Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:610

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 421
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 47, 49 en 52a AWR. Informatiebeschikkingen niet van rechtswege vervallen op grond van artikel 52a, lid 3, AWR. De informatiebeschikkingen worden (deels) vernietigd omdat verweerder zich ten aanzien van een aantal vragen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat beantwoording van de vragen van belang kan zijn voor de heffing van IB/PVV ten aanzien van eiser (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3603). De vragen met betrekking tot de verkoop van een onroerende zaak door de vader van eiser en de beweerdelijke schenking van de opbrengst aan de broer zijn wel terecht gesteld. In zoverre blijven de informatiebeschikkingen voor de jaren 2011 en 2012 wel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0367 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2017/306
V-N 2017/19.2.1
Mr. M.H.W.N. Lammers annotatie in NTFR 2017/681

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/421, 16/630 en 16/2852

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 februari 2017

in de zaken tussen

drs. [X], te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 7 november 2014, 5 februari 2015 en 3 november 2015 ten aanzien van eiser informatiebeschikkingen gegeven als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) die betrekkingen hebben op de jaren 2010, 2011 en 2012.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van achtereenvolgens 9 december 2015, 18 december 2015 en 29 april 2016 de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van respectievelijk 19 januari 2016, 28 januari 2016 en 9 mei 2016, ontvangen door de rechtbank op dezelfde data, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 april 2015 heeft eiser de beroepen betreffende de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010 en 2011 (nader) gemotiveerd. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. [A] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , mr. [B] en drs. [C] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Bij brief van 17 juni 2009 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser, [D] (hierna: [D] ), aan verweerder meegedeeld dat eiser en zijn broer [E] (hierna: de broer) met gebruikmaking van de inkeerregeling inlichtingen willen verstrekken over hun vermogen in het buitenland. Op 14 oktober 2009 is deze brief (wederom) aan verweerder verstuurd.

2. Verweerder heeft [D] bij brief van 6 november 2009 verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken omtrent de in het buitenland aangehouden bankrekeningen.

3. Vervolgens is veelvuldig gecorrespondeerd tussen verweerder en (de opvolgende adviseurs van) eiser over de omvang en opbouw van het door eiser en de broer in het buitenland aangehouden vermogen dat tot de datum van inkeer buiten het zicht van verweerder is gehouden.

4. Bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) betreffende de jaren 1997 tot en met 2008 is verweerder uitgegaan van geschatte bedragen aan verzwegen inkomen en vermogen, omdat hij van mening is dat eiser (of de broer) niet alle gevraagde informatie met betrekking tot het verzoek om inkeer heeft verstrekt.

5. Eiser heeft voor de jaren 2010, 2011 en 2012 aangifte IB/PVV gedaan.

Met betrekking tot het jaar 2010:

6. Naar aanleiding van de aangifte voor het jaar 2010 heeft verweerder bij brief van 4 september 2014 vragen gesteld. Verweerder heeft eiser gewezen op de informatieplicht zoals die is opgenomen in artikel 47 van de AWR en de mogelijke gevolgen wanneer niet aan die plicht wordt voldaan. De brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Voor het jaar 2010 wil ik binnenkort de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PH) aan u opleggen.

Naar aanleiding van uw verzoek om inkeer inzake buitenlands vermogen (zie brief van 14 oktober 2009 [F] ) heb ik sindsdien uitgebreid contact gehad met u en uw adviseurs. Uiteindelijk heb ik daaruit de conclusie getrokken dat u aan het ingestelde onderzoek terzake uw verzoek om inkeer buitenlands vermogen onvoldoende medewerking geeft. Zo ben ik van mening dat er tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over de vermogensopbouw in de periode 1987 tot en met 1997 en over de herkomst van het vermogen. Hierdoor is het voor mij onvoldoende-duidelijk geworden voor welk buitenlands vermogen u belast dient te worden. Tegen de opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PH en vermogensbelasting (hierna: VB) zijn bezwaar- en inmiddels beroepschriften ingediend. Tegen de uitspraak van 25 maart 2014 – bezwaarschrift informatiebeschikking IB/PH 2009 dd 3 december 2013 – is op 25 april 2014 beroep aangetekend.

