Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:611

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennisgeving van verleende omgevingsvergunning; bericht in de zin van artikel 2:14, tweede lid van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1416

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [bedrijf] . (hierna: [bedrijf] ) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een prijzenzuil op het perceel [adres] [xx] te [woonplaats] (het perceel).

Bij besluit van 3 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G. Blasweiler.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift van eiser te laat is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2. Vast staat dat het bestreden besluit op 20 april 2015 aan [bedrijf] is toegezonden en derhalve op de in artikel 3.41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Vast staat eveneens dat eiser op 20 juli 2015, en derhalve niet binnen de bezwaartermijn die ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb de dag na de bekendmaking is gaan lopen, bezwaar heeft gemaakt.

De vraag die ter beantwoording voorligt is derhalve of de termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

2.1.

Ingevolge artikel 6.11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3. Niet in geschil is dat eiser zijn bezwaren binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt, kenbaar heeft gemaakt. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de termijnoverschrijding reeds in verband met de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op dit punt, niet verschoonbaar te achten.

4. Voorts ligt de vraag voor of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, gelet op het feit dat eiser in het verleden betrokken is geweest bij juridische procedures met betrekking tot een eerder aangevraagde prijzenzuil op het perceel en verweerder om die reden eiser had moeten informeren over de aanvraag van [bedrijf] . In dit verband is relevant of verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb neergelegde hoorplicht.

4.1.

Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval niet verplicht was eiser te horen over de aangevraagde omgevingsvergunning. Het besluit steunt niet op gegevens over feiten of belangen die eiser betreffen waardoor geen sprake is van een geval zoals bedoeld in artikel 4:8, eerste lid van de Awb. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis beoogt dit artikel slechts te waarborgen dat een verificatie van gegevens kan plaatsvinden ten behoeve van een goede en zorgvuldige bestuurlijke voorbereiding van een besluit. De in dit artikel neergelegde hoorplicht heeft geen rechtsbeschermingsfunctie. Zij is niet bedoeld als een soort bezwaarprocedure vooraf en is evenmin bedoeld om alle mogelijke aanwezige belangen in kaart te brengen. De omstandigheid dat verweerder eiser niet individueel heeft geïnformeerd over de aanvraag, kan er derhalve niet toe leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

5. Eiser voert voorts aan dat verweerder het primaire besluit niet op de juiste wijze openbaar heeft gemaakt. Het besluit is op de gemeentelijke website gepubliceerd en heeft gedurende de bezwarentermijn ter inzage gelegen in de Stadswinkel. Eiser heeft echter niet de beschikking over een computer zodat hij geen digitale publicaties kan bekijken en hij acht het ondoenlijk om iedere week naar de Stadswinkel te gaan om daar de ter inzage gelegde bekendmakingen te bekijken. Eiser betoogt dat de termijnoverschrijding voor het indienen van een bezwaarschrift daarom verschoonbaar is.

5.1.

Ingevolge artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, (...).

5.2.

Vast staat dat verweerder van het besluit kennis heeft gegeven door publicatie op de gemeentelijke website. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wabo (Kamerstukken II 2006/07, 30844, 3, p. 124) kan worden afgeleid dat een ‘andere geschikte wijze’ van publicatie als bedoeld in artikel 3.8 van de Wabo ook publicatie via het internet kan zijn. Van het besluit is derhalve op een ingevolge de Wabo toegestane wijze kennis gegeven.

5.3.

De vervolgvraag is of artikel 2.14, tweede lid, van de Awb eraan in de weg staat dat kennisgeving van een beschikking als deze uitsluitend elektronisch geschiedt. Dit artikellid regelt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de verzending van berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht, niet uitsluitend elektronisch geschiedt.

De artikelen 2:13 tot en met 2:17 van de Awb zijn ingevoegd bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer, Stb. 2004, 214, en zijn in werking getreden op 1 juli 2004. Gelet op het feit dat de Wabo dateert van na 2004, kan uit de wetsgeschiedenis van het tweede lid van artikel 2:14 van de Awb niet worden afgeleid of dit artikellid ook van toepassing is op de mededeling van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Uit de jurisprudentie volgt wel dat artikel 2:14, tweede lid, van de Awb van toepassing is op de kennisgeving van een ontwerpbesluit, zoals bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb (zie de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013, ECLI:RVS:2013:539). Wanneer een omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, dient van het ontwerpbesluit derhalve op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb te worden kennis gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Gelet op de bewoordingen en de ratio van artikel 2:14, tweede lid, van de Awb ziet de rechtbank geen aanleiding om deze bepaling niet tevens van toepassing te achten op de kennisgeving van een ingediende aanvraag en de kennisgeving van een verleende omgevingsvergunning, als bedoeld in de artikelen 3.8 en 3.9 van de Wabo. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert een dergelijke kennisgeving c.q. mededeling, die bedoeld is om een onbepaalde groep van personen te bereiken, als een bericht in de zin van artikel 2:14, tweede lid, van de Awb. De omstandigheid dat de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning is gericht tot de aanvrager, neemt niet weg dat de kennisgeving ervan niet tot een of meer geadresseerden is gericht. Artikel 2:14, tweede lid, van de Awb is hier derhalve van toepassing.

In het onderhavige geval heeft verweerder echter met elektronische kennisgeving kunnen volstaan aangezien sprake is van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2:14, tweede lid, van de Awb. Op 30 oktober 2012 is de door de gemeenteraad van Nijmegen vastgestelde “Verordening elektronische publicatie 2012 (uitsluitend elektronisch publiceren mogelijk maken 2:14 tweede lid Awb)” in het Gemeenteblad gepubliceerd. Dit wettelijk voorschrift is op 31 oktober 2012, en derhalve voor de verlening van de omgevingsvergunning, in werking getreden. Ingevolge artikel 3 (Elektronische publicatie) van deze Verordening vindt publicatie van de ontvangst van meldingen, de ontvangst van aanvragen, ontwerpbesluiten en besluiten elektronisch plaats, tenzij wettelijk een andere wijze van publicatie is voorgeschreven. Artikel 2.14, tweede lid, van de Awb stond er derhalve niet aan in de weg om van het onderhavige primaire besluit uitsluitend elektronisch kennis te geven.

5.4.

Voorts kan niet worden geoordeeld dat het alleen langs elektronische weg kennisgeven van een besluit ertoe leidt dat de toegang tot de rechter wordt aangetast op een wijze die in strijd komt met artikel 6 van het EVRM, zoals eiser impliciet betoogt. In een uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2421 heeft de Afdeling beslist dat de omstandigheid dat het voor sommigen onmogelijk kan zijn om het internet te raadplegen, geen reden vormt om terug te komen van eerdere jurisprudentie waarin kennisgeving via internet als geschikte wijze van kennisgeving is aangemerkt, gelet op hetgeen daarover in de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer is bepaald en hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis is opgemerkt.

5.5.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder op correcte wijze van het primaire besluit kennisgegeven en ziet de rechtbank in de wijze van kennisgeving van het besluit derhalve geen grond voor het oordeel dat eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft ingediend binnen de daarvoor geldende termijn.

6. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Dijkman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.