Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6128

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
05/740351-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:5627, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging doodslag en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een hulpverleenster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0929
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740351-17

Datum uitspraak : 28 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren in 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te [adres]

Raadsman: mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

- opzettelijk (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt, en/of

- opzettelijk bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten en/of (vervolgens) met zijn hand(en) de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen/dichtgeduwd (gehouden), en/of

- met een mes, meermalen, althans eenmaal, stekende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- opzettelijk (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] te schoppen, en/of

- opzettelijk bovenop die [slachtoffer] te gaan zitten en/of (vervolgens) met zijn hand(en) de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen/dicht te duwen (te houden), en/of

- met een mes, meermalen, althans eenmaal, stekende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Ede [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (opzettelijk dreigend) - met een omhoog geheven mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] te lopen en (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik ga je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- ( vervolgens) met een stofzuigerstang (dreigend) tegenover die [slachtoffer] te staan en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] te lopen en (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: "Je hebt mij doodgemaakt, nu ga ik je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- ( vervolgens) een (stuk) glas op te pakken en (dreigend) tegenover die [slachtoffer] te staan en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] te lopen;

3.

hij op of omstreeks 04 augustus 2017 te Ede opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft verdachte - de (buiten)deur van de woning van zijn, verdachtes, moeder (aan de [adres] ) met een sleutel afgesloten en/of niet aan die [slachtoffer] kenbaar gemaakt waar die sleutel bewaard wordt, en/of

- die [slachtoffer] tegen haar wil in voornoemde woning vastgehouden en (dreigend) de woorden toegevoegd: "Ik ga je doodmaken", en/of

- die [slachtoffer] voortdurend in de gaten gehouden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Vrijspraak wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 3)

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] (aangeefster). De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Poging tot doodslag (feit 1) en bedreiging (feit 2)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (feit 1) en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) van aangeefster.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (feit 1) en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2). Daartoe is primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft geschopt en stekende bewegingen in haar richting heeft gemaakt. Subsidiair kunnen de tenlastegelegde handelingen geen poging tot doodslag rechtvaardigen, nu zij geen aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] in het leven roepen. Verder vindt de verklaring van [slachtoffer] voor wat betreft de bedreiging geen steun in de overige bewijsmiddelen, zodat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

Op 4 augustus 2017 waren verdachte en aangeefster aanwezig in de woning van de moeder van verdachte in [adres] .2

Aangeefster heeft verklaard dat ze toen ze in de woning van de moeder van verdachte was zag dat verdachte boos was. Verdachte had een mes in zijn rechterhand dat hij boven zijn hoofd had geheven. Hij had het mes vast bij het handvat en het lemmet wees naar de grond. Hij was zo boos dat aangeefster het gevoel had dat hij door het lint zou gaan. Zij hoorde verdachte, voor zijn doen, schreeuwen en zij hoorde dat hij riep: “ik ga je dood maken”. Zij zag dat verdachte op haar af kwam lopen met het mes de gehele tijd boven zijn hoofd geheven. Ineens lag aangeefster op de grond. Verdachte heeft tegen haar hoofd geschopt en is half op haar gaan zitten. Hij pakte haar vervolgens bij haar keel om haar te wurgen. Dit heeft hij minstens drie keer geprobeerd. Tevens heeft verdachte geprobeerd meerdere keren in het bovenlichaam van aangeefster te steken. Aangeefster heeft geprobeerd het mes af te pakken. Op een gegeven moment had zij het lemmet vast met haar rechterhand, dat was in een afweermoment. Ze zag dat het mes brak. Zij had toen zelf het lemmet vast en verdachte had het handvat vast. Zij is opgestaan en naar de deur gelopen. Vervolgens riep verdachte nogmaals “Ik ga je dood maken”. Verder riep hij “je hebt mij dood gemaakt, nu ga ik je dood maken”. Aangeefster zag op dat moment verdachte met versnelde pas uit de richting van de keuken komen. Hij had op dat moment de stofzuigerstang in zijn handen die hij op haar gericht voor zich uithield. Tot slot zag aangeefster dat verdachte weer op haar af kwam met een afgebroken glas. Verdachte had het onderste gedeelte van het glas vast.3

De rechtbank neemt bij haar beoordeling voorgaande verklaring van aangeefster tot uitgangspunt, nu deze zeer gedetailleerd is en steun vindt in het volgende.