Het hiervoor genoemde heeft gevolgen voor de door u ingediende aangifte IB/PH 2010. Ik moet namelijk kunnen nagaan of die door u ingediende aangifte juist is. Met deze brief zet ik het onderzoek naar het vermogen in het buitenland dan ook voort. Ik wil u daarom opnieuw vragen stellen over het door u aanhouden van vermogen in het buitenland.

In onderdeel 1 (Onderzoek inkeer buitenlands vermogen tot nu toe) zal ik allereerst een samenvatting geven van het onderzoek inkeer buitenlands vermogen tot nu toe. Deze samenvatting is bedoeld als achtergrondinformatie, ter toelichting van mijn informatiebehoefte.

In onderdeel 2 (Aangifte IB 2010) staan de vragen die ik u concreet wil stellen over de ingediende aangifte IB/PH over het jaar 2010.

1 Onderzoek inkeer buitenlandsvermogen tot nu toe

(…)

Uitgaande van de feiten trek ik de conclusie dat de storting van f. 1.000.000 niet geleid kan hebben tot het eerst bekende vermogen per 1 januari 1997 van € 1.704.983.

(…)

Tijdens het gesprek deelde uw gemachtigde mij het volgende mee: “meneer [G] ik ben het met u eens dat er meer stortingen moeten hebben plaatsgevonden die hebben geleid tot het eerst bekende vermogen per 1 januari 1997, alleen kunnen de heren [X en E] zich dat niet meer herinneren”.

(…)

4. Afwikkeling verzoek om inkeer

Aan het eind van het gesprek is in het algemeen gesproken over de afwikkeling van uw verzoek om inkeer. Hierbij is expliciet aangegeven dat antwoord gegeven moet worden op volgende vragen:

1. Waaruit blijkt dat u (…) in de jaren 1987 tot en met 2005 gerechtigd bent (geweest) in het ten name van uw broer (…) gehouden vermogen bij de ABN-AMRO in België.

2. Welke stortingen zijn gedaan in de jaren 1987 tot 1997 die hebben geleid tot het eerst bekende vermogen van € 1.704.983 per 1 januari 1997.

3. Wat is de herkomst van de gestorte gelden.

(…)

Aan het eind van het gesprek heb ik gevraagd of het niet zo zou kunnen zijn dat u en uw broer ieder f 1.000.000 geschonken hebben gekregen van uw vader en er direct na de eerst bekende storting van f 1.000.000 een 2e storting heeft plaatsgevonden.

Op mijn vraag heeft u niet gereageerd. De heer [H] zei hierop: gaat u maar uit van een schenking van 2x f 1.000.000. De vraag met betrekking tot de gerechtigdheid van [X] in het ten name van [E] tenaamgestelde vermogen is dan niet meer aan de orde.

(…)

2 Aangifte IB 2010

In de ingediende aangifte IB/PH 2010 is in box 3 het volgende aan buitenlandse vermogen gehouden bij de ABN-AMRO in [Q] in België aangegeven:

Bankrekeningen

1-1-2010*

31-12-2010

ABN AMRO, nr [000]

€ 933.115

€ 946.611

     

Aandelen, obligatie ed

   

ABN AMRO pr. Banking nr. [001]

€ 221.342

€ 224.426

Totaal

€ 1.154.457

€ 1.171.037

*Van de aangegeven waarden per 1 januari 2010 zijn de onderliggende stukken
overgelegd.

Hiervoor heb ik al geschreven dat onbekend is voor welk bedrag aan buitenlands vermogen u belast dient te worden. Om die reden ga ik u wederom vragen stellen over het door u in het buitenland aangehouden vermogen.

De navolgende vragen hebben betrekking op uw vermogen dat in 2010 in het buitenland is aangehouden. Dit vermogen kan van belang zijn voor de heffingsgrondslag bij sparen en beleggen voor de inkomstenbelasting over het nog te regelen belastingjaar 2010. Voor een deel zijn de vragen bedoeld om uw aangifte, waaronder deze heffingsgrondslag, te kunnen toetsen op juistheid en volledigheid.

