kester is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2017194793 (onderzoek ON5R017008/HAAS), gesloten op 13 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2017; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 289.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 190-191.

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2017; proces-verbaal van bevindingen, p. 211; proces-verbaal van bevindingen, p. 214.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 186, 191.

6 Proces-verbaal beelden Tunnelweg, p. 557-561.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 191.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 186; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 289 en proces-verbaal van bevindingen, p. 542-543.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 257.

10 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2017.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 193; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2017.

12 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2017 en het proces-verbaal betreffende de tijdlijn, p. 575.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 194; NFI-rapport d.d. 5 september 2017, p. 357-372.

14 Het proces-verbaal betreffende de tijdlijn, p. 575.

15 Proces-verbaal inhoudende de identificatie van [slachtoffer] , p. 225, en een schriftelijk bescheid te weten een NFI-rapport d.d. 5 september 2017, p. 357-372.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 191.

17 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2017.