Uit een onderzoek naar het letsel van aangeefster op 4 augustus 2017 blijkt dat zij blauwe plekken in haar hals had. Bij deze blauwe plekken is de gedeeltelijke afdruk van een hand zichtbaar.4 Dit blijkt ook uit de foto’s die aan de aangifte zijn toegevoegd.5

Tijdens het sporenonderzoek in de woning van de moeder van verdachte werd op genoemde datum in de gang het lemmet van een mes aangetroffen. Op het afval in de prullenbak lag een metalen handvat dat goed zou kunnen passen bij het aangetroffen lemmet. In de hoek, naast de tafel, lag een gebroken glas op het laminaat parket. Onder de tafel zaten 3 spatten bloed.6

Op 4 augustus 2017 werd de zus van verdachte door hem gebeld. Zij hoorde in dat telefoongesprek de stem van een vrouw die ze kent als [slachtoffer] . Zij hoorde zowel verdachte als [slachtoffer] schreeuwen. Bovendien hoorde zij veel lawaai, bijvoorbeeld van glazen die kapot vielen.7

Poging tot doodslag

Op grond van de vastgestelde feiten acht de rechtbank bewezen dat verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen, stekende bewegingen in de richting van haar bovenlichaam heeft gemaakt en haar tegen haar hoofd heeft geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich, met name in de nek en het bovenlichaam, vitale onderdelen van het lichaam bevinden, zoals de halsslagader, de luchtpijp en de longen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank door zijn handelen dan ook een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven geroepen en deze – naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen door haar nek dicht te knijpen en door in de richting van het bovenlichaam te steken – ook bewust aanvaard. Het feit dat uit het dossier niet blijkt hoe lang verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen doet daar niet aan af, nu naar het oordeel van de rechtbank uit de foto’s die zijn toegevoegd aan de aangifte en het geconstateerde letsel – waarbij een handafdruk is te zien – wel blijkt dat dit met enorme kracht moet zijn gebeurd.

De rechtbank acht, gelet daarop, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van aangeefster.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verder acht de rechtbank op grond van de vastgestelde feiten bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door met een omhoog geheven mes in haar richting te lopen en daarbij te roepen “ik ga je doodmaken”, door met een stofzuigerstang tegenover aangeefster te staan en naar haar toe te lopen en daarbij te roepen “je hebt mij doodgemaakt, nu ga ik je doodmaken” en door met een stuk glas dreigend tegenover aangeefster te staan en naar haar toe te lopen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair) en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 4 augustus 2017 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

- opzettelijk (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt, en/of

- opzettelijk bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten en/of (vervolgens) met zijn hand(en) de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen/dichtgeduwd (gehouden), en/of

- met een mes, meermalen, althans eenmaal, stekende bewegingen in de richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 augustus 2017 te Ede [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (opzettelijk dreigend) - met een omhoog geheven mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] te lopen en (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik ga je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- (vervolgens) met een stofzuigerstang (dreigend) tegenover die [slachtoffer] te staan en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] te lopen en (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: "Je hebt mij doodgemaakt, nu ga ik je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- (vervolgens) een (stuk) glas op te pakken en (dreigend) tegenover die [slachtoffer] te staan en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] te lopen.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ten aanzien van een poging tot doodslag (feit 1) en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden een meldplicht en opname in een zorginstelling. De officier van justitie heeft gevorderd deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gelet op het hoge recidiverisico wanneer er geen interventies plaatsvinden bij verdachte. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van zeer ernstige feiten. Verder volgt de officier van justitie het advies van de deskundige om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. Gelet op de geregistreerde geboortedatum van verdachte – het jaar 1994 – is niet duidelijk of hij nu 22 of 23 jaar oud was ten tijde van de feiten. Uit het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) volgt dat in zo’n geval uitgegaan moet worden van de meest gunstige leeftijd. In dit geval moet dus worden uitgegaan van een 22-jarige leeftijd van verdachte, zodat het adolescentenstrafrecht nog kan worden toegepast. Alle indicaties voor toepassing van het adolescentenstrafrecht zijn aanwezig en alle contra-indicaties zijn afwezig. Verder dient de rechtbank het advies van de deskundige om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten te volgen. Tot slot dient bij een eventueel traject tot begeleid wonen de familie van verdachte nauw te worden betrokken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 oktober 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 10 november 2017;

- een monodisciplinair rapport van drs. [naam] , GZ-psycholoog, gedateerd 10 oktober 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van aangeefster. Dit zijn zeer ernstige feiten. Aangeefster is door verdachte aangevallen terwijl zij daar op huisbezoek was om aan hem hulp te verlenen. Hulpverleners komen uitsluitend aan huis om hulp te verlenen en het is bijzonder wreed indien zij dan het slachtoffer worden van hun hulpvaardigheid. Door het handelen van verdachte heeft aangeefster grotendeels haar onbevangenheid verloren in het contact met haar cliënten. Verdachte heeft met zijn handelen bovendien de gevoelens van veiligheid in de samenleving aangetast. De rechtbank neemt dit mee in het nadeel van verdachte.