Vragen

1. Waaruit blijkt dat u, [X] , in de jaren 1987 tot en met 2005 gerechtigd bent (geweest) in het ten name van uw broer [E] gehouden vermogen bij de ABN-AMRO in België.

2. Welke stortingen zijn gedaan in de jaren 1987 tot 1997 die hebben geleid tot het eerst bekende vermogen van € 1.704.983 per 1 januari 1997.

3. Wat is de herkomst van de gestorte gelden. Ik verzoek u uw reactie te onderbouwen met onderliggende stukken.

4. Ik verzoek u mij de onderliggende bescheiden van het in de aangifte IB/PH 2010 per 31 december 2010 aangegeven vermogen bij de ABN AMRO te [Q] in België te overleggen.

(…)

5. Ik verzoek u aan te geven hoe (eventuele) correcties terzake (buitenlandse) vermogensbestanddelen in de aangifte moet worden verwerkt. Indien u wilt afwijken van de wettelijke regeling (toedeling van 50% aan beide partners) dan verzoek ik u mij dat kenbaar te maken in een door beide partners ondertekende verklaring.

(…)”

7. Bij de voor het jaar 2010 gegeven informatiebeschikking van 7 november 2014 heeft verweerder een samenvatting gegeven van de eerder aan eiser gestelde vragen en de daarop door hem gegeven antwoorden. Verweerder heeft gesteld dat drie van de vijf vragen door eiser niet zijn beantwoord en dat één antwoord geen betrekking heeft op het jaar 2010. Alleen de onderliggende bescheiden van het in de aangifte IB/PH 2010 per 31 december 2010 aangegeven vermogen bij de ABN AMRO te [Q] (vraag 4) zijn naar tevredenheid van verweerder overgelegd. In de brief is onder ‘Informatiebeschikking’ verder het volgende opgenomen:

“ Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat u niet heeft voldaan aan de op u rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR. Ik verzoek u hierbij alsnog uiterlijk op 27 november 2014 de vragen 1 tot en met 4 te beantwoorden en informatie te verstrekken.

Opvraag inlichtingen en bescheiden buitenlands vermogen

1. Waaruit blijkt dat u, [X] , in de jaren 1987 tot en met 2005 gerechtigd bent (geweest) in het ten name van uw broer [E] gehouden vermogen bij de ABN-AMRO in België.

2. Welke stortingen zijn gedaan in de jaren 1987 tot 1997 die hebben geleid tot het eerst bekende vermogen van € 1.704.983 per 1 januari 1997.

3. Wat is de herkomst van de gestorte gelden. Ik verzoek u uw reactie te onderbouwen met onderliggende stukken.

(…)

4. Ik verzoek u aan te geven hoe (eventuele) correcties terzake (buitenlandse) vermogensbestanddelen in de aangifte moet worden verwerkt. Indien u wilt afwijken van de wettelijke regeling (toedeling van 50% aan beide partners) dan verzoek ik u mij dat kenbaar te maken in een door beide partners ondertekende verklaring.

Indien ik niet of niet volledig door u wordt geïnformeerd zal ik, nadat deze informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, de aanslag vaststellen en daarbij uw aangegeven inkomen en /of vermogen verhogen. (…)”

Met betrekking tot het jaar 2011:

8. Met dagtekening 15 januari 2015 heeft verweerder aan eiser een vragenbrief gestuurd in verband met de op te leggen aanslag IB/PVV 2011. In aanvulling op de hiervoor genoemde vragenbrief voor het jaar 2010, luidt die brief als volgt:

“(…)

Zitting Rechtbank Arnhem – 4 december 2014

Op 4 december 2014 is tijdens een zitting (navorderingsaanslagen IB/PH 1997 t/m 2008, VB 1998 t/m 2000, informatiebeschikking IB 2009) bij de Rechtbank Arnhem door de heer [H] meegedeeld dat u en uw broer het verschil weten te verklaren omtrent de aangroei van het vermogen tussen de eerste storting ad f 1.000.000 op 15 september 1987 en het eerst bekende vermogen per 1 januari 1997 ad € 1.704.983.

