Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6111

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
C/05/328092/KG RK 17-980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking, omdat het verzoek te laat is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/328092 / KG RK 17/980

Beschikking van 20 november 2017

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

Lingemeer Holding B.V.

hierna te noemen: verzoekster,

raadsman: mr. M.E. Cuppen

strekkende tot de wraking van

mr. T.P.E.E. van Groeningen,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 23 oktober 2017 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld

- het schriftelijke verweer van de rechter door de rechtbank ontvangen op 31 oktober 2017.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de raadsman van verzoekster, mr. M.E. Cuppen, advocaat te Wittem

- de rechter.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter als voorzitter van de wrakingskamer in de zaak met nummer C/05/326786/KG RK 17/895 inzake verzoekster en mr. M.J.M. Verhoeven.

2.2

Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De rechter is voorzitter geweest in een civiele zaak waarbij verzoekster partij was. De uitspraak in deze civiele zaak was voor verzoekster negatief. Verzoekster heeft de indruk dat de civiele procedure niet eerlijk is verlopen omdat een deel van haar stellingen niet in de beoordeling is betrokken. Verzoekster heeft op die grond de indruk dat de rechter vooringenomen is.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Volgens artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

3.2

De rechtbank constateert dat de aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking aan verzoekster reeds bij brief van 5 oktober 2017 bekend zijn gemaakt. In deze brief is immers aan verzoekster medegedeeld uit welke leden de wrakingskamer op 23 oktober 2017 zou bestaan, waaronder de rechter als voorzitter. Verzoekster heeft echter op dat moment nog geen wrakingsverzoek ingediend. Ook de brief van 12 oktober 2017 waarin aan verzoekster werd medegedeeld dat de samenstelling van de wrakingskamer was gewijzigd, maar waarin wederom de rechter als voorzitter van de wrakingskamer stond vermeld, heeft niet geleid tot de indiening van een wrakingsverzoek. Pas op 23 oktober 2017, tijdens de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek, heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend. Dat is te laat. Dat verzoekster eerst wilde nadenken alvorens tot wraking van de rechter over te gaan acht de rechtbank begrijpelijk. Dit verklaart echter niet waarom verzoekster 18 dagen heeft gewacht. De rechtbank volgt verzoekster evenmin in haar standpunt dat zij de rechter zelf de gelegenheid wilde geven om zich te verschonen. Als verzoekster haar bedenkingen had bij de behandeling door de rechter van het wrakingsverzoek had zij dit aan de rechter kenbaar kunnen maken. Dat zij dit niet heeft gedaan komt voor haar rekening en risico. Verzoekster moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de rechtbank niet toe.

3.3

De rechtbank volgt de rechter niet in zijn verzoek om te bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van verzoekster niet meer in behandeling zal worden genomen. De rechtbank heeft immers thans geen aanleiding te oordelen dat verzoekster het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren.

4 De beslissing

De rechtbank verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. L. van Gijn (voorzitter), I.D. Jacobs en G.A. van der Straaten, in tegenwoordigheid van de griffier [naam griffier] , en in openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

- de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.