Uit de rapportages blijkt dat bij verdachte is sprake van een lichte tot matige beperking (verstandelijke-ontwikkelingsstoornis), waarbij sprake is van een beperkt sociaal functioneren. Het gedrag van verdachte lijkt vooral voort te komen uit zijn onmacht om de situatie te begrijpen, de mogelijke druk en denkwijze van zijn familie en het onvermogen om zelf verantwoordelijkheid voor zijn situatie te nemen. Deze problematiek was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte is van mening dat aangeefster en zijn andere voormalige hulpverlener vanuit [naam] de oorzaak zijn van zijn slechte levensomstandigheden en het feit dat hij geen uitkering meer ontvangt. Op het moment dat aangeefster bij de moeder van verdachte aan de deur kwam en hij daar op dat moment was, heeft verdachte zijn zelfbeheersing volledig verloren. De klinische indruk is dat verdachte verwachtingen heeft van zichzelf, die hij niet kan waarmaken door zijn verstandelijke beperking, maar ook door zijn (traumatische) achtergrond met vluchtverleden, zijn andere culturele achtergrond en een instabiele en onveilige leefsituatie. Het advies is om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Het advies is verder om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en bij de (aanvullende) voorwaarden een forensisch klinische plaatsing op te nemen, zodat diagnostisch onderzoek kan worden verricht om (meer) helderheid over de problematiek van verdachte te krijgen en zodat de behandeling gericht kan zijn op acceptatie van de (gevolgen van) zijn verstandelijke beperking. Een klinische opname en begeleid wonen zijn geïndiceerd. De indicatie is inmiddels afgegeven en verdachte is aangemeld bij [naam] .

De rechtbank houdt bij de afdoening van deze zaak verder rekening met de ernst van de gepleegde feiten, met rechterlijke uitspraken in vergelijkbare zaken, met de justitiële documentatie van verdachte en met de persoon en de problematiek van verdachte. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de geestesgesteldheid van verdachte over en beschouwt verdachte voor het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding tot toepassing van het adolescentenstrafrecht, nu dit niet door de deskundigen wordt geadviseerd en moeder/het gezin ook niet als een beschermende factor wordt gezien, maar zij juist afwijzend staat tegenover de hulpverlening.

Alles afwegende acht de rechtbank voor de poging tot doodslag en de bedreiging een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Zij zal een deel van deze straf, zijnde 12 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaar. Aan dit voorwaardelijke deel worden de bijzondere voorwaarden, een meldplicht en opname in een zorginstelling voor de duur van maximaal anderhalf jaar verbonden. De voorwaardelijke straf dient als waarschuwing voor verdachte en als stok achter de deur voor de noodzakelijke behandeling en begeleiding.

Gelet op de op te leggen gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de poging tot doodslag (feit 1) en de bedreiging (feit 2). Gevorderd wordt een bedrag van € 4.579,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zowel de materiële als de immateriële schade is voldoende onderbouwd. Met name voor wat betreft de immateriële schade geldt dat het bedrag, gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen die de feiten hebben gehad voor benadeelde, redelijk is. Immers zal aangeefster voortaan tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden geconfronteerd worden met de gevolgen van deze feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair stelt de verdediging dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd. Daartoe is aangevoerd dat de jurisprudentie waar naar verwezen wordt ter onderbouwing van de immateriële schade ziet op hele andere situaties, zodat een vergelijking met deze zaak niet gemaakt kan worden. Tot slot verzoekt de verdediging te bepalen dat de schadevergoeding door verdachte in termijnen kan worden betaald.

Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

De materiële schade is door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Nu deze naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat de materiële schade geen onevenredige belasting voor het strafproces vormt en dat de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan materiële schade, te weten

€ 579,-, kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Gelet op de grote impact van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank het aannemelijk dat de benadeelde hiervan psychische schade – in de vorm van angst en verlies van onbevangenheid in haar werkzaamheden – heeft ondervonden. Eens te meer acht de rechtbank dit aannemelijk, omdat benadeelde aan het werk was als hulpverleenster en zij daarbij in het huis van een cliënt is aangevallen. Uit de stukken en de mondelinge toelichting blijkt hoe groot de gevolgen hiervan zijn geweest en nog altijd zijn. Nu de psychische schade niet daadwerkelijk door een deskundige is vastgesteld, matigt de rechtbank de immateriële schade tot een, naar redelijkheid begroot, bedrag van € 1.500,-.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 2.079,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente, zijn daar niet bij inbegrepen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 4 augustus 2017.

De toe te wijzen schadevergoeding, ten bedrage van € 2.079,-, mag door verdachte worden voldaan in twaalf maandelijkse termijnen van € 173,25.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24a, 24c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen twee dagen nadat hij uit detentie komt meldt bij Reclassering Nederland in de regio waar hij klinisch geplaatst word. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich laat opnemen in [naam] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de instantie die verantwoordelijk is voor die plaatsing, voor maximaal anderhalf jaar. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan een indicatiestelling en plaatsing;

- meewerkt aan bewindvoering;

- meewerkt aan een traject gericht op het verkrijgen van een dagbesteding.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.079,- (tweeduizend negenenzeventig euro) te betalen in 12 maandelijkse termijnen van telkens € 173,25 (honderddrieënzeventig euro en vijfentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.079,- (tweeduizend negenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 30 (dertig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. T.N. Ritzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 november 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2017363257, gesloten op 9 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2017 en het proces-verbaal van aangifte, p. 15.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 16 en 17.

4 Het schriftelijk bescheid zijnde een medische verklaring over [slachtoffer] , p. 24.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 20.

6 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 28.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , 65.