Tijdens de zitting heeft uw broer verklaard dat uw vader, wijlen [I] , in 1989 een pand in [R] aan de [A-straat 1] heeft verkocht voor f 900.000. De opbrengst is gestort op de bekende rekening bij de ABN. Dit verklaart de aangroei van het vermogen.

Op de vraag van de rechtbank of van deze transacties onderliggende stukken zijn, heeft uw broer geantwoord: “Neen, we zijn er pas zeer recent achter gekomen (dit herinnert). Het historisch overzicht is opgevraagd bij het kadaster. Het bedrag van f 900.000 is aan mij geschonken in Nederland. We (vader en ik) zijn met een koffer met geld naar de bank in België gegaan. De rekening stond op mijn naam, met de bedoeling dat het een gezamenlijke rekening met mijn broer [X] betreft”. U heeft tijdens de zitting aangegeven achteraf bekend te zijn met deze transacties.”

Verweerder heeft vervolgens de vragen 1 tot en met 3 uit de vragenbrief voor het jaar 2010 herhaald. In aanvulling hierop heeft verweerder de volgende vragen gesteld:

“Naar aanleiding van de zitting van 4 december 2014.

4. Heeft u inmiddels de onderliggende stukken waaruit de verkoop in 1989 blijkt van een pand in [R] aan de [A-straat 1] voor f 900.000 door wijlen [I] ? Zo ja, dan verzoek ik u mij deze stukken (w.o. akte en afrekening notaris) toe te sturen.

5. Heeft u onderliggende stukken waaruit blijkt dat uw vader uw broer het bedrag van f 900.000 in 1989 heeft geschonken?

6. Heeft u onderliggende stukken waaruit blijkt dat de opbrengst van het hiervoor genoemde pand gestort is op de bankrekening van uw broer bij de ABN/AMRO in België? Zo ja, dan verzoek ik u mij deze stukken toe te sturen.”

Ook in deze brief is eiser gewezen op de mogelijke gevolgen van niet meewerken.

9. Bij de voor het jaar 2011 gegeven informatiebeschikking van 5 februari 2015 heeft verweerder, na een samenvatting van de vragen en daarop door eiser gegeven antwoorden, gesteld dat geen van de vragen inhoudelijk juist en volledig is beantwoord. Daarom heeft hij onder het kopje ‘informatiebeschikking’ de vragen 1 tot en met 6 uit de vragenbrief herhaald. Verweerder heeft aangekondigd dat wanneer de vragen onbeantwoord blijven hij, na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking, de aanslag zal vaststellen en daarbij het aangegeven inkomen en/of vermogen zal verhogen.

Met betrekking tot het jaar 2012:

10. Bij brief van 8 juli 2015 heeft verweerder verzocht om informatie in verband met de op te leggen aanslag IB/PVV 2012. In deze vragenbrief heeft verweerder dezelfde vijf vragen gesteld als in de vragenbrief betreffende het jaar 2010 (zie overweging 6), met dien verstande dat vraag 4 betrekking heeft op het in de aangifte IB/PVV 2012 aangegeven vermogen per 1 januari 2012. Voorts heeft verweerder - onder meer - de vragen 4 tot en met 6 uit de vragenbrief betreffende het jaar 2011 herhaald (in de vragenbrief voor het jaar 2012 zijn dat de vragen 6 tot en met 8).

11. Met dagtekening 3 november 2015 heeft verweerder voor het jaar 2012 een informatiebeschikking afgegeven. Daarin constateert verweerder dat eiser niet alle vragen heeft beantwoord. Hij stelt eiser in de gelegenheid zes vragen alsnog te beantwoorden, te weten de vragen 1 tot en met 3 (gelijk aan de vragen 1 tot en met 3 uit de informatiebeschikking voor het jaar 2010; zie overweging 7) en de vragen 6 tot en met 8 (gelijk de vragen 4 tot en met 6 uit de informatiebeschikking voor het jaar 2011).

Geschil

12. In geschil is of de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2011 en 2012 terecht zijn gegeven.

13. Eiser stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de informatiebeschikkingen op grond van artikel 52a, derde lid, van de AWR van rechtswege zijn komen te vervallen, omdat verweerder na het geven van de informatiebeschikkingen een navorderingsaanslag schenkingsrecht heeft opgelegd en uitspraak heeft gedaan op een bezwaar tegen een eerdere aanslag schenkingsrecht. Daarnaast stelt eiser dat de vragen van verweerder niet (langer) relevant zijn voor de vaststelling van de nog op te leggen aanslagen IB/PVV voor de onderhavige jaren. Ten slotte stelt eiser dat de gevraagde informatie reeds is verstrekt.

14. Verweerder heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

Beoordeling van het geschil

15. Ingevolge artikel 47, aanhef en onderdeel a, van de AWR is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – en binnen een door de inspecteur te stellen termijn (artikel 49, eerste lid, van de AWR).

16. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking aan de hiervoor genoemde verplichtingen niet of niet volledig wordt voldaan, kan de inspecteur dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de AWR vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). In artikel 52a, derde lid, van de AWR is bepaald dat indien de inspecteur een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, de informatiebeschikking vervalt.

17. In de onderhavige informatiebeschikkingen wordt gerefereerd aan de door eiser voor de jaren 2010, 2011 en 2012 ingediende aangiften IB/PVV en de naar aanleiding daarvan verstuurde vragenbrieven. Bovendien wordt opgemerkt dat beantwoording van de vragen nodig is voor de aanslagregeling IB/PVV betreffende die jaren. Gelet hierop is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat de onderhavige informatiebeschikkingen slechts betrekking hebben op nog op te leggen aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Verweerder heeft dit ter zitting ook bevestigd. Dat - naar eiser stelt - de vragen in de informatiebeschikkingen in potentie een ruimer bereik hebben, doet daaraan niet af.

18. De omstandigheid dat een voor het heffen van schenkingsrecht bevoegde ambtenaar een uitspraak op bezwaar heeft gedaan met betrekking tot een opgelegde navorderingsaanslag in het schenkingsrecht en een nieuwe navorderingsaanslag in het schenkingsrecht heeft opgelegd, brengt - anders dan eiser betoogt - dan ook niet met zich dat de onderhavige informatiebeschikkingen zijn komen te vervallen op grond van het bepaalde in artikel 52a, derde lid, van de AWR. Dit wordt niet anders doordat de informatie waarop de navorderingsaanslagen in het schenkingsrecht zijn of waren gebaseerd, geheel of gedeeltelijk is ontleend aan de informatie die voortkomt uit de vrijwillige inkeer van eiser voor de IB/PVV. Het beroep is in zoverre ongegrond.

19. Voor het antwoord op de vraag of voor eiser op grond van artikel 47 van de AWR een verplichting bestaat om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken, is voldoende dat verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van eiser (vergelijk Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603 en Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498).

Informatiebeschikkingen 2010 tot en met 2012: vragen 1 tot en met 3

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat beantwoording van de vragen 1 tot en met 3 in de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010 tot en met 2012 (zie overweging 7) van belang kan zijn voor de heffing van IB/PVV over die jaren ten aanzien van eiser. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

21. Vraag 1 betreffende de gerechtigdheid van eiser tot de rekening ten name van de broer in de periode 1987 tot en met 2005 mist relevantie, aangezien ook verweerder ervan uitgaat dat de helft van het bekende saldo op die rekening in 2005, en dus ruim voor de onderhavige belastingjaren 2010 tot en met 2012, is terechtgekomen op een buitenlandse rekening ten name van eiser zelf (met nrs. [000] en [001] ). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat duidelijkheid omtrent de overgang van dit deel van het vermogen van de rekening van de broer naar de rekening van eiser - ten titel van (mede)gerechtigdheid of anderszins - van belang kan zijn voor de heffing van IB/PVV over de jaren 2010, 2011 en 2012 van eiser.

22. Evenmin heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat beantwoording van de vragen 2 en 3, kort gezegd ter opheldering van de onduidelijkheid omtrent de opbouw en herkomst van het vermogen op de buitenlandse rekening ten name van de broer in de periode 1987 tot 1997, redelijkerwijs van belang kan zijn voor de heffing van IB/PVV over 2010 tot en met 2012 ten aanzien van eiser. Verweerder heeft in dit kader gewezen op de – bij voortduring – wisselende verklaringen hieromtrent van de zijde van eiser en de broer. In die wisselende verklaringen kan echter nog geen aanknopingspunt worden gevonden voor een redelijk vermoeden dat eiser over meer vermogen in het buitenland heeft beschikt dan het (hem toekomende deel van het) buitenlandse vermogen waarvoor is ingekeerd, welk vermogen - naar niet wordt bestreden - ook in eisers aangifte IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2012 is verwerkt. Een dergelijk vermoeden kan evenmin worden gevonden in de aanname van verweerder (als resultaat van een ‘creatief denkproces’ binnen de belastingdienst) dat voor de hand ligt dat ook eiser, net als zijn broer, in 1987 een schenking van fl. 1.000.000 heeft ontvangen van zijn ouders welke op een buitenlandse rekening ten name van hemzelf is beland. Voor het bestaan van een dergelijke schenking dan wel een eigen buitenlandse rekening heeft verweerder, desgevraagd ter zitting, geen concrete aanwijzingen. De beweerdelijke uitlating omtrent deze aanname door de toenmalige gemachtigde, zoals verwoord in de vragenbrief voor het jaar 2010, biedt hiervoor een onvoldoende basis, gelet op de ontkenning door eiser zelf. Zonder concrete aanknopingspunten voor het bestaan van meer vermogen met een buitenlandse oorsprong dan door eiser in zijn aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2012 is verwerkt, moeten de vragen 2 en 3 worden gezien als een ‘fishing expedition’, de blijvende onduidelijkheid omtrent opbouw en herkomst van het buitenlandse vermogen van de broer ten spijt.

23. Eiser behoefde de vragen 1 tot en met 3 daarom niet te beantwoorden. De wisselende verklaringen naar aanleiding van die vragen van de zijde van eiser en de broer impliceren dientengevolge evenmin een schending van de verplichting ingevolge artikel 49, eerste lid, van de AWR.

Informatiebeschikking 2010: vraag 4

24. De vierde vraag behelst het afgeven van een door belanghebbende en zijn echtgenote ondertekende verklaring omtrent de toedeling van (eventuele) correcties ter zake van (in het buitenland) aangehouden vermogen. Ondanks het in artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001 geregelde vermoeden, op grond waarvan - voor zover de belastingplichtige en zijn partner daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen - de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij hen voor de helft tot hun bezit te horen, is hiermee in beginsel een voldoende heffingsbelang gegeven. De hoogte van de op te leggen aanslag IB/PVV is immers afhankelijk van de gekozen verdeling. Bovendien kan een onderlinge verhouding door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag IB/PVV van de belastingplichtige en zijn partner onherroepelijk vaststaan.

25. Eiser heeft deze vraag niet beantwoord met de enkele verwijzing naar zijn verklaring inzake een toedelingskwestie in een eerder belastingjaar. Een voor een eerder jaar gemaakte keuze werkt immers niet door naar latere belastingjaren. Elk belastingjaar moet opnieuw een keuze worden gemaakt.

26. Zoals hiervoor met betrekking tot de vragen 1 tot en met 3 is overwogen, beschikt verweerder voor het onderhavige jaar echter niet over een concrete aanwijzing dat eiser over meer vermogen met een buitenlandse oorsprong heeft beschikt dan door hem is verwerkt in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2010. Er bestaat derhalve ook geen directe aanleiding voor het aanbrengen van correcties ter zake. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder beschikt over concrete aanwijzingen voor het aanbrengen van correcties op het aangegeven vermogen, zodat er geen redelijk heffingsbelang bestaat bij het stellen van vragen over de gewenste toedeling van het vermogen tussen eiser en zijn partner in afwijking van de in de aangifte IB/PVV gemaakte keuze. Onder die omstandigheid is van een schending door eiser van de verplichting als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de AWR evenmin sprake.

Informatiebeschikking 2011: vragen 4 tot en met 6, en

Informatiebeschikking 2012: vragen 6 tot en met 8

27. De vragen 4 tot en met 6 in de informatiebeschikking 2011 en de gelijkluidende vragen 6 tot en met 8 in de informatiebeschikking 2012 zien op de verkoop van een pand in [R] voor fl. 900.000 door wijlen [I] (de vader van eiser) in 1989. De verkoopopbrengst zou volgens een door de broer afgelegde verklaring - na schenking door vader - aan hem en eiser ten goede zijn gekomen.

28. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt verweerder in zoverre over een concreet aanknopingspunt voor het stellen van vragen omtrent de feitelijke gang van zaken rond die verkooptransactie, de daarop volgende schenking en de uiteindelijke bestemming van de verkoopopbrengst. Verweerder heeft zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat beantwoording van die vragen van belang kan zijn voor de belastingheffing ten aanzien van eiser. Beantwoording van die vragen door eiser kan immers bijdragen aan de vaststelling van de juistheid van de door eiser in de aangifte IB/PVV voor die jaren aangegeven grondslag sparen en beleggen (box 3).

29. Eiser heeft die vragen niet (volledig) beantwoord. Weliswaar is in de beroepsfase betreffende de informatiebeschikking 2011 door eiser alsnog een afschrift van de transportakte overgelegd waaruit volgt dat de koopsom van het pand fl. 850.000 bedroeg (en niet fl. 900.000), maar nadere stukken omtrent de afwikkeling van de verkoop - zoals de gevraagde afrekening van de notaris - ontbreken nog altijd. Over de beweerdelijke schenking van de verkoopopbrengst aan de broer en de verdere bestemming hiervan, heeft eiser evenmin openheid gegeven.

Slotsom

30. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De uitspraken op bezwaar kunnen niet in stand blijven. De informatiebeschikking 2010 dient te worden vernietigd. De informatiebeschikkingen 2011 en 2012 kunnen in stand blijven, maar uitsluitend voor zover het de vragen 4 tot en met 6 (informatiebeschikking 2011) respectievelijk de vragen 6 tot en met 8 (informatiebeschikking 2012) betreft. Voor het overige zullen zij worden vernietigd.

31. Aangezien het beroep tegen de informatiebeschikkingen 2011 en 2012 slechts ten dele doel treft en voor het overige ongegrond is, ziet de rechtbank ingevolge artikel 27e, tweede lid, van de AWR aanleiding om eiser een nieuwe termijn te stellen voor het voldoen aan de in die beschikkingen bedoelde verplichtingen. Zij stelt hiervoor een termijn van zes weken te rekenen vanaf de dag nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

32. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, maar acht geen termen aanwezig om wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding af te wijken van de forfaitaire bedragen die volgen uit artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Van ernstig onzorgvuldig handelen aan de zijde van verweerder dan wel het handhaven van de informatiebeschikkingen tegen beter weten in, is onder de gegeven omstandigheden geen sprake. In overeenstemming hiermee zijn de kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op in totaal € 1.236 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een factor 1 wegens samenhang). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de informatiebeschikking 2010;

- vernietigt de informatiebeschikking 2011 en 2012 voor zover het de vragen 1 tot en met 3 betreft en laat deze voor het overige in stand;

- bepaalt dat eiseres binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden, de in de informatiebeschikkingen 2011 en 2012 gestelde vragen 4 tot en met 6 respectievelijk 6 tot en met 8 dient te beantwoorden en de daarin verzochte informatie dient te verstrekken;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.236;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 137 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 7 februari 2017

De griffier is verhinderd deze uitspraak te tekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.